De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

IEDER DIE GELOOFT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IEDER DIE GELOOFT

11 minuten leestijd

Door dezen een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt. Handelingen 13 vs. 39b.

Op zijn eerste zendingsreis komt Paulus in Antiochië. Deze plaats moet ge niet verwarren met Antiochië, dat in Syrië ligt. Daar is het zendingswerk eigenlijk begonnen. Nu zijn we met Paulus in Klein Azië. Hier zoekt hij gelegenheid om het Evangelie te verkondigen. Want dit is de opdracht van zijn Koning en het is ook de lust van zijn hart. Hij doet niet liever dan de Heere Jezus aanprijzen als de enige Zaligmaker van zondaren. Hoe moet Paulus hier nu beginnen ? Waar kan hij mensen, vinden, aan wie hij vertellen kan van de Heiland en Zijn werk, van hun nood en ellende, om zo aan te dringen op bekering ? Paulus zoekt naar mensen, Joden of heidenen, dat is om het even, want beiden zijn zij van nature zonder Christus, dus zonder God, al heeft de een een stuk van de Bijbel, het Oude Testament, en de ander niet, al weet de een wel van alles over de levende God en de ander niet. Want het is geen kwestie van weten, van kennis hebben van God in de verstandelijke zin van het woord, maar van geloof, van overgave, van een nieuw leven, helaas niet. Waar vindt Paulus nu de mensen ?

In vele plaatsen buiten het Joodse land hebben zich Joden gevestigd, die uit hun vaderland geëmigreerd zijn. Zij zijn trouw gebleven aan het geloof, dat zij van huis uit meegekregen hebben. Daarom hebben zij in de vreemde omgeving ook synagogen gebouwd, zodat zij elke sabbat samen konden komen, om te luisteren naar de Wet en de Profeten. Ook heidenen woonden deze samenkomsten bij. Het heidendom gaf hun geen voldoende bevrediging meer, zij waren getroffen door de ernst van het Oude Testament en hadden hun hart er aan gewonnen gegeven. Het zijn de mensen, die Paulus in, het tweede deel van zijn verhaal over de Heere Jezus en Zijn werk noemt degenen, die God dienen, of ook wel God-vrezenden. Ook Paulus bezocht met zijn metgezellen deze diensten in de synagoge en naar oud gebruik werd aan hem als vreemdeling het woord gegeven. Van deze gelegenheid maakte de grote apostel gebruik om zijn boodschap te doen en te spreken van de Heere Jezus, die gekomen is om te vervullen alles wat in het Oude Testament over de Messias beschreven staat. Wat een heel ander geluid horen de Joden en de belangstellende heidenen deze sabbat in de synagoge van Antiochië, als Paulus het woord neemt. Hij verkondigt hun Gods gangen door de geschiedenis, die heilsgeschiedenis is en uitloopt in de geboorte van de Heere Jezus, de Zaligmaker, die verworpen is door de leiders van het Joodse volk, maar door God opgewekt en verheerlijkt. Deze preek van Paulus loopt dan uit in een aanprijzen van de Heere Jezus, in een aandringen om zich tot Hem te bekeren, omdat deze Jezus de Verlosser is. Hij heeft door Zijn lijden en sterven vergeving verworven.

De mensen in Antiochië waren een heel andere prediking gewend. Week aan week was hun voorgehouden, dat wij door de wet van Mozes rechtvaardigheid bij God moeten en kunnen verkrijgen. Dit is een prediking, die ons van nature allemaal wel aanstaat. Deze prediking laat ons, mensen, in waarde en vernedert ons niet. Wij kunnen het zelf doen. De Heere Jezus tekent ons deze godsdienstigheid in een paar woorden, als Hij vertelt van twee mensen, die naar de tempel opgingen om te bidden. De een was een farizeër, een ernstige, nauwgezette man, die zijn godsdienstplichten goed nakomt. Deze man gaat er van uit, dat zijn leven goed is en hij er de Goddelijke goedkeuring vast en zeker op krijgen zal, omdat hij de geboden van de wet van Mozes goed nakomt. Jammer is het, dat deze man tevreden is met een uitwendig godsdienstig leven. Doodslaan is voor hem alleen iemand vermoorden, en stelen, bij de een of ander in gaan breken. Voor de diepe zin van de wet, waar de Heere Jezus in Zijn Goddelijk onderwijs inzicht in geeft, had deze man heel geen oog. Dat iemand haten ook al vermoorden is en op iemand jaloers zijn ook al stelen is, kwam bij deze man niet op. Verder ontbrak het deze farizeër, zoals het hier bij vele mensen aan schort, aan waarachtige zelfkennis. Hij was een vreemdeling in zijn eigen hart, in de boosheid en verdorvenheid van ons innerlijk leven. Wij weten er toch zo weinig van, dat God heel iets anders vraagt dan een uitwendig correct leven, maar de liefde van ons hart en een volkomen vervulling van Zijn wet, zodat geen kwaad meer bij ons opkomt en geen enkel gebrek aan onze daden kleeft, zodat ons hele leven is een dienen van Hem en opgaan in Zijn wet, een levens­wandel zonder zonde, zoals de Heere Jezus het kon verklaren: het is Mijn spijze, Mijn eten en drinken, om de wil Mijns Vaders te doen.

Rechtvaardig is hij, die Gods wet vervult. Doe dit en gij zult leven, zo lezen we in de Bijbel. Rechtvaardig zijn houdt in, dat we in alles Gode behagen, dat de Heere Zijn goedkeuring hecht aan ons denken en willen en voelen en streven. Rechtvaardig zijn brengt met zich mee, dat God Zich in ons leven verblijdt, omdat we voor Hem leven, Hem dienen en verheerlijken en niets doen, waar God de Heere geen zin in heeft. De farizeër dacht, dat hij zo was. Hij; stelde zich ver boven de gewone mensen, de zondaren, de mensen, die nog wel eens uit de band sprongen. Zij waren buitengewoon ingenomen met zichzelf. En nu komt Paulus hier met de prediking, dat er maar één rechtvaardig is, namelijk Jezus, en dat wij nooit door ons eigen werk, door onze eigen zedelijke inspanningen rechtvaardig voor God kunnen worden, maar alleen door de Heere Jezus. En dit is nu juist het vreemde voor degenen, die zitten te luisteren in de synagoge naar de prediking van Paulus. Nu worden alle mensen, die rechtvaardig zijn in hun eigen oog en menen met hun volbrengen van de wet heel wat te betekenen, van hun voetstuk gestoten en nu komen zij zo maar terecht bij de zondaren en nu moeten ook zij ootmoedig gaan vragen om de gerechtigheid van een ander. En dit is wat ons van nature tegenstaat in het Evangelie, dat wij als een zondaar vernederd worden en met niets van onszelf voor God bestaan kunnen en als een boetvaardige zondaar om genade moeten smeken. En dit willen wij niet, zondaar voor God worden, op onze, knieën aan de troon der genade met de belijdenis, dat we ons leven hebben verknoeid en God niet aan Zijn recht hebben laten komen, zodat wij het waard zijn, dat de hemelse Rechter ons veroordeelt en verwerpt. Zo komen we naast de zondaren terecht, zo leven we het in, dat er eigenlijk net als in het gebed van de tollenaar, maar één zondaar bestaat en zo gaan we smeken in alle ootmoed des harten: O God, wees mij zondaar genadig !

Wat zullen de mensen in de synagoge van Antiochië vreemd opgekeken hebben van de prediking van deze vreemdeling. Hij sprak van gerechtigheid, van rechtvaardig worden, maar op een heel andere manier dan zij: het zich dachten. Inderdaad, op een heel andere manier, op Gods manier. God heeft Zijn eigen manier van doen. Gods manier is het vernederen van mensen, opdat Zijn grootheid en heerlijkheid uit zal stralen. En deze straalt uit, juist in het stuk der rechtvaardigheid. Hiervan spreekt Paulus doorlopend in zijn prediking. Hij verkondigt het recht Gods. Dit recht hebben wij allen te vervullen. Het doet er inderdaad toe, hóe wij leven. God trekt het Zich aan. Zijn eis is, dat we Hem zullen liefhebben en dienen en nooit iets zullen doen, waarmee Hij gesmaad wordt. Dit recht ontdekt de Heere aan Zijn volk, dat van zichzelf alleen maar ongerechtigheid heeft. Dit brengt juist in de grootste nood. Ik kan met mijn leven voor de heilige Majesteit niet bestaan. Paulus heeft het goed geleerd. Hij is schuldenaar voor God geworden. En hierin brengt de Heere, allen, die Hij zaligmaakt. Door de eis der wet komen we juist aan het eind van onze eigen gerechtigheid en blijft er alleen een zondaar over, die het vonnis der wet aanvaardt. En juist dit is zo noodzakelijk te ondervinden, zodat het menens wordt van binnen en we uit onze nood leren vragen, of er nog een weg of een middel is om met God in het reine te komen. Geen gerechtigheid zullen we, meer in onszelf over houden, gans schuldig zullen we ons voor de Heere buigen en boetvaardig om genade smeken. Zo maakt God plaats voor de gerechtigheid van de Heere Jezus, waarin het behoud ligt voor verloren zondaren. Van deze gerechtigheid spreekt Paulus ook hier. Door dezen kunnen we gerechtvaardigd worden, dat is door Jezus !

Hiertoe is de Zoon van God in de wereld gekomen, om alle gerechtigheid te vervullen. Hoe groot is Zijn barmhartigheid. Wonderbaarlijk is het doen van de Zaligmaker. Niemand kan Hem in Zijn liefdesgangen narekenen. Hij verlaat al Zijn heerlijkheid en gaat in in de schuld en de zonde van gevallen mensen. Hij komt onder de wet Gods om te voldoen aan het recht Gods. Alles gaat Hij doen tot verzoening met God. Al de gehoorzaamheid, die naar eis der wet nodig is, brengt de Heere Jezus op. Al de straf aanvaardt Hij. Hij, neemt de klappen voor Zijn rekening. Zo brengt Hij gerechtigheid aan, die voor God geldt. En deze, gerechtigheid wordt geschonken aan arme zondaren, die net als de tollenaar zich wegschamen voor God en mensen en ootmoedig om genade vragen. Christus heeft de wet vervuld, daarom heeft Hij gerechtigheid, die Hij uitdeelt, waardoor zondaren behouden worden. Want deze gerechtigheid bedekt al onze ongerechtigheid. Om deze gerechtigheid spreekt God zondaren vrij van de straf der wet en neemt Hij ze, als Zijn kinderen aan. Hij ziet geen zonde meer bij Zijn volk, maar doet met hen alsof zij nooit kwaad gedaan hebben, omdat Hij ze aanziet in Zijn Zoon. Hij behandelt hen als Zijn kinderen, waar Hij al Zijn liefde aan bewijst. Hun zonde is vergeven en van hun schuld wil God niet meer weten.

Door dezen een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt. Een iegelijk, die gelooft. Aan de Joden werd gepredikt; een iegelijk, die werkt, die zelf zijn gerechtigheid opricht, die zó leeft en denkt en voelt en praat en doet, dat God hieraan Zijn goedkeuring kan verbinden. Het ligt dus in uzelf. En nu komt Paulus verkondigen: het ligt niét in uzelf, maar buiten u, in Christus Jezus. Daarom wekt hij op om het in deze Christus te zoeken, om ons alles door Hem te laten geven.

Een ieder, die gelooft. Geloven, dat is ons aan de Heere Jezus toevertrouwen en van Hem alles verwachten. Het is verbonden worden met de Zaligmaker en zo deel krijgen aan alles wat Hij heeft, aan Zijn leven en aan Zijn werk.

Ons geheel aan en in Hem verliezen, zodat we uit Zijn volheid alles ontvangen en ons door Hem laten zaligmaken. Dan is Christus alles voor ons. We zijn voor Zijn rekening, door Hem overgenomen. Zijn eigendom. Wat een rijk leven is dit. Hij heeft alles in onze plaats gedaan, heel de wet vervuld en al de straf gedragen. Naar Jezus mogen we de duivel verwijzen in al onze aanvechtingen, bij Hem mogen we wegschuilen.

Een ieder die gelooft. Dan leven we van de Heere Jezus, die nooit beschaamt. Wat een rijk en vrij, en getroost leven is dit. O, was er maar meer vertrouwen, dachten we toch maar niet zo klein van de Zaligmaker, Bleven we maar dichter bij Hem en hielden we ons toch meer aan Zijn Woord en aan Zijn beloften. Lieten we toch maar meer alles op Hem aankomen en lieten we ons toch meer door Hem verzorgen.

Dit geloof hebben we nodig. Geloof, dat de Heere Zelf werkt en onderhoudt. Geloof, waardoor we drinken uit de heilsfontein en eten van Zijn tafel. Geloof dat moed en krachten geeft, troost en verkwikt, waardoor we het leven met al zijn zorgen en noden hier op aarde aan kunnen. Geloof, dat uitzicht geeft over dood en graf heen. Want dit geloof is verbonden zijn met de Heere Jezus, die al de Zijnen nimmer in de steek laat. Geloof, dat vrede geeft in het hart. Alles wat de Vader doet, is goed ! De zonde is vergeyen, de toorn van God gestild, liefde wordt ons bewezen van dag tot dag; we zijn voor rekening van onze Koning, nu en altoos !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

IEDER DIE GELOOFT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's