BEZINNING INZAKE NIEUW-GUINEA
Overgenomen uit „Woord en Dienst” d.d. 28 juli 1956.
Open Brief aan het Moderamen der Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk.
Hoogeerwaarde Heren,
Nadat ik vóór enige dagen —- allereerst via het radio-nieuws en daarna door de ontvangst van de officiële gedrukte tekst van de , , Oproep" der Generale 'Synode tot bezinning inzake de vraagstukken rondom Nieuw-Guinea — niet zonder bevreemding en diepe verontrusting kennis genomen had van de overwegingen, die de Synode gemeend heeft allereerst aan de kerkeraden te moeten voorleggen.tot zuivering van de bezinning op de verantwoordelijkheid van het Nederlandse volk in de vraagstukken rondom Nieuw-Guinea, heb ik allerlei dringende verzoeken van redacties van dag- en weekbladen (kerkelijke en niet-kerkelijke) om mijn standpunt te dezer zake in een artikel in het desbetreffende blad kenbaar te willen maken, constant afgewezen met de opmerkingen mijnerzijds, dat het Moderamen der Hervormde Synode zonder twijfel er het eerste recht op had mijn gevoelens met betrekking tot de inhoud van de , .Oproep" van 27 juni 1.1. te leren kennen. Vandaar deze aan Uw Moderamen gerichte brief, die ik zó hoop te stellen, dat U oordelen kunt voor deze reactie van mij plaatsruimte te verzoeken aan de Redactie van het weekblad , , De Hervormde Kerk".
Mocht U onverhoopt geen termen, aanwezig achten of in het doen plaatsen van deze , , Open Brief" in ons kerkelijk weekblad niet slagen, dan zou ik dat spoedig gaarne van U vernemen, omdat ik mij uiteraard het recht moet voorbehouden mijn gevoelens in deze veel beweging brengende kwestie publiek te maken.
De opmerkingen, die ik over deze , , Oproep" niet terughouden kan en mag, zijn van zuiver-theologische aard. Over Nieuw-Guinea als politiek probleem van het Nederlandse volk matig ik mij geen oordeel aan. Ook niet nadat ik het desbetreffende rapport van de Commissie voor Internationale Zaken van de Oecumenische Raad van Kerken in Nederland, waarnaar de „Oproep" verwijst, zorgvuldig gelezen heb. Als kerkeiijk hoogleraar sluit ik mij bijzonder gaarne aan bij een opmerking van de vroegere Rijkshoogleraar in de Leidse Theologische Faculteit, prof. Kraemer, door hem als ouderling-afgevaardigde voor de Generale Synode in december 1945, toen het hele probleem Indonesië aan de orde gesteld was, gemaakt en in de Handelingen (1945-1946, blz. 113) aldus weergegeven: „Prof. Kraemer verklaart zichzelf en de Synode incompetent over de actuele economische en staatsrechtelijke situatie een oordeel uit te spreken. De Kerk spreke niet op een wijze, die deskundigheid pretendeert, maar op haar eigen wijze."
Ik moge voorts nog voorop stellen, dat ik aan de zuiverheid van de motieven der Synode, die deze „Oproep" met een vrij aanzienlijke meerderheid aannam, géén ogenblik twijfel. Menig felle reactie in de bladen, waarin zelfs politieke bijbedoelingen van inferieur karakter aan de Synode werden toegeschreven, wekten ook mijn verontwaardiging. Verder heb ik de „Oproep" wel zó rustig gelezen, dat ik niet aan het misverstand ten offer viel, als zou de Synode erop aan hebben willen werken, om Nieuw-Guinea op zo kort mogelijke termijn in handen te spelen van Soekarno, en dus onze eigen Nederlandse regering een verraderlijke dolkstoot in de rug zou hebben willen geven. Al vind ik wel, dat de Synode nog al wat misverstand in deze had kunnen voorkomen, door niet zo uitdrukkelijk van Nieuw-Guinea's „natuurlijke nabuurland Indonesië" te spreken, waarvan het door de huidige politiek van onze regering , , afgesnoerd" zou worden.
Doch laat mij nu kort en bondig aan mijn theologische bezwaren tegen dit stuk der Synode uiting mogen geven. Ik stel ze tegen de achtergrond van de belangrijke en diepgravende discussies in de Generale Synode van december 1945 en maart 1946 over de status van heel Indonesië in de nieuwe structuur van 'het Koninkrijk der Nederlanden met zijn „Overzeese Gebiedsdelen", waaromtrent de toenmalige Minister, die dit aldus genoemde Departement be heerde o.a. ook aan de Hervormde Kerk advies gevraagd had. Het wil mij n.l. voorkomen, dat de Synode van 1956 niet weinig winst ter verdieping van haar beraad had kunnen verkrijgen uit de bestudering van de Handelingen der Synode van 1945-1946 (vooral op de bladzijden 33, 101-107, 112-113 en 285-288).
Immers, het probleem , , Nieuw-Guinea" is in 1956, kerkelijk apostolair en christelijk-ethisch gezien, nog precies hetzelfde als het grote probleem-Indonesië in 1945. Principieel verzet tegen de radicale afrekening met alle kolonialisme was toen, evenals nu hoofdmotief in de zendingshouding ten aanzien van de inheemsen in Indonesië zowel als in Nieuw-Guinea.
Maar nu terzake.
Het stuk (dat in maart 1956 over het probleem Nederland-Indonesië uitging van onze Generale Synode, was een vertrouwelijk advies aan de Minister van Overzeese Gebiedsdelen, waar deze uitdrukkelijk om verzocht had. Deze Synode onder de z.g. Werkorde had er lang aan gewerkt en had met grote en bezonnen volharding getracht tegengestelde standpunten zó synthetisch tot hun recht te doen komen in haar Adviesschrijven aan de Minister, dat gerust gezegd mag worden, dat er een zeer evenwichtig stuk na vele samensprekingen uit de botsing der meningen geboren werd. Deze brief van 1946 liet nadrukkelijk twee richtlijnen hun principiële betekenis voor het christelijk denken over de betreffende vragen ruimte behouden... . , , zodat een enkelvoudig, rechtlijnig spreken en een kort aangebonden handelen, naar welke zijde dan ook, ons verboden zijn" (Hand. 1945- 1946, blz. 285-286).
De twee richtlijnen zijn, kort gezegd, die van het gepassioneerde, missionair geladen anti-kolonialisme, én die theocratisch geladen houding, welke ons christelijk volk als de dringende wil van Gods bevel voor de eis stelt om , , de opdracht, die ons in de historie toeviel", voort te zetten en tot voleinding te brengen.
En de Synode van 1946 aarzelde dan ook niet om krachtens dit tweetal legitiem-bijbelse richtlijnen tegenover de Minister een dubbele verklaring af te leggen.
Zeg ik teveel, wanneer ik poneer, dat, hierbij vergeleken, de Synodale , , Oproep" toch wel ongunstig eenzijdig afsteekt? Er schijnt thans in het geheel geen , , licht van het Woord Gods" meer te vallen over de tweede, theocratischhistorische richtlijn voor het Christelijk denken. En daar komen theologische kortsluitingen uit voort, die ik zeer bedenkelijk vind.
Ten 1e. stellig deze, dat de missionaire passie in het huidige tijdsgewricht wel haast vanzelfsprekend fel afkerig schijnt te zijn van iedere positieve waardering der „leiding Gods in de geschiedenis" (uit ietwat krampachtige angst voor een z.g. tweede openbaringsbron !), maar aan de andere kant er schijnbaar niet tegenop ziet om „het huidige tijdsgewricht" in de wereldpolitiek, en ook „de concrete situatie" in het ontwaken der volkeren in Afrika en Azië kalmweg tot tweede en bijna zelfs tot eerste openbaringsbron te maken, in plaats van tot doorbraakplaats, waar Gods openbaring doorheen slaat met haar , , geheel andere" eis; en zeker niet met de eis om in de stem; van de concrete situatie de stem van God en zijn gerechtigheid zonder meer te horen. De paragraaf II van de' , , Oproep" over Een veranderende wereld heeft kritiek op ons, maakt zich onmiskenbaar aan deze bedenkelijke fout schuldig en ik meende op te merken, dat ook de Commissie uit de Synode, die over het eerste Concept van de Raad voor de Zending had te rapporteren, daar wel iets van gevoeld heeft,
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's