VRIJ VAN DE MOZAÏSCHE WET
II.
Prof. Schippers deelt in het meer genoemde artikel mede, dat naar zijn mening door prof. Verdam de zaken helder en juist werden gesteld: , , De christen is vrij van de Mozaïsche wet, maar hij weet zich gebonden aan Gods Woord. Vrij van de Mozaïsche wet ontmoet hij dezelfde wet als deel van Gods Woord".
En dan vervolgt hij met de opmerking : , , Het is niet alleen een feit, het is zelfs christenplicht, het gehele complex van Mozaïsche wetten, ook de Tien Geboden te beoordelen aan de hand van de totale norm van het Woord Gods".
Dit zou overduidelijk worden bij het vierde gebod. (Zie het artikel: De Tien Geboden, opgenomen in het vorige nummer).
De christen vrij van de Mozaïsche wet. De Tien Geboden zijn een stuk van de Mozaïsche wet. Ergo : De, christen is vrij van de Tien Geboden. Ziedaar de redenering, die klaarblijkelijk ook zo door prof. Schippers wordt genomen, blijkens de uitdrukking , , ook de Tien Geboden".
Her eerste bezwaar tegen deze sluitrede werd reeds in ons vorig artikel te berde gebracht, n.l. de Tien Geboden zijn geen wet onder de wetten van de Mozaïsche wetgeving, de decaloog is maar niet een stuk daarvan.
Dit bezwaar noemen wij het eerst, omdat het fundamenteel is.
Doch voor de kracht van de sluitrede is het ten enenmale fnuikend, dat de eerste stelling: De christen vrij van de Mozaïsche wet volstrekt niet zo vast staat als hier wordt gesuggereerd, en onjuist wordt geponeerd.
In de eerste plaats, wat de zin aangaat van , , het vrij zijn van de wet", hetgeen de eis der wet geenszins wegneemt, maar doelt op de vrijheid van het oordeel der wet, dank zij de genade van Christus.
De tegenstelling der Schrift wordt dan ook niet weergegeven door de vrijheid van de Mozaïsche wet en de gebondenheid aan Gods Woord, zoals prof. Verdam het uitdrukt, maar zij ligt anders : n.l. zonde en genade. Onder de wet zijn, d.i. dienaar der zonde zijn. De samenhang wet en zonde is zeer innig. Vrij van de wet zijn, is in Christus bevrijd zijn van de zonde en van het oordeel der wet. (Vgl. Korte Verklaring. Romeinen, Jac. van Leeuwen en Jacobs, o.a, cap. 7).
Een vrij zijn van de Mozaïsche wet in de zin van afgeschaft zijn, uitgediend, overleefd zijn, is zelfs op de ceremoniële wet nog niet geheel van toepassing. Immers de dienst der schaduwen moge voorbij zijn, de profetisch-symbolische betekenis van die dienst behoudt haar betekenis in het geheel der Godsopenbaring. (Vgl. Hebr. 8, v.v.).
Mogelijk doelt hierop de zinsnede: , , Vrij van de Mozaïsche wet ontmoet hij de wet als deel van Gods Woord", maar dan is het minder gelukkig uitgedrukt: als deel van Gods Woord. Men kan spreken van een deel der Heilige Schrift, maar is het juist van een deel van Gods Woord te spreken? De Catechismus doet dat anders. Vgl. Vraag en Antwoord 1 : „Waaruit weet gij dat ? " „Uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerstelijk in het paradijs geopenbaard heeft, daarna door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen en door de offeranden en andere ceremoniën der wet heeft laten voorbeelden en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld".
Dat betekent een dubbele verbetering. Niet maar een stuk van Gods Woord komen wij tegen in de Mozaïsche wetgeving, maar het Evangelie in een bijzondere gestalte of uitdrukking. Deze voorbeelding behoudt als zodanig betekenis in de geschiedenis der Godsopenbaring.
Zo nemen de offeranden en ceremoniën, laten wij zeggen de Mozaïsche wet aangaande de cultus des Ouden Testaments, een eigen plaats in in de geschiedenis der openbaring.
Die cultus is zelfs een phase in de geschiedenis der openbaring en reeds uit dien hoofde behoudt zij een betekenis.
Een andere vraag rijst bij het lezen van de uitdrukking , .beoordelen aan de hand van de totale norm van het Woord Gods".
Dat Is toch waarlijk een onbegrijpelijke zinsnede. Wat is de totale norm van het Woord Gods ? Theologisch is daaraan geen touw vast te knopen.
Heeft men verschillende normen of normatieven in het Woord Gods, b.v. die van de Mozaïsche wetgeving, die van de profetische prediking, die van de openbaring in Christus en moet men die vanuit een totale norm beoordelen? Hoe komt men aan die totale norm van Gods Woord ? Is Gods Woord in ledere norm van openbaring niet normatief?
Hier schijnt zich een normbegrip van het Woord Gods aan te dienen, dat ook raakt aan het gezag van Gods Woord. Immers de totale norm schijnt gezaghebbend te zijn. Dat wordt een onzekere kwestie.
Zoals wij gezien hebben, rekent de referent ook de Tien Geboden onder de niet meer als wet geldende Mozaïsche wetgeving. Hoewel wij van oordeel zijn, dat dit niet juist kan zijn op grond van eerder aangevoerde argumenten, kan de opmerking omtrent het vierde gebod nader licht geven over de bedoeling van , , de totale norm van het Woord Gods".
Het gaat n.l. over het vierde gebod. Het gebod omtrent de Sabbath. Dit gebiedt te rusten. (Sabbath is afgeleid van een stam, die rusten, ophouden met werken betekent) op de zevende dag, terwijl de Catechismus op de eerste dag der week Sabbath houdt.
Daaraan wordt dan toegevoegd: , , Dit is een gevolg van het bedoelde beoordelen van de Tien Geboden aan de hand van de totale norm van het Woord Gods".
Heel duidelijk is het nog niet, waarin die totale norm dan ligt. Men zou in de aangehaalde zinsnede aanleiding kunnen vinden om aan te nemen, dat met „de totale norm" de vervulling in en door Christus wordt bedoeld, of liever een beoordeling van de Mozaïsche wetgeving en de wet in het licht van de vervulling door Christus.
Dit zou dan op zich zelf beschouwd geen nieuws zijn, want in het gewijzigde gebruik van de Sabbath op de eerste en niet op de zevende dag zou de gemeente de beoordeling naar de totale norm hebben toegepast.
Het is ook juist en van overlang bekend, dat het vierde gebod iets ceremonieels heeft, in ieder geval een profetisch-symbolische zin heeft en daarin met de ceremoniën der wet overeenkomt. Maar gelijk het met alle symbolen der wet gelegen is, de betekende zaak blijft. Het symbool is afschaduwing. Die betekende zaak is de rust, welke God voor Zijn volk bereid heeft. (Vgl. Hebr. 4). Die rust staat in de dienst der belofte in de toekomst, dus achteraan. En als God een Sabbath, een rust, gebiedt op de zevende dag, (vgl. ook de verwijzing naar de schepping. Genesis 2:2), wil God derhalve de mens regelmatig bepaald hebben bij de rust, die Hij in de toekomst heeft bereid. Dat is derhalve de stem van het Evangelie in de Wet, en stem, die in alle ceremoniën der Mozaïsche wet doorklinkt.
Ook in de vervulling blijft dus het gebod van de Sabbath tot gedachtenis en heiliging volop van kracht. De mens zal Sabbath vieren en God wil die geheiligd hebben. De gemeente van Christus heeft die Sabbath van meet af op de eerste dag der week gezet, zijnde de dag der opstanding, met welke de rust, welke God voor de Zijnen heeft bereid in beginsel is ingegaan. Gemeenschap met de opstanding van Christus is gemeenschap in die rust. In het geloof wordt die rust genoten, n.l. dat de mens rust van zijn werken, omdat Gods werk in hem is doorgebroken. (Vgl. Korte Verklaring, Hebreen, blz. 51, 10).
Dit echter kan niet betekenen, dat het vierde gebod voor de christen geen wet meer is, omdat hij in Christus altiid Sabbath viert door het geloof.
Want dat is nu juist de zaak, De werkelijkheid is zo geheel anders. Die uit God geboren is zondigt niet (1 Johannes 3:9). Niemand echter zal zo eigenwijs zijn om te zeggen : aangezien dit woord van de christen gescheiden staat, gelden de Tien Geboden niet meer voor hem.
Zo heeft Christus niet geleerd : (Vgl. Lukas 18:18v.v.). De nieuwe mens heeft wel deel aan de eeuwige Sabbath in Christus, maar zolang hij in deze wereld leeft, heeft hij nodig daarbij voortdurend bepaald te worden, evenals de Oud-Testamentische gelovige nodig had voortdurend bij de belofte Gods, dus bij het Evangelie, bepaald te worden.
En als hij het gebod eert, zal hij wellicht ook nog Ieren de Sabbath op de dag des Heeren trouw te vieren en te heiligen niet alleen uit bevel, maar uit dankbaarheid.
Als dit nu de bedoeling van die uitdrukking totale norm van het Woord Gods is, komen wij weer op traditionele bodem terecht.
De totale norm is dan zoveel als het levend geloof der kerk. Het Woord, zoals de kerk des Heeren dat verstaat in navolging van de apostelen. Het spreekt echter vanzelf, dat het Woord Gods zijn norm en gezag in zichzelf heeft. Daarvoor is het het Woord Gods. Dat geldt evenzeer van de Tien Geboden, als van de Mozaïsche wetgeving, als van het Nieuwe Testament. En wij geloven, dat met de kerk der eeuwen niet alleen omdat de Schrift leert, dat Christus, de getrouwe Getuige zegt, dat de Schrift niet kan gebroken worden, (Joh. 10:35), en ook, dat Hij het Woord des Vaders aan Zijn discipelen heeft gegeven en met Zijn Geest begeleidt (Joh. 17), maar, omdat de Heilige Geest, d.i. de Geest van Christus getuigt in onze harten, dat het zo is.
Woord en Geest gaan samen. (Ned. Geloofsbelijdenis, art. 3-7).
Voorts kan het zijn nut hebben er nog eens op te wijzen, dat vrij van de wet, niet betekent, dat wij met die wet niets meer van doen hebben, maar vrij van het oordeel der wet. Om tot de kennis van die vrijheid te komen, hebben wij eerst nodig het oordeel der wet te verstaan en wat het zeggen wil, dat Christus die wet heeft vervuld.
Wij ontmoeten die wet derhalve niet als deel van Gods Woord, maar als eis Gods, en als een onderwijzing aangaande onze verhouding tot God en tot onze naasten.
Aangezien daarin de eis van de ware religie begrepen is, achten wij het onjuist, dat de Wet der Tien Geboden op één lijn wordt gezet met de ceremoniële wetten. Zo bijzonder als ook in de Godsopenbaring de plaats is van de Joodse godsdienst naar de ceremoniën der wet, zo algemeen is de zin en de eis van de Tien Geboden.
De Heere God maakte op de Sinaï Zijn Verbond met Israël bekend, dat als een voorbereiding van de grote werken Gods een begin maakte aan de vernieuwing der dingen, die door Christus met wedergeboorte wordt aangeduid (Matth. 19:28).
Als nu God daaraan zulk een grote betekenis hecht, dat Hij daarvoor van Zijn hemel afdaalt op de aarde om de mens bij zijn levenswet te bepalen en deze in de tafelen heeft gegrift, hoe kan het met het gewicht van deze zaak overeenkomen de Wet der Tien Geboden tot een schaduw te maken ? Of dan de Wet der Tien Geboden niet enigermate een schaduw is van de gerechtigheid Gods ?
Ongetwijfeld en men kan daaraan toevoegen, dat het schrijven Gods van de Tien Geboden op de stenen tafelen een symbool is van het nieuwe verbond, waarvan Jeremia profeteert, n.l. dat God Zijn Wet in het hart zal schrijven. (Jeremia 31 : 31 V.V.).
Maar het is en blijft dan toch de Wet, welke God in het hart schrijft. Die Wet, die heilig is en goed. En zo lang wij dit aardse leven mogen genieten, zullen wij zelfs gebonden zijn aan de geboden, zoals zij, daar staan, ogadat zij in die gestalte voor zondaren geschreven zijn.
Zelfs als wij de hemelse liefde in Christus gesmaakt hebben en in het geloof deel hebben aan Zijn gerechtigheid. Hoe het in de hemel zal zijn ?
Het zal anders zijn. Daar wordt niet gehuwd of ten huwelijk gegeven, m.a.w. daar past geen gebod : Gij zult niet echtbreken. Daar is alles geestelijke werkelijkheid en is geen behoefte aan een gebod : Gij zult geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken.
Immers daar zal God alles en in allen zijn. Maar in deze bedeling blijft de Wet der Tien Geboden ons bevolen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's