DE DORDTSE LEERREGELS
De verkiezing is een onveranderlijk voornemen Gods, door hetwelk Hij vóór de grondlegging der wereld een zekere menigte van mensen, niet beter of waardiger zijnde dan anderen, maar in de gemene ellende met anderen liggende, uit het gehele menselijke geslacht, van de eerste rechtheid door hun eigen schuld vervallen in de zonde en het verderf, naar het vrije welbehagen Zijns wils, tot de zaligheid, louter uit genade, uitverkoren heeft in Christus, denwelken Hij ook van eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen, en tot een fundament der zaligheid gesteld heeft
HOOFDSTUK I
Artikel 7.
In artikel 6 is gesproken van een besluit der Verkiezing. Over dat besluit spreekt artikel 7. Eerst in hoodfstuk I wordt de toestand van de gevallen mens beschreven. Dan volgt wat God gedaan heeft, n.l. God heeft Zijn Zoon gezonden en het evangelie doen verkondigen. Sommigen geloven, anderen geloven niet. Dat komt bij de laatsten, omdat zij de Christus verwerpen. Maar hoe staat het bij degenen, die wèl geloven ? Deze zijn voor het geloof en dus voor Christus gewonnen. Zij hebben het geloof ontvangen. De mens doet van zichzelf niets dan God tegenstaan. Dat is het uitgangspunt der Leerregels. Met recht mag men zeggen, dat de Reformatie is de „herontdekking van de verdorvenheid van de mens, wiens wil gebonden is en daartegenover de algenoegzaamheid van Gods genade". Zo werd het beschreven op een onlangs gehouden conferentie. Men moet de Verkiezing Gods niet losdenken van de relatie tot deze gevallen mens. Welke omschrijving geeft nu artikel 4 van de Verkiezing Gods ?
We beginnen met de eerste drie woorden: De Verkiezing is. God heeft de mens, na de zondeval, niet aan zichzelf overgelaten. Het is bekend, dat de zondaar uit zichzelf niet tot God kon wederkeren. Integendeel, de mens verborg zich voor Hem. Hij schaamde zich. Tegenwoordig wordt veel geschreven over een minderwaardigheidsgevoel. Kortgeleden las ik : , , Daarbij komt, dat de meesten van ons openlijk of verscholen een minderwaardigheidscomplex hebben. We zorgen er wel voor dat we heel wat lijken te zijn, maar diep innerlijk eijn we zeer onzeker over onszelf. Vooral vrouwen schijnen een minderwaardigheidsgevoel te hebben. Maar het meerderwaardigheidsgevoel van mannen is in de regel toch ook alleen maar een maskeren van een des te dieper liggend minderwaardigheidsbesef". Daarvan dacht ik, dat het iets te maken heeft met de schaamte uit het paradijs. Wij zijn bang voor God en bang voor elkander. Wij willen immers goden zijn en als goden worden geëerd. Maar voor onszelf weten wij welke mislukte schepselen of wij zijn. Welk mens kan er nu gelukkig worden ? De mens, die wil wezen, wat en wie hij is. Een godeloze, een heiwaardige, een mislukte, een verlorene. De mens, die niet meer vlucht voor God en voor de mensen. Deze mens kan door Christus worden gezaligd. En nu nog eens: God zoekt de mens, die Hem niet zoeken kan.
De Ned. Geloofsbelijdenis zegt dit zo mooi in artikel 17 : Wij geloven dat onze goede God, door Zijn wonderlijke wijsheid en goedheid, ziende dat zich de mens alzo in de lichamelijke en geestelijke dood geworpen en geheel ellendig gemaakt had, zichzelven begeven heeft om hem te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood, en heeft hem getroost, belovende hem Zijn Zoon te geven, die worden zou uit een vrouw, om de kop der slang te vermorzelen, en hem gelukzalig te maken. Doch als de Heere zo uitgaat om de mens te zoeken, dan is er nog meer nodig dan de beloften Gods en de vervulling daarvan in het zenden van de Zoon. Ook is er meer nodig dan de prediking van het evangelie. De beloften Gods, de komst van Christus, de kruisdood en de opstanding, laten de zondaar in zijn doodstaat liggen. De mens wordt er niet door geraakt. Hij verstaat het niet en wil het niet. Dat kunnen wij duidelijk zien aan wat de Heere Christus heeft wedervaren van de kant der Joden en van de zijde der discipelen. De vrome Joden hebben de Heere Jezus uitgeworpen, zoals dat heden ten dage nog gebeurt door alle vrome mensen. Doch dan tegenwoordig onder de schijn van Hem te huldigen. En de discipelen zijn allen gevlucht. Hem verlatende. Een mens, ook een vroom mens, ook een zoekend mens, verstaat het evangelie van Christus niet, totdat het hem is geopenbaard. Zodra de Heere Jezus zich bekend kwam maken aan de discipelen, veranderde alles. En dat moest gebeuren aan ieder persoonlijk. Als Thomas bij de eerste ontmoeting met de elven niet aanwezig is, gelooft hij niet. De Heere moet Zichzelf aan hem bekend maken. Dat heeft vandaag aan de dag nog ieder nodig. Iemand vroeg mij kort geleden, hoe hij toch weten kon dat hij van Christus was ? Ik heb hem geantwoord, dat hij dit alleen kon weten als het Christus behaagde zichzelf aan hem bekend te maken. Alleen Jezus trekt tot Jezus. Of, wat hetzelfde is, de Vader trekt tot Jezus. De Vader openbaart de Zoon in het hart van de verloren mens. Wij kunnen God niet kennen buiten God om. Wat nu de Christus heeft gedaan, toen Hij op aarde was, doet nu de Heilige Geest. Dat doet de Geest Gods echter niet aan allen. Hij werkt zaligmakend ontdekkend en Christus openbarend in de uitverkorenen. Zonder dit werk van de Heilige Geest kan er niemand zalig worden. Alle prediking en alles wat men leert, stuit af op het harde hart van de zondaar en op zijn gesloten verstand, dat verduisterd is. Maar nu is er een verkiezend handelen Gods, en dat verkiezend handelen is van vóór de grondlegging der wereld. Daar zal wel niemand ontkennen, dat er zo'n verkiezing is, al willen niet allen van een ui/verkiezing weten. Toch wordt deze duidelijk door de H. Schrift geleerd.
Ten eerste staat vast, dat alle uitverkorenen zalig worden. Dat volgt onbetwijfelbaar uit Rom. 8 : 28—30. Even vast staat het, dat niet alle mensen zalig worden. Van het begin der wereld loopt er een scheidslijn onder de mensen. Dat is eerst tussen Abel en Kaïn. Dan tussen Sem en Japhet enerzijds en Cham anderzijds. Vervolgens tussen Abraham en de volken. Deze scheidslijn is door de Zaligmaker met ontzaglijke ernst gehandhaafd. De poort is wijd en de weg is breed die tot het verderf leidt en velen zijn er, die daarop wandelen, zegt Matth. 7 : 13. In het grote gericht uit Matth. 25 staan de schapen aan de rechterhand en de bokken aan de linkerhand. Lukas 13 : 23 en 24 spreekt van velen, die zullen zoeken in te gaan, maar niet zullen kunnen. , , Het geloof is niet aller", zeggen de brieven aan de Thessalonicensen , , Deze zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven", lezen we in Matth. 25 : 46.
Dat zijn toch allemaal klare uitspraken der Schrift. Het is ontroerend, dat velen verloren gaan, maar wij kunnen toch niet op grond van allerlei redeneringen het zó gaan voorstellen, dat allen behouden worden. Maar die uitverkoren zijn tot de zaligheid, worden allen zalig. „Daar geloofden er zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven". Dat is geen conclusie, maar een uitspraak van God door Zijn Woord. Niet allen waren in Israël uitverkoren. Romeinen 11:5 zegt: , , Alzo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel naar de verkiezing der genade". Van dit overblijfsel staat in Rom. 11 : 7 : , , Hetgeen Israël zoekt, heeft het niet verkregen ; maar de uitverkorenen hebben het verkregen en de anderen zijn verhard geworden". Dat onderscheid, dat God maakte onder Israël, wordt in 1 Corinthe 10 als een waarschuwend voorbeeld aan de kerk voorgehouden. , Maar in het merendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad, want zij zijn in de woestijn ternedergeslagen. En deze dingen zijn geschied, ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust in het kwaad zouden hebben".
De Heilige Schrift leert ons ook duidelijk in de eerste hoofdstukken van de Openbaring van Johannes, dat er ook in de Kerk zulk een scheiding loopt. Het is altijd eigen schuld, als een gedoopte of ongedoopte verloren gaat. Maar dit is óok zeker waar, dat nooit onze keuze ons in de zaligheid zal brengen. Alleen Gods keuze, die onberouwelijk is, brengt de uitverkoren zondaren in het eeuwige leven. Laat men ook niet denken, dat de uitverkorenen roem dragen op hun verkiezing. Zij weten uit smartelijke ervaring slechts één ding van zichzelf, n.l. dat zij de verwerpelijksten zijn van allen. Doch een feit is het, dat God onderscheid maakt. Nooit zou er één mens naar God vragen, al waren alle mensen dominees. En als er ooit een mens zou beginnen naar God te vragen, zou hij het toch niet volhouden. Maar zalig, die God heeft verkoren. Daar houdt de Heere het mee vol. Dus met dat eerste van artikel 7 zijn wij het hartelijk eens. Daar is een uifverkiezing. Abel wél, Kaïn niet. En toch wordt Kaïn door God gezocht en uitgenodigd. Dat is een tegenspraak, zegt iemand. Het scheelt mij niets. Ik heb geen behoefte om alles te begrijpen. Ik heb alleen behoefte om God God te laten en Zijn Woord niet te verdraaien. God gaat in alle oprechtheid heel ver met de niet uitverkoren zondaar. Doch ergens geeft de Heere het op. Waarom Hij het met deze, zoals Judas en zo, opgeeft, weten wij niet. De Heere geeft Zijn pogingen op om hen te bewegen. Met de uitverkorenen gaat Hij verder. Die moeten het van Gods almachtige kracht verliezen. Het is niet zó, dat de Heere zich met de anderen niet bemoeit. Hij bemoeit zich buitengewoon met hen soms. O, wat kan het ver gaan in de ontvangen bewerkingen, maar dat een zondaar toch verloren gaat. Doch de uitverkorenen gaan niet verloren. En die uitverkiezing is het eeuwig vast staande, waarvan de Heere zegt: Mijn Raad zal bestaan.
Laat het voor ditmaal ons genoeg zijn te hebben vastgesteld, dat de Schrift een Uitverkiezing leert. Het geloof is niet aller. Maar die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's