JACOB BORSTIUS
II
Volgens belofte zouden we nog iets verhalen van de wijze, waarop Borstius gewaakt heeft voor de heiligheid (beter : de heiliging) van het Heilig Avondmaal. Dat we liever dat laatste dan het eerstgenoemde woord gebruiken, komt voort uit de omstandigheid, dat Borstius helemaal niet gerust is, wanneer het H. Avondmaal maar ver van het hart en de praktijk van het christenleven staat. Dit is een negatieve heiligheid en de bijbelse heiligheid wil altijd positief zijn. Dus maakt hij het zijn mensen niet zo makkelijk, maar hij dringt er bij hen op aan, zich tevoren recht te beproeven en alzo te eten en te drinken.
We hebben de titel van het boekje al genoemd, maar herhalen die nog eens. In 1665 is het uitgekomen onder de eenvoudige en sobere titel: Bedenkingen over het H. Avondmaal. Deze uitgave komt weinig voor. Maar in de vorige eeuw, in 1864 en daarna, is het enkele malen opnieuw uitgegeven onder de titel : Het Heilige Avondmaal van onze Heere Jezus Christus voor Zijn zuchtende bruid. Die lange titel is dus niet van Borstius zelf afkomstig, maar de uitgever-drukker veroorloofde zich deze vrijpostigheid. Dat is in die oude tijd heel niet zeldzaam; Hierkwaardige staaltjes van boeken, tegen de wil van de schrijvers gedrukt, omdat iemand, aan wie ze hèt handschrift te lezen gaven, het maar aan een drukker uitleverde, zijn ons bekend.
In het geval van Borstius is het niet zó erg. Blijkbaar dacht de uitgever-drukker aan een ander werkje van hem, getiteld : De sugtende bruyd over den bloetbruydegom, ofte korte bedenkingen en gebeden over het lijden en sterven van Jesu Christi. (1664).
Blijkbaar heeft hij, bewust of onbewust, die twee titels samengesmolten. We hebben vorige maal aangewezen, hoezeer het zakelijk juist is en hoe hierin uitkomt het ingaan van de mannen van de Nadere Reformatie op het zwakke en worstelende geloof.
Deze nieuwe uitgave van Borstius' boekje (453 blz., klein 8°) kwam ons herhaaldelijk in handen. Ze zal dus voor wie haar wenst te lezen, niet onbereikbaar zijn. Het boekje is in 3 delen verdeeld, die aangepast zijn aan de 3 delen van de Avondmaalsviering, n.l. voorbereiding, viering en dankzegging. Opmerkelijk en niet zo vaak voorkomend, is zijn methode, elke uiteenzetting te laten uitlopen in een gebed. Zo wordt bereikt, dat het dogmatische en het persoonlijke op een zeer gelukkige wijze zijn verenigd.
Eerst dan de voorbereiding. Met grote ernst wordt er op aangedrongen. Wie pakt iets groots aan, zonder zich voorbereid te hebben ? Laat het Hl. Avondmaal toch vooral niet gedachteloos gevierd worden, waarbij men aanloopt „evenals varkens aan de trog". (Deze spreekwijze is een staaltje van B.'s populaire preek- en schrijftrant, dat we ook b.v. bij Smijtegelt vinden, maar die de meeste gereformeerde auteurs toch niet volgen).
Maar, wanneer het zó staat, dan moet afblijven wel het veiligst zijn. Maar deze (logische) conclusie trekt B. juist niet: het misbruik heft het recht gebruik nooit op. Hij legt klem op de opdracht, het bevel: Dóét dat. Dus met wegblijven is niets — en met ons beproeven en voorbereiden veel gewonnen.
Wat een wanorde was er in Corinthe. En toch zegt de apostel niet: Schaft het Hl. Avondmaal maar af. Maar : beproeft u tevoren recht en eet en drinkt alzo !
Op dat beproeven gaat B. breed in. Maar: moeten we geschiktheid in onszelf pogen op te delven ? Neen, want die bestaat nooit. Maar het besef van onze totale ongeschiktheid in onszelf, drijft ons tot Christus uit. Deze zelfbeproeving verhindert, dat we bij anderen splinters zoeken : er zijn bij onszelf balken te over. Zo heeft het alle nadruk : Ken uzèlf. De ere Gods is daarmee gemoeid en ons eigen heil. De beproeving heeft een , , kerkelijke" kant, maar ook een geestelijke. Als het goed is, vallen die twee samen, maar licht is er een kloof tussen. Dat doet B. zeggen : meent niet dat gij godzalig zijt omdat de opzieners der gemeente geen bewijs hebben, dat gij goddeloos zijt! Gij moogt het brood der kinderen niet eten, omdat men niet kan bewijzen, dat gij geen honden zijt. Dit alles is steeds , , evangelisch" bedoeld, maar we bemerken, hoezeer de Wet Gods daarvan de dragende grond is.
Als man van de praktijk gaat B. nauwkeurig in op de beletselen, die hier ontmoet worden. Hij denkt aan schijnheiligheid, onwetendheid en zelfs afkerigheid. Waar zijn bij ons geloof, hoop, liefde ? En rekenen we wel met Satan's listen, om ons te verwarren en te ontmoedigen ? Dit betekent, dat zekerheid van geloof en heil niet ongeschokt voorkomt, maar altijd met ongelovigheid en kleingeloof is gemengd. Dan geldt toch weer: Beproef u ! Want het gaat niet om óns, maar het gaat om de Heere Jezus Christus ! En zelfverheffing brengt immers tot stijle val! De beproeving zij zeer persoonlijk : ingaan op onze eigen boezemzonden. De binnenkamer zij daarbij niet onbekend, maar heel het leven hebbe. onze aandacht. De proefpredikatie, zo bijzonder nuttig en nodig, worde niet verzuimd ! Want het is kostelijk, als we tot zekerheid des heils doordringen.
Door kennis der leer, der Wet, komt er mishagen aan onszelf. Dat is de weg van genade en vergeving. Hartelijke droefheid over onze zonde doet hongeren naar Christus' genade, legt zich in Zijn armen en het verslagen hart grijpt Christus aan, rust in Hem en lééft zo.
De kennis en het vertrouwen van het geloof horen dus samen. Zo komt het tot het , , mijnen" ; het persoonlijk delen in het heil. Als vrucht ervan : dat geloof wordt gesterkt en ten leven gebeterd. Daar leeft liefde tot God in Christus allereerst, maar die tot vrucht heeft: liefde tot de naaste.
Zonder deze beproeving zijn wij als de dieren des velds. Daar moet tijd voor zijn, het koste wat het kost.
Na de voorbereiding: de viering. Breed spreekt B. van de insteller van het Hl. Avondmaal en Zijn liefde. Opdat meer , , voorwerpelijke" gaat B. met evenveel hart in als op het meer „onderwerpelijke" : ze horen dan ook immers samen ! We hebben de indruk, dat in de 18e eeuw die twee veel meer zijn losgemaakt en dan kan het „voorwerpelijke" wel wat in verachting komen ten koste van het , , onderwerpelijke". Maar dat kent B. stellig geenszins.
Weer heeft het gebod van Christus alle klem. Maar onze onmacht dan? Daartegenover is het zaak, door het geloof, uit de Geest kracht te ontvangen. Dus B. is niet gemakkelijk lijdelijk. Zo heeft hij een hoofdstukje getiteld : Om geestelijke honger en dorst te verwekken, vóór men aan de heilige tafel gaat. Overdenken van onze pijnlijke behoefte wekt dit. De Heere hoort het geroep van die Hem vrezen. Kostelijke spijs wekt eetlust op. Hoe zou de heilige tafel dat dan niet veel meer doen! Zo wordt Christus met vuur en begeerte gezocht en zo gaat Satan op de vlucht. Zo wordt er gecommuniceerd met vrucht en zegen.
Tenslotte: De dankbaarheid na het gebruik van het Hl. Avondmaal. Het pleit alweer voor de , , gezondheid" van B.'s beschouwingen, dat de dankzegging bij hem veel breder plaats inneemt, dan dat gewoonlijk onder ons te vinden is. Hij heeft dus wel van een versterking van geloof, hoop en liefde geweten en van de uitstraling daarvan in het hele leven. Zo wijdt hij een derde van zijn boek aan deze nodige zaak.
Dankbaarheid is allereerst een gezindheid. Maar ze uit zich in de daad. B. gaat nog eens na, welke grote dingen ons aan het Hl. Avondmaal zijn betekend en verzegeld. Wat past ons dan grote, overlopende dankbaarheid en dankzegging aan Vader, Zoon en Heilige Geest.
Heel de Apostolische Belijdenis, die orde des hells, laat hij aan zijn en ons oog voorbijgaan. Zijn wij dan niet geringer dan al de weldadigheid en de trouw, die ons bewezen zijn ? Geen wonder, dat zovele Psalmen van David liederen der verlossing en daardoor van dankzegging zijn.
Zal dan die grote God eer hebben van Zijn werk aan ons, dan mag het geen goedkope en vlakke dankbaarheid zijn.
De Farizeer is met de mond overstromend dankbaar, maar zijn hart is er verre van. Heel anders Paulus : Verheerlijk God. zowel in uw lichaam als uw ziel, die Hem toebehoren ! Zo is het kinderlijk en niet slaafs. Als we zó gedurig bij de Heere zijn, in voor en tegen. Hem aanroepende, dan zal Hij ook in al onze omstandigheden bij ons zijn.
De dankpsalm heeft zo een brede plaats : Maar : Abraham's kinderen doen Abraham's werken. Gods Rijk bestaat niet in woorden, maar in kracht. Echt — en zeker versterkt geloof in de Heere Jezus Christus, werkt door de liefde, (de Geest!). We merken zo gedurig, dat we met een piëtist te maken hebben, een man, die naar levende godsvrucht vraagt. Is onze hoop op de Drieëne God, dan kunnen we ook niet anders dan ons reinigen, gelijk Hij rein is. Dat moet weer geen algemeenheid blijven, maar ingaan juist op onze aparte omstandigheden. Wat hapert het juist hier ! Daarom temeer moet er hier gewaakt en gebeden worden. Hopen we aan Christus gelijk te worden in de heerlijkheid: hoe zou dat gebeuren, wanneer we hier met aan Hem gelijk worden in reinheid ?
Borstius is een ander type dan Van Lodenstein en zijn Avondmaalsbeschouwing wijkt af van de labadistisch besmette, die Van Lodenstein voordroeg. Maar de klemtoon, die de heiligmaking juist in verband met het Heilig Avondmaal bij B. heeft, doet toch weer sterk aan Van Lodenstein denken, al heeft de blijvende zwakheid van de christen bij B. meer nadruk.
Als wij dan kinderen Gods zijn, laat ons dan naar die hoge staat leven ! Heel de apostolische vermaning wordt hier herhaald.
Gods kinderen zijn heiligen, hebben zich dus te openbaren als zodanig. Maar de blijvende zonde dan ? Tot hun troost, zegt B. dat de blijvende zonden enkel overblijfels zijn, deserteurs. Filistijnen, die op de vlucht zijn, omdat ze wéten, dat hun aanvoerder dood is. Zo hoog denkt B. dus van de kracht van geloof en Geest en Hl. Avondmaal.
Dus de zonde heerst niet meer in de wedergeborene, de christen, de Avondmaalsganger. Het Hl. Avondmaal, als het ons hart heeft, wijst ons naar Boven, waar Christus, onze schat is. Zoeken we dan ook wat Boven is ! Er blijkt het heel praktisch weer daarin: Kinderkens, hebt elkander lief!
Daarmee hebben we de hoofdzaak van Borstius' boekje weergegeven. Het is werkelijk in geen enkel opzicht verouderd ; het zou zó kunnen worden herdrukt. Misschien zouden wij het wat korter zeggen dan hij, maar dan is het zéér de vraag, of we het ook zo krachtig zouden weten te zeggen.
In alle geval : de zaak allereerst, maar ook de schrijver en zijn boekje worde u allen aangebonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's