BEZINNING INZAKE NIEUW-GUINEA
Overgenomen uit „Woord en Dienst” d.d. 28 juli 1956.
Overgenomen uit „Woord en Dienst" d.d. 28 juli 1956.
Open Brief aan het Moderamen der Generale Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk.
(Slot).
Ten 2e. heeft het volledig in het duister laten van de tweede bijbelse, theocratisch-historische richtlijn tengevolge gehad, dat begrippen, die in een persoonsethiek alleen maar ten volle zin kunnen hebben, kritiekloos worden toegepast op de volkeren als zodanig. Zo b.v. als van , , zelfzucht" gesproken wordt van het Nederlaiidse volk als zodanig. En als aan een tekst uit Gods Woord aan het slot van de Oproep herinnerd wordt, dat wie zijn leven zal willen verliezen, zijn leven op andere wijze terug zal vinden. Alsof tot het wezen van iedere in een rechtsorde georganiseerde volksgemeenschap niet de zelfhandhaving behoorde, en men hier dus niet zo maar, zoals tegenover de personen der individuele Christenen, de eis mag stellen van het volstrekte levensoffer.
Ik raak hier aan een punt, waartegen Van Ruler reeds in 1945 ernstig waarschuwde in een afzonderlijke nota, die hij als lid van de Commissie van voorbereiding van de Advies-brief aan de Minister bij het meerderheidsrapport voegde. Van Ruler sprak daarin van de volstrekte onjuistheid om het vraagstuk van de z.g. koloniale status , , uitsluitend te benaderen vanuit de verhouding van mensen tot mensen, gelijk deze verhouding door Jezus Christus bepaald wordt. Dat wij in een lid van een volk van Nederl. Indië van Christus uit een broeder hebben te zien, een mens voor wie Christus ook gestorven is, en dat wij hem in alle verhoudingen dienovereenkomstig te behandelen hebben, wordt door mij uit diepe overtuiging uitgesproken. Men mag het koloniale vraagstuk naar mijn inzicht echter niet van hieruit benaderen. Het gaat in dit vraagstuk niet uitsluitend en niet in de eerste plaats om de verhouding van mens en mens, maar om die van volk en volk, cultuur en cultuur, continent en continent". (Hand. 1945-1946, blz. 102-103).
In deze volzinnen komt heel duidelijk het fundamentele uit van de theocratisch-historische visie, die in 1946 in de Generale Synode als tweede richtlijn legitiem-bijbels werd geacht. En er waren naast mij toen ook nog verscheidene andere synodeleden, die zich bij de overwegingen, uit deze tweede richtlijn voortvloeiende, het liefst aansloten.
Nu ontken ik natuurlijk niet, dat wij intussen weer ruim tien jaar verder zijn en dat de wereldpolitiek ook weer tien jaar verder voortgeschreden is, zodat de concrete situatie als doorbraakplaats voor het Woord der goddelijke openbaring thans weer andere harde plekken vertonen zal dan in 1946. Maar het is toch ook zó, dat het democratisch personalisme nog altijd zijn duizenden, ja, tienduizenden verslaat. En dat tegenover iedere monopolistische tendens van dit personalisme de rechtmatigheid van de tweede, theocratisch-historische richtlijn mag en moet worden verdedigd !
Mijn derde theologische bezwaar — tenslotte — tegen deze Synodale , , Oproep" is een kerkrechtelijk bezwaar, dat ik ook het gemakkelijkst klank kan geven tegen de achtergrond van de Synodale behandeling van het probleem-Indonesië in 1945—46.
Toen ging er een commissie van synodeleden aan het werk om een concept-advies op te stellen ter beantwoording van een verzoek om voorlichting, dat de Regering tot de Synode had gericht.
In deze Commissie voor voorbereiding was de Raad voor de Zending wel vertegenwoordigd, doch de Synode weigerde toen toch in te gaan op een verzoek van een harer leden om de Raad voor de Zending eerst nog om preeadvies te vragen.
Ditmaal echter nam de Raad voor de Zending heel duidelijk het initiatief en vond — als orgaan van bijstand der Synode — een , , Herderlijk Schrijven" broodnodig. Ook zonder dat de Nederlandse regering op enigerlei wijze om een advies of herderlijke boodschap verzocht had.
Ik meen, dat er reden is om hier tegen het gevaar van de centraliserende tendens, die de deskundigheid van de Synodale organen van bijstand tegelijk met de lijn , , van boven naar beneden" al te dik aanstreept, te waarschuwen. In het presbyteriaal-synodale kerkrecht blijve de lijn , , van beneden naar boven" gelijkgerechtigd, zoal niet essentiëler dan de lijn , , van boven naar beneden".
En hoewel ik de rechtmatigheid van de lijn, die , , van boven naar beneden" loopt, steeds met overtuiging verdedigd heb, zou ik toch in een zo delicaat geval als deze , , Oproep" vertegenwoordigt, wel willen pleiten voor een wijziging in ons kerkelijk recht, daartoe strekkende, dat althans door inschakeling van de moderamina der Provinciale Kerkvergaderingen de lijn , , van beneden naar boven" dient in het geding gebracht te worden, opdat het beeld van het Gereformeerde Kerkrecht niet geschonden worde, en zo nodig de al te eenzijdige voortvarendheid op de lijn , , van boven naar beneden" tijdig geremd kunne worden, voordat door publikatie de spanningen onder ons kerkvolk gevaarlijk toenemen.
In de hoop, dat Uw Moderamen in deze , , open brief" iets van opbouwende kritiek moge vinden, teken ik, met hoogachting en broedergroet,
Uw dw., Th. L. Haitjema,
Groningen, 7 juli 1956.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's