DE TIEN GEBODEN
De tweede tafel.
IV.
Het moge in de voorafgaande artikelen duidelijk zijn geworden, dat de Tien Geboden onmiddellijk te maken hebben met onze schepping naar Gods beeld d.i. met ons wezen en onze bestemming.
Daaraan ontleenden wij het voornaamste argument om de blijvende betekenis voor ons aardse stervelingen te betogen.
Als wij getracht hebben in het vorig artikel aan te tonen, hoe de Wet ons ontdekt aan het wezen der ware religie zijnde gelegen in de kennis van de enige God en van onszelf, rest ons nog de aandacht te vragen voor de tweede tafel. Deze geboden houden zich bezig met de goddelijke levenseis ten aanzien van onze naasten.
Ook deze tweede tafel hangt samen met onze schepping naar Gods beeld en derhalve met ons wezen en onze bestemming.
Als daar staat geschreven : Man en vrouw schiep Hij hen, nadat eerst het voornemen Gods wordt gemeld om mensen te maken naar Zijn beeld en gelijkenis, dan sluit dat in, dat de Heere God niet maar èèn individuele mens wilde om Zijn beeld te vertegenwoordigen in het schepsel, maar een mensheid. Elders staat geschreven, dat God de mensheid uit énen bloede heeft geschapen.
Dat betekent alzo, dat het lichaam mensheid in zijn millioenen leden als geheel hetzelfde wezen draagt, als geheel het beeld Gods vertegenwoordigt in al de onuitsprekelijke rijkdom van individuele of beter gezegd persoonlijke aspecten.
Al die millioenen delen in hetzelfde wezen. Dat wil dus zeggen, dat zij allen hét beeld Gods vertegenwoordigen, zij het in de onzuiverheid en in de verdorven trekken van de zondaar. Als er èèn mens op aarde is, Adam, vertegenwoordigt hij alleen het menselijk wezen en het menselijk geslacht. Noach en de zijnen vormden na de zondvloed de vertegenwoordiging van het menselijk geslacht, met hun achten. Het menselijk wezen openbaarde zich in die acht personen.
In onze tijd telt ons geslacht op aarde ruim twee milliard zielen, die derhalve thans de mensheid vormen.
Tel daarbij de millioenen, die eens op de aardbodem hebben geleefd en de geslachten, die nog komen zullen vóór de grote dag des Heeren, en het kan duidelijk zijn dat het getal van het menselijk geslacht wedijvert met dat der sterren.
En God schiep de mens naar Zijn beeld. Dat geldt van die ganse menigte.
In de veelheid van godsvereringen en afgoderijen, die de wereld vertoont, ligt alzo een klaar bewijs van twee zaken:
Ten eerste wijzen al die heidense erediensten, voorstellingen, gedachten en cultusvormen er op, dat de mens een religieus wezen is, wijl hij in de duisternis van zijn gevallen staat behoefte heeft iets tot zijn god te maken en te vereren.
Wij kunnen dat ook anders en echt Bijbels uitdrukken : Dat alles bewijst, dat de mens naar het beeld Gods werd geschapen.
Ten tweede : De Tien Geboden tonen aan, dat het religieuse leven en dat is het eigenlijke, het wezenlijke van de mens, bedorven is, omdat in de veelheid van heidense godsdiensten wordt aangetroffen, wat de Tien Geboden verbieden en veroordelen.
Indien wij nu bedenken, dat het ganse mensengeslacht In al zijn leden krachtens zijn schepping is geroepen het beeld Gods te weerspiegelen en te realiseren, en wij ons een ogenblik trachten voor te stellen, dat de mensheid in echtheid staande gebleven ware en door oprechte en ongestoorde liefde tot God gedreven werd om aan die hoge bestemming te beantwoorden, hoe lief zouden de mensen dan elkander hebben.
Zij zouden om Gods wil het beeld Gods in elkander eren en liefhebben. De liefde tot de naaste wordt geboren uit de liefde jegens God en zij behoren beide tot de zuiverhouding en verwerkelijking van het beeld Gods. Dat leert ons de Christus, als Hij de ganse Wet en de profeten saam vat in de hoofdsom: Gij zult de Heere uw God liefhebben met uw ganse ziel, verstand en alle kracht, het eerste en grote gebod, en het tweede, daaraan gelijk: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. (Vgl. Markus 12 : 28 v.v.; Lukas 10 : 27).
Dat zijn de Tien Geboden in hoofdsom, welke ook reeds in de Mozaïsche wetgeving wordt gevonden. (Vgl. Deut. 6 : 5; 10 : 12; Leviticus 19 : 18).
Ook het als uzelf, wordt in dit licht duidelijk. Het is zeker geen aanprijzing van egoïsme, en ook-geen verlof voor koestering van het zelf. De liefde, die gelijkelijk tot de naaste uitgaat als tot ons zelf, is de liefde tot God, welke zich richt op de gemeenschappelijke bestemming van ons en onze naasten in de verwezenlijking van het beeld Gods, waartoe wij geroepen zijn krachtens onze schepping.
Wij beweren niet, dat wij mensen die liefde uit ons zelf opbrengen en wij willen ons wachten de mens in zijn gevallen staat iets toe te schrijven, dat hem niet toekomt, zoals sommigen gewoon zijn.
Wèl is waar, dat ongelovige mensen ons wel eens beschaamd maken door voorkomendheid, behulpzaamheid en bereidwilligheid. Onder de mantel ener dode orthodoxie kan niet zelden een ongebreideld en onbeschaamd egoïsme schuilen.
En wij geloven, dat de Catechismus een juiste belijdenis doet, als hij zegt, dat een oprecht geloof niet nalaat vruchten der dankbaarheid te. doen zien. Het is inderdaad de ervaring van het geloof, dat de gevallen mens onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.
Doch het is evenzeer waar, dat de liefde Gods, in onze harten uitgestort, niet alleen oprechte vroomheid, maar ook een klein beginsel ener nieuwe gehoorzaamheid in handel en wandel uitwerkt jegens onze naasten.
En dat is ook eis, door de Heere gesteld. (Vgl. Lukas 10 : 37).
Aangezien de tweede tafel der Wet in zo innige saamhang staat met de eerste, gelijk wij hebben aangetoond, en aangezien de eis Gods en, mitsdien onze roeping ingevolge onze schepping, op ons geslacht blijft rusten, blijft ook de tweede tafel als Wet voor ons gelden.
Het is met deze tweede tafel als met de eerste. Zij verbiedt allerlei ongerechtigheden, die de mens aankleven. Zoals wij eerder hebben opgemerkt, de Tien Geboden zijn door God gegeven aan een geslacht van zondaren. Daarom verbieden zij zovele ongerechtigheden en tekenen daarin het beeld van de gevallen mens. Deze mens staat op tegen vader en moeder. Wij kunnen het opmerken aan onze kinderen. Deze mens staat op tegen degenen, die over hem gesteld zijn, zodat de wereld vol twist en tweedracht is, en het is een wonder, dat er ook wel eens géén oorlog is.
Gij zult niet doodslaan! Hoe ver zijn wij van een vredestaat af, die overeen zou komen met een stil en gerust leven in ongestoorde gemeenschap der heiligen, als wij van de Christus in de bergrede vernemen, wat de hemelse Rechter onder doodslag verstaat !
De, Heere is naijverig op het gebruik van Zijn Naam, maar Hij waakt ook over Zijn werk.
Matth. 5 : 22 : „Doch Ik zeg u: Zo wie ten onrechte op zijn broeder toornig is, dat zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt : Raka, die zal strafbaar zijn door de grote raad, maar wie zegt: Gij dwaas, die zal strafbaar zijn door het helse vuur".
Als die hemelse maatstaf op ons wordt aangelegd, wie zal dan onschuldig bevonden worden ?
Immers niemand. Dat is het nu juist wat in de Heilige Schrift zo heel duidelijk wordt betuigd: Niemand is goed, tot niet één toe.
Dat ligt trouwens in de aard der zonde, welke wortelt in ongehoorzaamheid en ongeloof en wier kenmerk is goddeloosheid. Want, indien iemand de Heere God niet eert, hoe zal hij het 'beeld Gods eren in zich zelf en zijn medemens?
In die geest kunnen wij doorgaan en vragenderwijs tot het volgende gebod komen. Indien hij vervreemd is van de ware religie en de gemeenschap derft met God, welke hij voor het verwezenlijken van zijn levensbestemming niet missen kan, hoe zal de mens de huwelijksgemeenschap in haar verheven symboliek kunnen waarderen ?
De Heere God ziet dat en gebiedt : Gij zult niet echtbreken.
Het is waarlijk niet nodig om verder te gaan, te meer, omdat dé Schrift aan alle geboden schuldig verklaart, die zich schuldig maakt aan één gebod. Dat spreekt vanzelf. Want, gelijk het de liefde is, die de Wet vervult, zo is het de goddeloosheid en vijandschap tegen God, die Zijn geboden veracht.
Zo ontdekt de Wet der Tien Geboden ons aan het beeld, dat wij vertonen. En wilt gij het in andere woorden getekend hebben, misschien nog wat duidelijker en uitvoeriger, lees dan in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen het achttiende vers tot het einde.
Ziedaar het beeld van de gevallen mens, zoals Gods Woord hem ziet.
Moeten wij nog nader spreken over : Gij zult niet stelen, een gebod, dat de mens als een dief tekent. Zo gij bezwaar hebt, wie zal zich van dat oordeel vrij maken, al is hij eerlijk en oprecht tot op een penning, als het gaat om de ere Gods. Wie zal volhoudertr dat hij niet is een dief, die God de ere onthoudt en nalaat de gehoorzaamheid te brengen, welke hij schuldig is ? Daar begint toch het stelen.
Wie ook zal God weerspreken kunnen, als Hij alle mens leugenachtig noemt, dewijl wij Hem, die de Waarheid is, verlaten hebben ?
En dan: Gij zult niet begeren. Is dat ook al zonde ? Lees het antwoord bij de apostel Paulus in Rom. 7:7: En hoe zouden wij niet begeren, die te midden van dit leven in het onzekere staan en als blinden tasten naar de wand ?
Zou dan ook die tweede tafel als Wet voor ons niet gelden, zouden wij vrij zijn van een Wet, die ons zonder uitzondering veroordeelt ? Dat zou, in het algemeen gesproken, slechts onverschilligheid voor het oordeel der Wet betekenen.
Maar, zal iemand zeggen, wij spreken niet in het algemeen, maar hebben het oog op de Christenen. Het begrip Christen is zo ruim, dat daaronder velen geteld en gerekend worden, die tot de ware Christgelovigen, waarvan de belijdenis spreekt (art. 27), niet geteld kunnen worden.
En wat de bevoorrechten aangaat, zij zijn vrij van het oordeel der Wet door Gods genade, maar staan daarmede niet los van de Wet. Als de heidenen, die de Wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der Wet zijn, deze de Wet niet he'bbende, zijn zichzelve een wet, als die betonen het werk der Wet geschreven in hun harten. (Rom. 2 : 14 v.).
Als God het nodig heeft geacht het werk der Wet te schrijven in de harten der heidenen, die de Wet niet hebben, zal dan een Christen, die de Wet kent, ook niet het werk der Wet liefhebben en bevrijd van het oordeel der Wet, dit werk met een dankbaar hart betrachten?
En bovendien, als God het werk der Wet in de harten schrijft, zoals het Woord betuigt, zelfs bij degenen, die de Wet niet hebben, hoeveel te meer zal degeen, die de Wet heeft, geroepen zijn haar in ere te houden.
Wij vinden hierin, dat het werk der Wet zich openbaart in de gevallen mensheid, een argument op zich zelf voor de gelding der Wet in de gestalte der Tien Geboden, niet alleen voor de ontdekkende functie, waarvan de apostel in Rom. 3 : 20 heeft gesproken, maar ook voor de tempering van alle wangedrag en de bevordering ener burgerlijke gerechtigheid, waarop de Reformatie heeft gewezen. Wij zijn ook van oordeel, dat dit gebruik behoort te worden in stand gehouden, opdat ook een stil en gerust leven onder de heerschappij der aardse overheden moge worden bevorderd.
Zoals gezegd, het zou tegen de rede zijn, de algemene gebondenheid van de gevallen mens aan de Wet der Tien Geboden los te laten, aangezien zelfs de allerheiligste in dit leven nog maar een klein beginsel van de nieuwe gehoorzaamheid kan worden toegeschreven. Buiten de kring van gezaghebbende heerschappij van het Christelijk geloof, dat naar de Schriften is, kan men ook geen beroep doen op het volk in het algemeen ten aanzien van een betrachting der geboden uit dankbaarheid.
Dit moge een praktische overweging schijnen, maar het oordeel der Schrift, zoeven uit Rom. 2 : 14 v. aangehaald en de onderscheiding van goed en kwaad in Rom. 13 : 1—7, geven daaraan toch meerdere diepte en ook een betekenis in de vervulling van de Raad Gods.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's