De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DWINGEN TOT ZALIGHEID!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DWINGEN TOT ZALIGHEID!

6 minuten leestijd

„Dwing ze in te komen, opdat Mijn huis vol worde". Lukas 14 vs. 23.

Waarom sprak de Heere Jezus zo menigmaal in gelijkenissen tijdens Zijn omwandeling op aarde ? Was 't niet, om Zijn hoorders op zeer bevattelijke wijze de gelieimen van het Koninkrijk Gods te openbaren?

Zo doet Hij ook hier. In de gelijkenis van een vermogend mens, die een groot avondmaal bereidde en vele gasten nodigde, stelt de Heere Jezus de ondankbaarheid van de Joden voor, die tot Zijn Koninkrijk geroepen waren, zonder evenwel die roepstem op te volgen, zodat Hij, als Koning van dat rijk, Zijn dienstknechten tot een ander volk zendt.

Ge kent de gelijkenis : een vermogend heer bereidde een schitterend gastmaal en nodigde daarop zijn vrienden en bekenden. Allen hadden die uitnodiging aangenomen. Geen kosten waren gespaard om de rijk voorziene dis in al de pracht der Oosterse weelde te doen schitteren: alles was thans gereed en — naar de gewoonte van het Oosten — werd de genodigden aangezegd, dat zij konden komen.

Maar wat een teleurstelling: zij, die eerst de uitnodiging hadden aangenomen, zenden nu, in antwoord op die tweede nodiging, '.t bericht tot de gastheer, dat ze niet kunnen komen.- En dat doet niet één, die onverwachts in zijn voornemen is gehinderd geworden, neen eendrachtiglijk beginnen zij zich te verontschuldigen. Al gaf ook ieder hunner een verschillend excuus van zijn wegblijven op — daarin waren ze allen gelijk, dat zij niet wilden.

De éen had een akker gekocht en wilde die eens gaan bezien. Wat een nietige uitvlucht! Alsof dat morgen niet evengoed kon, ja, zelfs nog beter, wanneer het klaar lichte dag was !! Een tweede had weer een andere verontschuldiging : hij had tien ossen gekocht en wilde liever beproeven hoe die vijf juk ossen het voor de ploeg maakten, dan dat hij tot het gastmaal zou komen. Neen, hij kon daarmee onmogelijk wachten tot de volgende dag !

Deze beide, hoe nietig hun uitvluchten ook waren, verzochten evenwel nog dat de gastheer hen voor , , verontschuldigd" zou houden. Want, de derde is in 't geheel niet te spreken: hij had een vrouw getrouwd en wilde die niet alleen laten, en daarom kon hij niet komen. Is 't wonder, dat de gastheer toornig werd?

Maar er zijn, behalve deze onheuse vrienden, nog andere mensen: ze mogen dan niet zo aanzienlijk zijn, ja zelfs tot de armen, verminkten, kreupelen en blinden behoren — het doet er niet toe —dan moesten die maar genodigd worden. Verheugd namen zij de uitnodiging aan en weldra waren zij de gasten aan de weivoorziene dis. En — er was nóg plaats !

Nogmaals moest de knecht er op uit; hij moest nog meerderen dwingen om tot het gastmaal te komen. Niet met geweld, maar door de kracht van zijn woord. Hij moest er op aandringen dat ze toch zouden komen — zó lang, tot de feestzaal vol was.

Zo ging het ten tijde van de Heere Jezus, maar zo gaat het helaas nog! Is deze gelijkenis niet een sprekend beeld van Israël ? De Heere is gekomen tot de Zijnen, maar — de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Ze wilden een aards koninkrijk met aardse rijkdommen en genietingen. Ze hielden meer van hun akkers, hun bezittingen, huizen en vrouwen, dan van het Koninkrijk Gods ! Werden zij door de Heere Jezus geroepen, dan verontschuldigen zij zich.

Wel waren er ook in Israël armen, die behoefte gevoelden aan de spijze, die niet vergaat — verminkten, kreupelen, die heilbegerig tot Hem opzagen ; blinden, die 't uitriepen: „Zone Davids, ontferm U onzer" — maar het volk in zijn geheel genomen, wilde niet komen. Daarom zou dat volk straks verworpen en de zaligheid aan anderen gebracht worden, die nu nog buiten stonden.

Ontzettend woord: „Ik zeg ulieden, dat niemand van de mannen, die genood waren, Mijn avondmaal zal smaken".

Zo was het ten tijde van Jezus' omwandeling op aarde, maar — is het in onze dagen wel anders ? Helaas neen! Tegen de dringende, ernstige en herhaalde nodigingen des Heeren, om tot Hem te komen, staan duizend nietige en onbeduidende verontschuldigingen.

Het leven is zo schoon en zijn genoegens zijn zo vele en — naar men meent — de dienst van God is zo som­ber en zo droefgeestig. Men is nog zo jong, en — om nu reeds afstand te doen van de genietingen der wereld —, dat gaat toch niet !

De tijdsomstandigheden geven allerlei zorg en vragen en — aan de schreiende nood der ziel wordt niet gedacht. Komt de eis des Heeren tot hen, om zich te bekeren, dan is 't: „Voor ditmaal ga heen, totdat ik gelegenertijd zal bekomen hebben!"

Zo gaat het zoeken en bedenker van de dingen, die beneden zijn, vóór en boven de dingen, die van boven zijn, waar Christus is, zittend ter rechterhand Gods !

Bij velen is de levensvraag : , , hoe kom ik door de wereld" — en, die dringt die andere, die van oneindig hoger waarde is : „hoe zal ik straks de wereld verlaten", geheel op de achtergrond.

O, arme, verblinde dwazen. Dacht ge, dat de uitnodiging des Heeren tevergeefs tot u komt ? Gods Woord leert, dat Zijn toorn eens schrikkelijk zal ontbranden over de vensmaders van Zijn genade.

Hoe zult gij kunnen ontvlieden, als ge op zulk een grote zaligheid geen acht geeft? De steden Sodom en Gomorra zal het verdragelijker zijn in de dag des oordeels, dan u, die wèl genodigd, maar niet gekomen zijt. Dan zal het uit de mond van de vertoornde Rechter klinken : , , Gaat weg van Miji; gij hebt niet gewild!"

Dan zullen geen ijdele verontschuldigingen baten, noch knagende zelfverwijten : dan zullen al uw nietige voorwendsels dwaas en verwerpelijk bevonden worden.

O, werden er onder de lezers maar veel armen gevonden, geestelijk armen, melaatsen en blinden. De Meester is daar en Hij roept u! Juist ü wil Hij hebben! Maar, kom dan zoals gij zijt!

Gij moet bidden om het brood en het water des levens. En Hij wil het u om niet geven. Neen, niemand zal Hij ledig henen zenden! Er is plaats voor alle, want Zijn huis moet vol worden. Laat dan niets u in de weg staan. Ruk elk vijgeblad der verontschuldiging af. Kom in al uw naaktheid en armoede tot Hem — en dan zal Hij u bekleden met de mantel Zijner gerechtigheid.-

De Heere wil het. Hij bidt. Hij dwingt u. Zie dan toe! Hoort, en uw ziel zal leven!

Nog een kleine tijd en het huis is vol. Alle genoden zijn dan bijeen. Dan staat de bruiloft des Lams aangericht en zal niemand ontbreken. Wat een feestgeschal — wat een hemelse muziek ! Wat een jubelen en loven !

Het is een lofaccoord, want alle tonen smelten samen in die éne jubel: Gij zijt ons te sterk geworden. Wij wilden niet, maar Gij hebt ons heiliglijk gedwongen, 't Is door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen. Want zulk een welbehagen hebt Gij gehad in een arm en ellendig volk!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DWINGEN TOT ZALIGHEID!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's