DE KROON DER GERECHTIGHEID
„Niet, dat ik het alrede gekregen heb of alrede volmaakt ben; maar ik jaag daarnaar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik door Christus Jezus ook gegrepen ben." Filippenzen 3 : 12.
De Kerk des Heeren kan op aarde niet zonder geloof leven.
Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Het schild des geloofs behoort tot de wapenrusting, waarmede de Heere Zijn kinderen bekleedt.
De Catechismus wijst in zondag 7 op de noodzaak een waar geloof te bezitten. Dan pas kunt ge een waar Christen geheten worden.
Met nadruk staat er een waar geloot. Het is dus niet, wat ik voor geloof houd, kan het kenmerk der echtheid dragen, maar het waar geloof zal aan zijn vruchten gekend worden en bewijst daardoor zijn echtheid.
De Heilige Geest werkt door het Evangelie in mijn hart een vertrouwen, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is uit loutere genade, alleen om de verdienste van Christus wille.
Het goud des geloofs glanst niet altijd met zijn edele glans. De kinderen Gods verliezen in de strijd met zonde, wereld en satan menigmaal hun gouden schild en moeten zich tevreden stellen met een koperen schild. Er breken tijden aan van een schuldige ingezonkenheid in ons geestelijke leven. Dan zijn onze gebeden krachteloos. Een matheid komt over ons, waardoor het gebedsleven verflauwt. Er is niet die blijdschap, die het geloof kenmerkt. Het goud is koper geworden. Vermeerder ons het geloof ?
Weer moet als met vernieuwde ijver het gebed in onze harten gewerkt worden. En de vraag, die ik brandend ben te weten, vervult ons geheel en al: , , Ben ik het eigendom des Heeren of ben ik het niet ?"
Het koper moet in goud veranderd worden, met minder kunnen wij niet toe. Paulus laat ons zijn zielservaring, zijn strijd, zijn worstelen om dit geloof zien in de tekstwoorden onzer meditatie.
1. Paulus' geloofservaring.
Niet dat ik het alrede gekregen heb of alrede volmaakt ben.
De Apostel Paulus is een bijzonder kind dés Heeren, met buitengewone gaven bedeeld. Hij heeft geloofshoogten beklommen, vergezichten in 't hemelse leven ontvangen, zoals geen ander onder de apostelen.
Met adelaarsvleugelen, waarin een groot geloof zijn deel was, vloog hij tot geloofshoogte, waarop hij getuigen kon: , , Niets kan ons scheiden van de „liefde Gods, welke is in Christus Jezus , , onze Heere". Dan mag hij zeggen : , , Zo , , is er dan geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn". En tal van andere teksten zeggen ons, dat Paulus een man van groot formaat was onder de kinderen des Heeren.
De weg wordt echter moeilijker hoe hoger hij klimt.
Het leven van de oprechte gelovige wordt steeds zwaarder.
Meer en meer gaat Paulus beseffen, dat hij aan de eisen Gods niet voldoen kan. Hij schrijft aan zijn dierbare gemeente Filippi, dat zijn leven nog meer moet zijn een Godgewijd leven.
En Paulus zucht. Hij klaagt: , , Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods ? " Denkt toch niet hoger van mij dan ik ben. Ik ben een mens, die met mijn aanklevende zonden te strijden heb. Op mijn adelaarsvleugelen ligt een pak lood zo zwaar, dat mij nederdrukt tot de aarde. Welk een zonden van ongeloof bezwaren mijn leven !
Het moet zijn een leven gewijd aan de Heere. Zo is het echter niet. Hij doet hiervan schuldbelijdenis voor des Heeren aangezicht. Het moet geleerd worden op de leerschool Gods : , , Alles schade en drek te achten om de uitnemendheid van Christus"
Alles verliezen en Jezus verkiezen. Paulus zucht eens diep, heel diep als hij een blik slaat in eigen leven. Het ideaal, waarnaar hij streven mag, ligt zover van de aardse werkelijkheid. Hij is er zich tenvolle van bewust, dat hij niet volmaakt is. Hij klaagt zijn nood uit in een kreet van een geopend geweten.
Ik ben niet volmaakt. Dit eerste deel van onze tekst wil allerminst zeggen, dat Paulus bedoelt bijna de volmaaktheid bereikt te hebben.
Nog één sport en dan ben ik bovenaan de top van de ladder, zou hij dit bedoelen ? Zou hij willen zeggen in een farizeese gemoedsgestalte: , , Ik heb bijna het toppunt van heiligheid bereikt. Nog enkele kleine geldstukken en ik heb mijn schuld afbetaald. Degene, die aldus deze tekst verklaren wil, is glad bezijden de waarheid.
Paulus bedoelt juist andersom. Als ik het van mij zelf verwachten zou, dan kom ik bedrogen uit.
En Paulus zucht zijn diepe zucht. Ik ben zo zwak, dat ik mij zelf geen ogenblik kan staande houden. Ik heb dagelijks te strijden met de boze lusten des vleses. Ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont.
Kunt gij duidelijker bevestiging vinden van de waarheid, dat de zonden de mens verdorven heeft tot in de wortel.
En al mag hij spreken van een klein beginsel der gehoorzaamheid in het volgen van de Heere, zo kent hij ook zichzelf en beaamt, dat het gedichtsel van des mensen hart boos is.
Ik heb niets waarop ik roemen kan. Ik heb het nog niet kunnen grijpen, al strijd ik er mede om het te grijpen. Hij draagt mede de oude natuur. De zonde neemt steeds weer bezit van zijn hart, zijn verstand, zijn oog, zijn oor.
Dit is bij Paulus niet een verstandelijk onderschrijven van de waarheid, dat zijn hart onrein is. Het is een zielservaring. Een geloven in zijn zonden, een voor zijn rekening nemen van de schuld.
Hij gevoelt diep in zijn. hart dat de Heere recht heeft om te vragen : „Weest
(niet wordt) ook gijlieden volmaakt, „gelijk uw Vader, die in de hemelen is, , , volmaakt is !"
Hij kan in deze toestand niet berusten, Hij wordt gedrongen om van deze ellende verlost te worden.
Zich zelf verontschuldigen kan hij niet, hij moet zich beschuldigen. Hij gaat de weg van al Gods kinderen en nu wordt het een jagen naar de gunst des Heeren, een jagen naar een vernieuwd leven.
IL Paulus' geloofsdoel.
Maar ik jaag ernaar, oi ik het ook grijpen mocht.
Het woord jagen, is de sterkste uitdrukking om de worsteling in zijn ziel te tekenen. Het is hem een heilig moeten geworden.
Dit jagen is te vergelijken met het jagen van de jager, die het wijde veld is ingetrokken om een wildbraad te vinden. Met alle krachtsinspanning zonder het oog te richten naar de schoonheid der natuur, zonder te letten op honger of dorst, gaat hij zo op in dit jagen, dat hij alleen op dit éne al zijn aandacht gericht heeft, het gaat hem om het wild.
Wij spreken tegenwoordig van een wereld waarin wij altijd voortgedreven gejaagd worden, Wij leven niet, maar wij worden geleefd. Waar de mens in onze gemechaniseerde wereld een stuk van deze mechanisatie is geworden, is er meer sprake van een gejaagd worden als van een rustig werken. Het is een wilde wedloop om maar meer te produceren.
Paulus wordt inderdaad ook gejaagd, maar door edeler beweegredenen. Hij staat in het geestelijk strijdperk en de Geest des Heeren drijft hem te zoeken naar de prijs der roeping Gods. Het gaat hem om het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid.
De zondaar wordt ook gejaagd door zijn eigen lusten en begeerten.
Paulus zegt echter: , , Maar één ding , , doe ik, vergetende hetgeen achter is, , , en strekkende mij tot hetgeen, dat voor , , is, jaag ik naar het wit tot de prijs der , , roeping Gods, die van boven is in , , Christus Jezus".
Een heimwee vervult zijn ziel om Christus te kennen en de kracht Zijner opstanding. Paulus wil Hem kennen als de grote profeet, die hem leert wat tot zijn zaligheid nodig is, als de enige Hogepriester die zijn zondenschuld heeft weggenomen en voor de zijnen een voorspraak is bij de Vader als de eeuwige Koning, die alles schenkt tot de heerlijkheid Gods. Het gaat hem om de nieuwe mens, vernieuwd zijnde naar het evenbeeld des Heeren. Het gaat hem om in Christus' genadewerk zich geborgen te weten. Dit is de kroon, die hem wenkt. Éénmaal volmaakt te zijn in Hem. Het kleed der zonden te mogen afleggen en het kleed der gerechtigheid aan te doen, hem gegeven zijnde door zijn Borg en Middelaar.
Mijne lezer, jaagt gij ook naar deze prijs. In de stadions dezer wereld volgen duizenden bij duizenden toeschouwers de wedloop om aardse kronen. Onder ademloze stilte wordt het startsein gegeven en dan in toomloze vaart snellen de lopers naar het eindpunt. Het gaat hem om de lauwerkrans In hun dwaze eerzucht offeren zij hun lichaam op het heidense altaar der sport. Afschuwwekkend is het te zien, hoe een verdwaasde wereld alles over heeft, zelfs zijn gezondheid opoffert aan een eerzucht om als overwinnaar uit het veld gedragen te worden.
Paulus roept u toe : Ik ken een beter jagen, naar waardevoller kronen. De onverwelkelijke kroon der heerlijkheid Gods zij onze strijders (want ook deze worden ongetwijfeld onder mijn lezers gevonden) eenmaal geschonken. Jaagt in den gebede, blijft jagen in de volharding van dit gebed.
Dit jagen wordt bezield door de begeerte ook te grijpen, dat wil zeggen met beide handen vast te houden en blijvend te bezitten,
Paulus schrijft aan zijn geestelijke zoon: „Strijdt de goede strijd des geloofs, grijpt naar het eeuwige leven, , , tot hetwelk gij ook geroepen zijt en de , , goede belijdenis beleden hebt voor , , vele getuigen".
Het komt dus aan op een geloofsbezit. Velen, die door de Heere gegrepen zijn in het hart, zullen eenzelfde begeerte kennen. Zij moeten zekerheid hebben, dat zij niet meer liggen voor eigen rekening, maar voor de rekening van die Heere, die hen duur gekocht heeft, met Zijn dierbaar bloed. Paulus heeft ook \ deze zekerheid ontvangen.
III. Geloofsbron.
Waartoe ik door Christus Jezus gegrepen ben.
De zekerheid ligt niet in Paulus, die een gelovige is geworden. Ook in zijn geloof is geen enkele verdienste te vinden. Paulus gaat tot de bron. Het zijn de handen Gods, geweldig in vermogen, die van deze eigengerechtige farizeër een kind des Heeren wist te maken De Heere maakte uit het stof der aarde een vat ter ere Gods. Hij eindigt in dit heerlijk Godswerk.
Nu krijgt Paulus grond onder de voeten. De zekerheid van zijn verlossing ligt in de trouw des Heeren. De staat voor de eeuwigheid krijgt zijn vastheid in de uitverkiezende genade Gods, die hem geroepen heeft uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht.
Dit zoeken van de Heere, dit jagen naar de Heere, dit grijpen van de Heere, was niet een werk van Paulus, maar de Heere had hem getrokken met de koorden Zijner liefde.
Nu kunnen wij deze tekst lezen op deze wijze: „Omdat ik door Christus , , Jezus geroepen ben". Dit geeft een goede zin.
Uit de Heere is alle goed werk. Hij is het begin. Hij is de alfa.
De Statenvertaling verdient de voorkeur, omdat zij beter vertolkt wat Paulus bedoelt.
Wij lezen : „Waartoe ik van Christus , , Jezus ook gegrepen ben".
Dit woord geeft een veelomvattende inhoud aan dit laatste deel van onze tekst. Wij blijven niet staan bij het „Uit Hem", maar gaan voort met het: Door Hem en tot Hem zijn alle dingen tot in der eeuwigheid. Niet alleen het geroepen zijn uit deze wereld, zoals Paulus op de weg naar Damascus geroepen werd, is belangrijk om vermeld te worden, veeleer worde met nadruk gewezen op de blijvende trouw des Heeren in de levensgeschiedenis van het kind des Heeren.
God heeft een heilige bedoeling met uw bekering. Hij wil u met Zijn blijvende genade bewaren en onderhouden.
Wat Hij eenmaal begonnen heeft, laat Hij niet los, maar Hij zal het voleindigen.
En Hij zal het zo voleindigen, dat het tot Godsverheerlijking dienen zal. In dit laatste gedeelte ligt een Evangelieprediking zo rijk, dat het een zekere troost in leven en sterven is.
O, wonder van genade: De Heere greep Paulus op de weg van Damascus. Hij riep hem een halt toe. Meer deed Hij. Hij onderwees hem in zelfkennis. Hij leerde hem kennen de gewisse weldadigheden Davids. Zijn beloften volgden hem op al zijn levenspaden, dat de Heere hem niet begeven of verlaten zal.
Is er rijker Evangelie op de gehele aardbodem ooit gehoord? Zij het tot troost voor degenen, die nog geen zekerheid hebben over hum staat voor de eeuwigheid. Als het jagen in een rein begeren bij u gevonden wordt, wel, dan zal de Heere u Zijne wegen leren.
Kent ge alleen het jagen naar de aardse kronen, och zie toch, hoe dwaas gij doet, door op zulk een grote zaligheid geen acht te geven. Jaagt naar een betere kroon, die nooit en te nimmer van u genomen kan worden.
Dat velen onzer lezers de woorden van de dichter eenmaal mogen nazeggen :
Och, hoe zal mijn tong Uw lof ontvouwen. Om het wonder aan Uw knecht geschied. Dat Gij zijn schulden kwijt woudt schelden. Dat Gij hem redden wilt om niet. Hoe zal ik U mijn dank bewijzen Mijn ganse leven hoort U toe. Mijn lippen zullen steeds U prijzen, . Nooit, zij mijn hart het danken moe.
Giessendam-Neder-Hardinxveld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's