De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET RAADSEL DER ZONDE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET RAADSEL DER ZONDE

12 minuten leestijd

Deze uitdrukking wordt nog al eens gebruikt om het onverklaarbare van de zonde uit te drukken. Hoe was het mogelijk, dat de zonde inkwam in een wereld, die God goed geschapen heeft ? Zo staat de zaak toch.

Edoch, de zonde kan niet buiten Gods wil om in de wereld gekomen zijn. Dit ware in strijd met Gods almacht en goddelijke heerlijkheid.

Niet buiten Gods wil om en toch kan de zonde, geen schepping Gods zijn. Het is niet zo als met het licht. God sprak : er zij licht, en er was licht. God heeft niet gesproken : De mens zondige, en hij zondigde. Dat lezen wij nergens. Zo kan het óok niet zijn. De gereformeerde theologen hebben er terecht alle nadruk op gelegd, dat God niet de Auteur der zonde kan zijn, en het geloof bevestigt dat ook. God is te rein van ogen, dan dat Hij het kwade kan zien. (Vgl. Habakuk 1 : 13).

Maar aan de andere kant, als God de zonde niet had , , toegelaten", kon zij niet in de wereld ingekomen zijn. , , Toegelaten", een woord, dat wij node gebruiken, omdat het toch een zekere macht onderstelt, die tegen God in komt, maar een woord, dat wij toch in een situatie als deze niet kunnen missen. Denk er maar eens over na.

Een zekere macht tegen God in ! Dat is de zonde zeker! Zij is een macht en zij is een macht, die zich tegen God verheft.

Dat is nu juist de zaak. Hoe kan dat ? Hoe was dat mogelijk?

De wereld is goed geschapen. dat is onmogelijk. Dus.

Het kwaad in de wereld zegt, dat het toch mogelijk is.

Als men dat nu op de wijze van Barth uitdrukt, krijgt men: de onmogelijke mogelijkheid. Dit schrijft hij inderdaad ernstig, hoewel het toch eigenlijk onzinnig is.

Barth wil deze onmogelijke mogelijkheid niet verklaren, maar wat hij daaromtrent leraart, heeft er toch veel van weg. Intussen brengt de voorstelling, welke hij in dit verband ontwikkelt, ons tevens bij het meest bezwaarde gedeelte van zijn dogmatische beschouwingen. Daarmede raken wij ook aan het punt, Waar Berkouwer zijn , , onaanvaardbaar" laat horen. (T. d. G. blz. 215), en wij hadden gaarne gewenst, dat hij dit , , onaanvaardbare" tot uitgangspunt van een doorgevoerde kritiek op Barth's dogmatiek had gemaakt.

Wat is n.l. het geval ? Laat ik beginnen met de zinsnede over te nemen, waarmede Berkouwer dit punt inleidt op blz. 52 : „Zo staat aan het begin de Wil Gods (K.D. III, 1, 108), waarmee Hij in Jezus Christus en met het oog op Hém de kosmos en daarin de mens gewild heeft in gemeenschap met Zichzelf".

Deze zinsnede is voor tweeërlei uitlegging vatbaar : Men kan haar Barthiaans opvatten, maar ook Gereformeerd. In ieder geval komen beide opvattingen daarin overeen, dat de Wil Gods aan het begin staat. De oorsprong van alle schepselen ligt in de Wil Gods. (Openb. 4 : 11).

Berkouwer vervolgt dan de zo even aangehaalde zinsnede aldus : , , Wanneer we nagaan, op welke wijze dat bij Barth concreet wordt, dan stuiten wij direkt op een in heel zijn dogmathiek ingrijpende gedachte, n.l. dat dit goddelijk willen, dit scheppen, het andere uitsluit", '(blz. 52).

Voorlopig zet Berkouwer dit zonder kritiek uiteen, hoewel daartoe toch gerede aanleding moge zijn. Immers wat is dat „andere" anders dan speculatie. De Wil van God oorsprong van alle schepsel, van hemel en aarde, en al wat er in is, d.w.z. de Wil van God is de positieve grond en oorsprong, die door de scheppende daad, welke aan die Wil uitvoering geeft, vorm en gestalte, bestaan en aanzijn schenkt aan het voornemen Gods dienaangaande, gelijk dat ook in Christus reeds een oergestalte had verkregen als voorbeeld.

Wat wil Barth nu met dat , , andere", dat hij noemt, waaraan hij zijn leer van het nietige ontleent?

Ten eerste wordt ten onrechte dat , , andere" gesteld, wijl het ijdeler is dan de ijdelheid zelf.

Hij speculeert over het niet door God gewilde, en duidt dat aan met , , het andere" en hij heeft daarvoor geen enkele grond, dan dat hij tegenover het geschapene als het door God gewilde, een niet-geschapene poneert als het niet door God gewilde en daarom niet tot gestalte gekomene.

Het niet-geschapene wordt dan het door God uitgeslotene en verworpene genoemd, tot chaos en duisternis verklaard, grens van datgene, dat God wèl schiep en als zodanig werkelijkheid.

Wil dit nog enige zin hebben, dan moet men de scheppende God op de wijze van Leibnitz denken. Deze wijsgeer meent immers, dat God de best mogelijke wereld heeft gekozen en geschapen uit de mogelijke werelden die Hem door de philosoof werden toegeschreven, of die Hij had kunnen uitdenken. In ieder geval moet men de nietgeschapen dingen als mogelijkheden in Gods Raad onderstellen om eeri niet willen en dus een verwerpen daarvan plausibel voor te stellen.

Er moet een afwijzen Gods worden ondersteld om de toorn Gods althans enigermate te billijken, die God volgens Barth tegenover het door Hem niet gewilde koestert.

Als Barth spreekt van het , , andere", van andere mogelijkheden, welke God uitsluit of voorbijgaat, dan stelt hij aan God zelf paal en perk, want mogelijkheid als zodanig stelt de grens van het onmogelijke. Die mogelijkheden bij God onderstelt, welke Hij wil of niet wil, schept of voorbijgaat, stelt ook onmogelijkheden in God.

En waaraan is God voorbijgegaan? Aan wat Hij zelf projecteert in Zijn Raad en wat Hij dan toch niet wil ?

Want men moet in die gedachtengang toch onderstellen dat hetgeen God voorbijgaat en verwerpt, in Zijn Raad gestalte heeft aangenomen. Hoe kan het anders worden verworpen. Met andere woorden: het verworpene zou in God zelf opgekomen zijn.

Dat is echter niet aannemelijk. En is het goddelijk projecteren niet reeds in het goddelijk willen ?

Zo komen wij weer bij een vraagstuk der scholastiek terecht, n.l wat is in God eerst, de rede of de wil. De Middeleeuwers hebben daarover strijd gevoerd, en hier sluipt de kwestie weer birmen. Maakt God eerst plannen door de goddelijke rede en gaat Hij, dan uitkiezen, wat Hij zal scheppen?

Zo niet, dan is van een voorbijgaan en uitsluiten geen sprake, want er is niets, waaraan het besluit Gods is voorbijgegaan.

Met betrekking tot God kan niet gesproken worden van primaat van wil of intellect, omdat het bij God alles goddelijk is. In God is alles God. God heeft geen deugden, maar Hij is, wat de deugden uitdrukken.

En wat de mogelijkheden aangaat. Mogelijkheid en onmogelijkheid zijn geen categorieën in God, want de Heere Jezus leert ons, dat bij God alle dingen mogelijk zijn.

Er is geen enkele grond voor de onderstelling van een nietige als het voorbijgegane en door God verworpene, zoals Barth daaromtrent speculeert.

Dat is trouwens ook een soort verwerping, welke men vergeefs in de Schrift zoekt.

Barth ziet verworpen mogelijkheden en ziet daarin werkelijkheid. Zo wil hij in Genesis 1 : 2 , , de aarde nu was woest en ledig", zulk een verworpen mogelijkneid en verworpen , , andere" zien, waaraan God voorbijging. De mens kan daarop terug zien in zijn dwaasheid en dan wordt die verworpen mogelijkheid, deze toestand van chaos, een acuut gevaar.

Op dezelfde wijze redeneert Barth over de scheiding van licht en duisternis. Overtuigend is deze exegese zeker niet en Schriftuurlijk ook niet. Jesaja kan er althans zó niet over gedacht hebben, want dan zou hij niet geschreven hebben zoals hij schreef: zie Jesaja 45 VS. 5—7 : Ik ben de Heere, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel gij' Mij niet kent, opdat men wete van de opgang der zon en van de ondergang, dat er buiten Mij niets is. Ik ben de Heere en niemand meer. Ik formeer het licht en schep de duisternis. Ik maak vrede en schep het kwaad. Ik, de Heëre, doe al deze dingen. (Vgl. ook Klaagl. 3 : 38 ; Amos 3:6).

Men kan in het midden brengen, dat licht en duisternis hier niet letterlijk zijn bedoeld, gelet op het volgende : vrede en kwaad, maar in de gedachtengang van Barth komt ook het kwaad uit de verworpen mogelijkheid.

Te spreken van hetgeen God niet geschapen heeft, daaraan, chaos, duisternis toe te schrijven en, zoals later blijken zal, daaruit ook de zonde te verklaren, is zeker niet dringende noodzaak uit de door Barth aangehaalde en in die zin opgevatte teksten uit Genesis 1, De gedachte aan een chaos is Grieks en bovendien is er geen enkel bezwaar Genesis 1 : 2 te verstaan als de inleiding tot de toebereiding der aarde, nadat de grond der wereld gelegd is in de generale mededeling van het eerste vers des Bijbels.

Het grootste gevaar tegen Barth's stelling van het niets, ligt o.i. mede daarin, , dat wij van enige betrekking tot God en Zijn schepping van een. niets niet kunnen spreken.

Gods volheid negeert ten enenmale een niets in God en een niets buiten God. De stelling van Barth zou medebrengen dat de verworpen mogelijkheid niet alleen in God, maar ook in Christus, in Wien alle dingen tezamen bestaan, een plaats zou verkregen hebben.

In God bleef een niet van verworpen mogelijkheden en in Chrstus, in Wien alle dingen, die God geschapen heeft, een oergestalte en voorbeeld hebben, bleef het dreigend gevaar van de verworpen en dus in Hem niet verwezen­ lijkte mogelijkheden, het voorbijgegane , , andere".

Wat God geschapen heeft, is ons althans ten dele geopenbaard en bekend. Van een andere voorbijgegane wereld of mogelijke wereld weet niemand.

Waarom God deze wereld geschapen heeft en niet een andere, is enkel en alleen Gods zaak.

Als alles, wat de rechterhand Gods goed schiep, noodwendig vergezeld moet worden door een kwaad van Zijn linkerhand, en de barmhartigheid Gods, die de mens van meet af tegen dit kwaad helpt; dat kan overwinnen en' daarover triumferen, want dat is in feite de triomf der genade bij Barth, dan is meer dan ooit de vraag gerechtvaardigd, waarom God deze gevaren van Zijn goede schepping dan maar niet onmiddellijk buiten werking heeft gesteld. Barth wil geen conflict in God, maar heel de voorstelling van het nietige dringt er toe.

En dan dat noodwendige, dat onvermijdelijke, dat weinig overeenkomt met de anderzijds zo geroemde vrijmacht Gods. Inderdaad openbaart zich in de wereld een tegen God opstandige macht en daarin vindt Karl Barth aanleiding voor deze speculatieve gedachte, die zijn dogmatiek doortrekt, zo niet beheerst.

Reeds werd er op gewezen, dat volgens Barth ook de zonde wordt gezien vanuit het nietige. En hij noemt de zonde gruwelijke werkelijkheid. Zelfs spreekt hij in dat verband ook van een keus. Een gedane keus, een absurde keus, de onmogelijke mogelijkheid van de zonde. (Berkouwer, 58 K. D. IV, 454. De slang van Genesis 3 noemt hij , , Chaostier". (K. D. IV, 534).

Zonde is het nietige, de chaos, de duisternis.

Barth ontkent, namelijk, dat in de schepping van de mens de mogelijkheid van zijn val door God zou zijn gegeven. Hij verwerpt, zo voegt Berkouwer er aan toe, de gedachte, dat de mens geschapen zou zijn met de mogelijkheid tot zondigen, om goed of kwaad te kiezen, de mogelijkheid van het liberum arbitrium. Waarom het verbod, gewoonlijk als proefgebod aangeduid? (Vgl. T. de G. blz. 57).

Men kan er bezwaar tegen hebben, het gebod aangaande het eten en niet eten als proefgebod te duiden. Persoonlijk gevoel ik er veel meer voor een goddelijke onderwijzing en vermaning daarin te zien.

Dat is echter niet de hoofdzaak, maar het gaat over de mogelijkheid der zonde.

Het is volstrekt geen oplossing, met Barth over de onmogelijke mogelijkheid te spreken.

De onmogelijkheid laat hij overeenkomen met, de goede, door God gewilde schepping, en de mogelijkheid slaat terug op een verworpen andere, dat chaos, duisternis, zonde wordt genoemd, en ten slotte uit het niet gewild, het verworpen zijn, nog zijn kracht tot werkelijkheid moet ontlenen.

Waar kan toch de ruimte zijn, voor deze werkelijkheid van het nietige ? Barth maakt zo gaarne ruimte voor God en mens. Buiten de grenzen der schepping is God, want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij. (Hand. 17 VS. 28). De ruimte voor dat nietige zou alleen in God kunnen zijn en dat is het meest absurde en tegenstrijdige ' wat men kan aannemen.

Zo iets wordt ons dan geboden in de plaats van de eenvoudige voorstelling, welke ons door de Schrift gegeven wordt, en die er werkelijk op neerkomt, dat met de mens de mogelijkheid van de val gegeven is, hetwelk Barth ontkent.

Is dat nu zo absurd ? Indien men ernst maakt met de schepping van de mens naar Gods beeld, houdt dit dan niet in, dat de mens een weerspiegeling is van het goddelijk deugdenbeeld en dat het zijn bestemming is een zuivere weerspiegeling daarvan te zijn ?

Als dat dan zo is, en hoe zou dat anders krachtens onze schepping kunnen zijn, zal dat beeld dan ook geen trekken vertonen, die beantwoorden aan de vrijmacht Gods ? Ook Barth spreekt ergens van de schepping ais een waagstuk. Wij kunnen noch die term, noch de bedoeling bewonderen, omdat er bij God geen waagstukken of risico's zijn kunnen, maar als men ooit met enige schijn van recht zo zou kunnen spreken, dan zou dat zijn bij de schepping van de mens naar Gods beeld, waarin zelfs het deelachtig worden van de goddelijke hatuur was voorgenomen en besloten. (Vgl. 2 Petrus 1:4).

Volgens de voorstelling van Barth werd de mens als een hulpbehoevende onder de dreiging van het nietige geboren, niet bij machte die dreiging te weerstaan. Het beeld van de pas geschapen mens, dat de Heilige Schrift ons tekent, zet ons voor een persoon, met wien God spreekt van aangezicht tot aangezicht, door God in de vrijheid gezet in de ruimte van het paradijs, voor hem bereid, ontdekt aan die vrijheid bij de boom der kennis en aan de tweesprong van leven en dood, geconfronteerd aan de geopenbaarde wil van zijn Schepper en 'overeenkomstig die vrijheid geestelijk en zedelijk gebonden aan Hem.

Deze Adam had zijn voorbeeld en eeuwige bestemming in de Christus, zoals alle dingen, en daarom kan ook niet met recht van een waagstuk bij God gesproken worden.

Het waagstuk ligt bij de mens, niet om te geloven en in het geloof te volharden, maar om het gebod, dat ten leven was gegeven, los te laten.

Als wij ons nog wat nader bepalen bij Barth's beschouwing omtrent het nietige, zal het kunnen blijken, dat de triomf der genade in zijn uiteenzettingen toch een geheel ander karakter draagt dan de barmhartigheid Gods, die roemt tegen het oordeel, waarvan Ja­cobus getuigt. (2 : 13).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET RAADSEL DER ZONDE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's