De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET NIETIGE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET NIETIGE

13 minuten leestijd

Wij herinneren ons, dat het nietige door Barth wordt gezien als het door God niet gewilde, daarom niet geschapene, het voorbijgegane in de schepping, nader bepaald als chaos, duisternis, zonde. Het nietige is dus niet eenvoudig weg: er niet zijn, maar het werkt, het is — hoewel niet geschapen toch een werkelijkheid.

Berkouwer geeft daarover nadere uiteenzetting in zijn T. d. G. blz. 59 v.v.

Wij hebben daartegen aangevoerd, dat wij over hetgeen God niet gewild en niet geschapen heeft, niet kunnen spreken en hebben de uitdrukking van Barth, dat , , andere" afgewezen, omdat wij van dat , , andere", dat door God niet gewild en niet geschapen zou zijn, niets weten en niets kunnen weten.

Dat niet-geschapene, dat andere, zou alleen in God zelf als een nietige moeten zijn, terwijl wij geloven, dat in God alles God is. God is licht en er is gans geen duisternis in Hem. (1 Joh. 1:5).

Buiten de geschapen wereld en buiten God kan ook geen plaats voor het , , nietige" worden aangewezen. Ten eerste is buiten deze schepping Gods, hoe groot die toch wezen moge : God zelf weer, want wij leven en bewegen ons in God en in Hem zijn wij. (Hand. 17 : 28). Ten andere kan buiten God geen ruimte zijn voor het nietige, omdat dit op zich zelf een oneigenlijke spreekwijze is. ledere gedachte aan een werkelijkheid of nietigheid buiten God doet te kort aan Gods God-zijn.

Berkouwer wijst er met nadruk op, dat in Barth's beschouwingen het , , nietige" niet tot het wezen der schepping en van het schepsel behoort en zelf geen creatuur is.

Wel heeft de schepping een schaduwzijde, maar die mag niet worden vereenzelvigd met het nietige. Hoewel Barth zulk een vereenzelving met klem bestrijdt, merkt hij in K. D. III 3, pag. 335 toch op, dat de schepping in zekere mate nabuur van het nietige is en daarop gericht. De schaduwzijde behoort bij de volkomenheid van het schepsel. {Vgl. T. d. G. blz. 59). Het schepsel is niet niets. Natuurlijk niet, want het is door God gewild. Het schepsel is iets aan de rand van het niets. Daarin is zijn veiligheid en zijn bedreigd zijn gelegen.

Dat behoort volgens Barth bij het creatuur, want dat lag in de bedoeling van de Schepper. De mens zou een dubbele bestemming hebben: een voor God bestaande betekenis en waardigheid en een voor God bestaande behoeftigheid en bedreiging van het schepsel. Ziedaar de jubel en de jammer van ons bestaan, die hun grond vinden in Gods wil. Berkouwer tekent hierbij aan K. D. III 1, pag. 431, waar deze zinsnede letterlijk gevonden wordt.

Deze zin van de schepping (die dubbele bestemming) zou dan daarin zichtbaar worden, dat God Zichzelf in Jezus Christus tot subject van deze beide aspecten maakt. En Barth voegt er aan toe, dat wij daarom deze beide aspecten ernstig moeten nemen. (Vgl. K. D. III, 1, blz. 432). Op blz. 433 gaat hij nog verder over de verhouding van deze beide aspecten.

Tegen deze voorstelling moeten wij toch zeer ernstig bezwaar maken. Immers de situatie, zoals die hier wordt getekend door Barth, is de volgens hem volkomen creatuurlijke en als zodanig normale situatie, waaronder de mens verschijnt. Afgezien nog van het feit, dat deze tekening in geen enkel opzicht begrijpelijker, redelijker en aannemelijker is dan de mens op de tweesprong van gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, veeleer het tegendeel, afgezien daarvan wordt dit tweeërlei aspect, zoals Barth dat ziet, tot geopenbaarde waarheid verklaard door verwijzing naar Jezus Christus.

Geheel deze redenering gaat tegen het getuigenis der Schriften in, dat geen normale schepselmatige jammer van de mens kent, maar radicaal alle jammer omvattende uitspreekt, dat door de ongehoorzaamheid van één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood en dat de dood is doorgegaan tot alle mensen.

Ook de straf op de zonde (vgl. Gen. 3:16 v.v.) wijst op het abnormale van de ellende des levens. En reeds Jesaja heeft hier duidelijk uitgesproken in het 53 ste Hoofdstuk zijner profetiën, dat de Chistus onze krankheden en onze smarten heeft gedragen om onze ongerechtigheden. Onze ongerechtigheden heeft de Heere op Hem doen aanlopen.

Wij erkennen wel twee aspecten des levens : een genade-aspect en een strafaspect. De geschiedenis van Israël, de profeten, zijn er vol van en de Heere Christus laat niet na ook deze twee aspecten in Zijn prediking te laten horen. (Matth. 11 : 22 v.v.). ,

Dat is echter heel wat anders dan het negatieve en positieve aspect, door Barth voorgesteld, hetwelk de normale creatuurlijke gesteldheid zou meebrengen.

Zelfs de genade heeft bij Barth een in feite normale aanleiding in de normale behoeftigheid van het schepsel, terwijl de Heilige Schrift Gods genade, barmhartigheid, goedertierenheid en lankmoedigheid stelt tegenover de ongehoorzaamheid en ongerechtigheid van strafwaardige zondaren.

Als de Heère Jezus Christus dan de schuld en de vloek der zonde op Zich neemt, kan dat geen openbaring zijn van een overigens normale schepselmatige situatie, maar is het een daad van ondoorgrondelijke hemelse genade voor een opstandig schepsel.

De Schrift kent geen andere aanleiding voor Christus' vleeswording dan de zonde, en nog eens, ook, indien de Schrift, die leert dat wij de goddelijke natuur deelachtig zullen zijn, daarin ziet op een innige gemeenschap met Chris­tus, welke vereniging van de menselijke en goddelijke natuur involveert, dan is er — als wij de val voor een ogenblik buiten beschouwing laten — geen enkele aanwijzing, dat zulk een vereniging door vleeswording zou plaats vinden, omdat die vereniging ook dan niet de aardse, maar de geestelijke mens zou ten deel vallen, welke God blijkens het getuigenis van 1 Cor. 15 op het oog heeft.

Berkouwer wijst met nadruk op Barth's onderscheiding van het negatieve aspect der schepping (dat derhalve een normaal verschijnsel bij het schepsel zou zijn) en het nietige. Wij hebben immers reeds opgemerkt, dat het nietige, het door God niet gewilde, een bedreiging vormt voor het schepsel, wel te verstaan volgens de voorstelling van Barth. Zijn triomf is dan ook om te beginnen een triomf over deze bedreiging.

Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat Barth de Voorzienigheid Gods ziet als een handelen Gods, dat gericht is tegen de bedreiging van het nietige. (Vgl. Berkouwer, T. d. G., blz. 64, K. D. III, 3, pag. 84).

Wat is dan eigenlijk de werkelijkheid van het nietige ? , zo vraagt Berkouwer. De beantwoording van die vraag brengt ons weer bij Barth's opvatting van Gen. 1 : 2, waarin hij leest, dat God de chaos voorbijging. Die chaosgedachte is reeds eerder te pas gebracht en stamt, zoals opgemerkt, uit de Griekse gedachtenwereld, maar zij is naar ons gevoelen niet Bijbels.

, , Het nietige is een mogelijkheid", zo omschrijft Berkouwer, , , die God in zijn raadsbesluit verwierp, die Hij niet wil en nimmer zal willen, een , , werkelijkheid", die staat onder het machtige, toornige néén Gods en zo werkelijkheid heeft en is. Barth spreekt van negatieve werkelijkheid, zo voegt hij er aan toe, waarover God van eeuwigheid het oordeel heeft uitgesproken. (Vgl. T. d. G., blz. 65).

De mens als creatuur heeft over de bedreiging van deze negatieve werkelijkheid geen macht, maar wordt bedreigd, en het behoort ook niet tot zijn taak die bedreiging te overwinnen. (T. de G., blz. 65).

Men kan daaruit dus concluderen, dat het Gods taak is en dat Zijn onderhoudend handelen bescherming tegen en afweer van de bedreiging is.

In deze bescherming tegen de overweldiging van het nietige leeft de mens derhalve uit Gods genade.

Een heel merkwaardige voorstelling van de overwinning van Gods triomferende genade over de bedreiging van het nietige treedt in de volgende zinsnede voor de dag : Door Gods triomferende genade wordt de wereld onderhouden. Het gaat om de overwinning van wat onder Gods rechterhand geschiedt over wat onder Zijn linkerhand geschiedt.

Het nietige bestaat dus alleen onder Gods linkerhand. Het is niet Gods eigen schepsel, maar staat wel onder Gods macht. Het is een zijn van uit Gods toorn en gericht als de keerzijde van Zijn eeuwig ja. Juist daarin bestaat het nietige, dat het niet Gods schepping is. Het is er van den beginne, zo zeker als Gods ja van den beginne Zijn neen impliceert. (T. d. G., blz. 67).

Wij hoorden onlangs een hooggeleerd oordeel van de philosophie, dus niet van de theologie van Barth spreken. De leer van het nietige kan dat rechtvaardigen. Maar de stelling is in beiderlei opzicht zwak. Gods ja en neen staan toch niet onder de wet, dat a kan worden onderscheiden, omdat er ook non-a is.?

Gods ja, zeg Gods scheppende wil, kan overigens slechts neen, niet willen, impliceren ten aanzien van een concreet schepsel, dat niet aan zijn bestemming beantwoordt.

Een vergelijking met wat Barth in de aangegeven loca schrijft, kan aantonen, dat Berkouwer zich veel moeite heeft gegeven om Barth's visie getrouw weer te geven, hetgeen niet altijd even gemakkelijk is. Men moet ook  telkens weer het geduld van Berkouwer bewonderen om bij een beschrijvende weergave te blijven.

Toch bekruipt ons telkens het gevoelen, dat een kritische noot, wanneer daartoe aanleiding is, en die is er, zoals wij hebben kunnen opmerken telkens, aanbeveling had mogen verdienen.

Wij zijn althans genoopt het verhaal over het nietige weer te onderbreken. Slaan wij K. D. III, 3, blz. 402 v.v. op, dan kunnen wij ontdekken, dat Barth, wat de kennis van het door hem gestelde nietige aangaat, naar de openbaring van God in Zijn verhouding tot het nietige verwijst.

Het handelen Gods, zo betuigt Barth (K. D. III, 3, 405) is op verkiezing gegrond. Wat Hij niet verkiest, verwerpt Hij. Hij verkiest, wat Hij wil, en wat Hij verkiest, wil Hij, maar wat Hij niet wil, verwerpt Hij en Zijn niet-willen, Zijn toom is tegen het verworpene. Hij zegt ja en neen. En dan komt ook het werk ter rechterhand en ter linkerhand. Gods genade gaat over het eerste en Zijn toorn is tegen het laatste, dat er is als , , onmogelijke mogelijkheid".

Het is met het oog op deze generale grondslag: Gods handelen op verkiezing gegrond, dat wij deze plaats afzonderlijk aanhalen, hoewel een en ander ook bij Berkouwer aan de orde komt.

Met de verkiezing raken wij aan de centrale gedachte van Barth's dogmatiek, waarin ook zijn theorie van het nietige gefundeerd is.

De verkiezing brengt ons bij het raadsbesluit, waarvan boven melding werd gemaakt: Het nietige is een mogelijkheid, die God in Zijn Raadsbesluit verwierp.

Wij vragen, wat weet Barth af van de mogelijkheden, die God in Zijn Raadsbesluit verwierp, waartegen Hij neen zegt en toornt, eeuwig toornt! ?

Kan er in God, in Zijn Raad, wat opkomen, waartegen Hij toornt?

Barth zal wel zeggen, dat hij zulk een tweespalt in God niet erkent, maar hij stelt zelf dingen, die God in Zijn Raadsbesluit verwerpt. Waar kunnen die vandaan komen, anders dan uit God zelf, n.l. de mogelijkheden, welke Hij verwerpt, waartegen Hij neen zegt, waartegen Zijn toorn ontbrandt ?

Wat Barth verkiezing noemt, leidt tot dezelfde vraag, want Barth laat de verkiezing Gods gaan over mogelijkheden, waartegen Hij ja zegt en andere, waartegen Hij neen zegt.

Wat moet men zich daarbij anders voorstellen, dan dat al die mogelijkheden voor God verschijnen en door God worden beoordeeld of niet beoordeeld, maar in ieder geval verkozen of verworpen. Dus God verwerpt mogelijkheden, die uit Hem zelf opkomen, of mogelijkheden, die, door welke Rede dan ook-, voor Hem worden gesteld en waaruit Hij heeft te kiezen.

In het eerste geval zou God toornen tegen zichzelf. In het laatste geval zou Zijn toorn gaan tegen een onafhankelijke Rede.

Zou Leibnitz toch achter de schermen werken ?

In ieder geval is een dergelijke voorstelling zozeer in strijd met de almacht en de heiligheid Gods, dat men op Schriftuurlijke bodem zoiets niet kan beamen.

Bovendien is daarmede ook alle grond weggezonken voor Barth's , , nietige", dat op de verwerping is gebouwd van mogelijkheden in Gods Raad, omdat mogelijkheden buiten Gods Raad niet op het tapijt kunnen worden gebracht. Zulke inslulpsels, in of buiten God gedacht, behoren tot het rijk der fabelen.

Hoe het dan bij een man van zo groot talent kan opkomen?

Barth streeft er naar de dingen , , van God uit te zien", maar als voor ieder sterveling zijn het al , , dingen", als hij er zich mee bezighoudt.

Zo betekent „van God uit", als wij ons niet strikt houden aan de Heilige Schrift, voorzover deze ons mededeling doet uit de Raad Gods, van de dingen uit en die. teruggeworpen in God. Dan krijgen wij zulke voorstellingen, alsof het in God's  Raad op dezelfde wijze toeging als in onze overleggingen.

Het negatieve aspect van dit leven, waarover boven even werd gehandeld, Gods gebod en verbod, de sprake van de consciëntie, het gevoel van de toorn Gods, de duidelijke uitspraak van Gods Woord niet vergeten, dat alles geeft een onafwijsbare openbarirg van het kwaad in., de wereld.

Het geloof en het religieus gevoel zeggen, dat het kwaad zijn oorsprong niet in God kan hebben. Maar, als God de wereld heeft geschapen, goed geschapen, hoe is het dan mogelijk, waar komt het vandaan, hoe komt het in de wereld? Ziedaar een vraag, die de mensheid van ouds heeft beziggehouden.

Ten dele heeft Barth dit oude probleem willen opruimen door van een positief en een negatief aspect van de schepping te spreken als normaal, als behorende tot haar volkomenheid. Wij hebben daarop reeds gewezen.

Het negatief aspect is voor Barth een gevaarlijk aspect, want wij komen hier aan de behoeftige kant van de mens, waar hij vatbaar is voor de bedreiging van de Barthiaanse nietigheid.

Hier duikt de zonde op, die voor Barth daarin bestaat, dat de mens de genade Gods veracht, die. hem tegen het gevaar van het nietige wil beschermen.

Hij vervalt aan het nietige en daardoor onder de toom Gods. Immers God toomt tegen het nietige.

Barth kan dat goddeloosheid noemen, maar dan wordt de goddeloosheid, waarvan Rom. 1 : 18 v.v. spreekt, toch zeer vervlakt.

De openbaring van de toorn Gods wordt in de beschouwing van Barth met het nietige verbonden, want dat is immers wat God niet wil.

Welnu, de toom Gods gaat tegen wat God niet wil. Dat wat Hij niet wil, heeft Hij zelf niet geschapen. Die toorn moet dus gaan tegen wat God niet heeft geschapen. Maar hoe is het er dan ? Niet geschapen en toch werkzaam. De mogelijkheid der zonde kan volgens Barth ook niet in het schepsel liggen, want God heeft het goed geschapen.

Ziedaar de weg naar de fictie van het nietige, als men niet wil aanvaarden, dat de mogelijkheid tot de val met de schepping van de mens naar Gods beeld gegeven is.

Waarom deze mogelijkheid nu niet tot de volkomenheid van de schepping van de mens naar Gods beeld kan behoren, terwijl dat met een negatief aspect der schepping volgens Barth wel het geval is, zal wel met de theorie van het nietige saamhangen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET NIETIGE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's