De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE PRIKKEL VAN HET NIET

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE PRIKKEL VAN HET NIET

11 minuten leestijd

Het nietige is ook niet. eenvoudig ident met hetgeen niet is : Wat God niet is, wat het schepsel niet is, zo schrijft Karl Barth op blz. 403 van K. D. III 3.

Dat is in het voorafgaande wel duidelijk geworden, nochtans is het niet-zijn, dat hier wordt aangehaald, de moeite van nadere bepaling en bezinning wel waard.

God is niet schepsel. Wij kunnen het nog anders uitdrukken. God is niet niet- God. Wij hebben in ander verband al een- en andermaal er op gewezen, dat God God is, dat in God alles God is, dat wij niets, maar dan ook niets kunnen noemen, dat naast God zou be­staan. Wij kunnen niet eens zeggen, dat God het Heelal vervult, hoewel daarin ook waarheid schuilt, want het Heelal leeft, beweegt en is in God. (Hand. 17 VS. 28).

Daarentegen, als wij zeggen God is niet schepsel, dan is dit als essentiële onderscheiding volkomen juist. God onderscheidt zich van het schepsel.

Als Calvijn ook toegeeft, dat wij op , , vrome wijze" kunnen zeggen, dat de natuur (Calvijn bedoelt de schepping) God is, dan verliest hij die wezensonderscheiding tussen God en Zijn schepsel niet uit het oog, maar dan ziet hij op de zeer nauwe betrekking tussen Zijn scheppende Woord, dat van Hem uit-gaat, en het schepsel, dat daardoor in het aanzijn wordt geroepen en gehouden. Deze nauwe betrekking wordt door hem o.a. uitgedrukt, als hij zegt, dat God zovele lampen ontstoken heeft, die de kenmerken van Zijn Majesteit dragen. Hij ziet op de werkzame alomtegenwoordigheid Gods in de schepping.

God is niet schepsel, is derhalve een oordeel van wezensonderscheiding.

Het schepsel is niet God. Dat is ook een wezensonderscheiding. Nochtans kan de gemeenzaamheid van God met Zijn schepsel zó groot zijn, dat in de mens de gedachte kon post vatten als God te zullen zijn. Deze hoogmoedige begeerte werd hem ten val en in zijn zondestaat heeft de begeerte om als God te zijn, de hoogste wijsheid naar hij meende, gezocht in de zelfmisleiding God te zijn.

Het niet-God-zijn van de mens heeft in de zondeval naar het getuigenis der Heilige Schrift een rol gespeeld: Gij zult als God zijn, bleek een aanlokkelijke gedachte voor de mens.

Dit is het meest rampzalige voorbeeld van de prikkel van het niet-zijn. Uit de aard van de zaak is het schepsel beperkt, binnen zekere bepaaldheden besloten. Ieder schepsel heeft zijn eigen bepaaldheden, zijn eigenschappen, vermogens, werkingen en functiën. De ervaring van deze bepaaldheden leidt er van zelf toe de onderscheidingen op te merken en zich zelf te onderscheiden van de ander.

In die zelfonderscheiding treedt het negatieve naar voren: ik ben niet zus en zo, — en wat even zwaar weegt — ik heb niet dit of dat.

Niet hebben en niet zijn zijn boosdoeners onder de mensen, die werkzaam worden, zodra de begeerte komt. In de saamleving wordt het niet hebben, wat een ander heeft, het niet zijn, gelijk een ander is, zo openbaar. Naijver en jaloersheid komen de rust en de vrede verstoren. Haat en nijd nemen de overhand en het conflict wordt tot openlijke strijd.

Toch zit in het niet hebben en het niet zijn op zichzelf genomen geen bron van strijd en zonde. De zonde neemt daarin aanleiding door de begeerte. Vandaar het gebod: Gij zult niet begeren, waarbij begeren van Godswege tot zonde wordt verklaard.

Datgene, wat wij niet hebben of niet zijn en dat door ons waargenomen wordt in het bezit van anderen en in het bestaan van anderen, kan object van begeerte en jaloezie worden en tot zonde verleiden.

Doch dan staat het dus zó, dat wij met concrete schepselen van doen hebben, met gaven en eigenschappen, die bij ons gemist worden en wij ontdekken dat, omdat zij bij anderen worden gezien óf — in een wereld van zondaren doet ook de verbeelding zoveel kwaad — bij anderen worden ondersteld.

Dit niet-zijn of niet hebben heeft alzo niets, met het nietige uit te staan, waarover Barth handelt, dat geen schepsel is en toch werkzaam.

Dit niet-zijn en niet-hebben behoort inderdaad tot het creatuurlijke zijn en valt onder het goddelijk oordeel: „En God zag, dat het goed was". Dat het ene schepsel heeft, wat het andere niet 'heeft, dat het ene schepsel anders is dan het andere, of dat deze in mate en graad verschillen, behoort tot de normale variaties in Gods schepping. (Vgl. 1 Cor. 15 : 38 v.v.) God geeft aan een iegelijk gelijk Hij wil.

Dat is het verschil met de speculatie van het nietige : Het niet-zo zijn van het één, en het anders zijn van het andere, is positief door Gods wil bepaald, omdat Hij het zijn, het bestaan en de plaats van ieder schepsel bepaalt.

De apostel Paulus brengt die verscheidenheid terug tot Gods wil. Daar ligt nu weer de zaak.

Zonde, hoe raadselachtig het iemand moge voorkomen, dat zij in de wereld, in Gods goed geschapen wereld, is ingekomen, zonde is verzet tegen Gods wil, en daarom ongehoorzaamheid.

Door de ongehoorzaamheid van één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood.

Dat verzet kan echter niet opkomen uit een overigens onpersoonlijk nietige, dat uit het niet willen Gods zijn werkelijkheid zou ontvangen.

Het verzet kan alleen werkelijkheid worden, als verzet van een andere wil, dan Gods wil, m.a.w. door een willend wezen. Een wezen dus, dat wat anders wil dan God wil. Dat betekent, dat het verzet welbewust gaat tegen een uitgedrukte wil, een geopenbaarde wil van God.

Dat anders willen wordt dan ook gedreven door begeerte naar wat anders. Het willen komt immers uit het woelen der begeerte op. Zo wordt ons ook de zondeval van onze, eerste voorouders beschreven. De begeerte rijpt onder de valse voorspiegelingen van Satan.

En bij Satan zelf? Dat proces moet op overeenkomstige wijze in Satan's hart ontstaan zijn en beslag gekregen hebben.

Gods wil omtrent de mens is hem bekend geweest. De engelenwereld heeft kennelijk wat met de mensenwereld te maken, als wij op de dienst der engelen in de Schrift letten. Hij heeft Gods wil aangaande de plaats van engel en mens veracht, omdat hij zich aan Gods weg en bedoeling niet wenste te onderwerpen. Hij begeerde wat anders en doodde de mens. Christus noemt hem een mensenmoorder van den beginne en een vader der leugen.

Het is de wil Gods om de schepselen zó te maken, als zij zijn, met al de verscheiden heerlijkheid, waarvan de apostel 'Paulus spreekt. (1 Cor. 15).

Niets kan zich tegen Gods wil roeren of bewegen. Geen muske valt zonder Zijn wil ter aarde.

De godvruchtige ziel zal dus hetgeen hij heeft en is, uit Gods hand ontvangen, doch hoe ver ligt het van de mens, om in alle dingen en onder alle omstandigheden zó gezind te zijn?

Wie er bij stilstaat, zal toegeven, dat de twee genoemde nieten aanleiding zijn, in de gevallen mens hartstochten op te wekken, die de saamleving met ellende en verwarring vervullen kunnen.

Als de Heere het zelf niet bedwong, zou het leven op aarde worden verteerd.

Daarom zegt de Schrift: Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet. (Vgl. Galaten 5 : 16 V.V.). De gevallen mens is een zoeker van zichzelf en daarom meet hij naar zichzelf en richt zijn doen en laten naar zich zelf.

Instede van Gods eer te zoeken, zoekt hij zijn eigen eer.

De mens wil zo gaarne zijn, wat hij niet is, en hij wil niet zijn, wat hij is : een zondaar voor God. Instede van zich te laten leiden door het Woord Gods, laat hij zich dikwijls verleiden door de begeerte van dingen, die hij niet heeft, en van een staat, die hem niet is beschoren.

Zo wordt de mens in een wereld van Gods schepping verijdeld in zichzelven.

Het niet speelt derhalve toch wel een grote rol in ons verzondigd leven, maar nu toornt God niet tegen het niet, want het niet heeft geen enkel bestand.

De koe is een koe en geen haas. Een eik is een eik en geen beuk. Zo is het met alle dingen. Ja zo is het met een iegelijk. Een iegelijk neemt een enige, wijl persoonlijke plaats in in Gods schepping, hoe groot en uitgebreid die wezen moge.

Juist, omdat het zo is, dat iedere persoon een enige is, dat er slechts één zo is temidden van de geslachten der mensheid, heeft hij ook een persoonlijke betrekking tot God Zijn Schepper en een persoonlijke roeping, in welker betrachting zijn leven behoort op te gaan.

Dat is een verscheidenheid, welke alleen in de dienst van de enige God een eenheid vormt. Immers één geloof, één doop, één Heere! In de dienst des Heeren met een volvaardig gemoed ligt de harmonie der verscheidenheid.

In die harmonie zijn geen nieten aan het werk, want een iegelijk acht de ander uitnemender dan zichzelf, alle gaven worden gezien als Gods gaven en allen zoeken de ere Gods.

Hoe dat is beschrijft de apostel in hetzelfde 'hoofdstuk van Galaten. (Vgl. v. 22).

Gij zult zeggen, dat is een onbereikbaar ideaal.

In zoverre ja, want hét was het ideaal van de naar het beeld Gods geschapen mens. Hij was niet tevreden met zijn plaats en roeping, want hij wilde als God zijn. Hij was mens en geen God.

De macht van het niet is de macht der begeerte. Een ijdele macht, die zich vergeefs tegen God stelt, maar een werkzame macht in de gevallen wereld, zodat de nieten worden vermenigvuldigd : ongeloof, ongehoorzaamheid, ongerechtigheid, onbarmhartigheid, ongebondenheid, onverstand, ontucht en zovele ondeugden meer.

Dat alles geeft waarlijk een negatief aspect aan het leven, doch niet als een normale metgezel van het positief aspect. Het is een parasiet der ongerechtigheid, die op de goede gaven Gods teert en in zichzelf geen bestand heeft.

Zoals wij reeds opmerkten is Gods toorn niet gericht tegen deze ijdelheden, maar tegen de mens, die Zijn wil wederstaat.

En toch werken al die nieten aanstekelijk in de saamleving. Daaraan kan men zien, dat de gevallen mens  de ijdelheid is onderworpen. Zonde en goddeloosheid vinden gerede navolging, meer dan de vreze Gods.

Het valt dan ook niet te, ontkennen, dat de zonde over ons geslacht heerst als een boze macht, die de wil Gods wederstaat, en wordt gevoed door goddeloze begeerten.

Dat is het kenmerkende niet van de oorsprong der zonde: , , Ik wil niet, dat Gij Koning over mij zijt".

Het grote voorrecht is, dat God ondanks Zijn toorn tegen de zonde en de zondaar, daartegenover niet een goddelijk niet heeft gezet, dat Hij niet heeft gezegd: Ik wil met de mens niet meer van doen hebben. Ik laat hem in zijn ijdelheid omkomen.

De Schrift leert, dat God de gevallen mens opzoekt, niet zonder hem te straffen, maar met genade van verzoening en de belofte ener nieuwe toekomst.

Dat is de genade, welke ons in de Heilige Schrift wordt geopenbaard. Genade voor een zondaar, die willens en wetens zich verzet tegen de uitgesproken wil Gods en tegelijkertijd tegen God en tegen zijn eigen wezen zondigde.

Dat is een andere genade dan de genade tegen de gevaren van het nietige, een bedreiging die zou voortkomen uit het niet-geschapene, tegen welker macht de door Godgeschapen mens niet bestand zou zijn geweest, zodat de genade Gods hem reeds vanwege de door de schepping ontstane situatie moest te hulp komen.

Dat was dus in haar soort een , , normale" genade, die bij de schepping hoort, omdat die nietige macht er ook bij hoort.

De zonde kon slechts daarin bestaan, dat deze genade werd afgewezen, en het merkwaardige is, dat er dan toch nog genade kan zijn voor die afgewezen genade.

Dat is anders dan de Schrift leert. De genade der Schrift echter is een nederbuigen van de hemel om een zondaar barmhartigheid te bewijzen, die onder de toorn Gods verkeert vanwege zijn overtreding.

Onderworpen aan de toorn Gods en nochtans object van genade.

Ook hier zou men van de triomf der genade kunnen spreken, maar de triomf en de genade dragen een ander karakter dan in de structuur van het nietige.

De triomf der genade gaat gepaard met en is tegelijkertijd triomf der gerechtigheid tegenover de ongerechtigheid, triomf der waarheid tegenover de leugen, triomf van de scheppende heerlijkheid Gods in de herschepping van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE PRIKKEL VAN HET NIET

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's