DE DORDTSE LEERREGELS
Hoofdstuk 1. Artikel 7. De verkiezing is een onveranderlijk voornemen Gods
Daar is een uitverkiezing Gods. Die uitverkiezing heeft op meer dan één zaak betrekking. David werd uitverkoren tot koning. De broers van David werden ala koning verworpen. God ging hen voorbij. Doch daar is ook een uitverkiezing, die betrekking heeft op het (hoogste wat er is. Wat is het hoogste ? De kennis van en de gemeenschap met God. In het voorafgaande stuk hebben we gezien, dat God een voornemen heeft om zichzelf te schenken aan deze en die. God heeft Israël verkoren omdat Hij dat volk liefhad. Zo heeft de Heere ook een volk uitverkoren om dat tot de zaligheid te brengen. De Schrift zegt er van: , , Die Hij. tevoren verordineerd heeft, heeft Hij ook geroepen". Daar was dus eerst een voornemen, een besluit. Hierin zijn de mannen van de Reformatie en van de nieuwe leer uit onze dagen het eens. Daar is een voornemen Gods om zalig te maken. Onze belijdenis zegt echter, dat dit voornemen niet alle mensen omvat en prof. Bartih betoogt, dat dit voornemen juist wel over alle mensen gaat, want allen zijn uitverkoren. Op dat verschil hopen we terug te komen. In dit artikel moeten we onze aandacht wijden aan een ander verschilpunt.
Artikel 7 zegt, dat de verkiezing een onveranderlijk voornemen is. Tegenwoordig wordt dat van meer dan één zijde ontkend. Men houdt het er voor, dat Gods voornemen veranderlijk is. Verkorenen kunnen verworpen worden en omgekeerd. Dr Woelderink o.a. heeft zich tot tolk van deze gedachte gemaakt. Hij behandelt in zijn werkje over : , , De Uitverkiezing" ook , , het boek des levens". Bij de bespreking van dit Schriftgegeven komt het duidelijkst zijn mening over de veranderlijkheid van Gods verkiezing openbaar. Dat is een heel gewichtige stelling. Als de Apostel Paulus in Romeinen 8 de gouden keten der zaligheid met jubelzang heeft beschreven besluit hij dit gedeelte van zijn brief met de betuiging : , , Ik weet en ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch enig ander schepsel mij zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus".
Waarom zou niets ooit de Apostel kunnen scheiden van de liefde Gods ? Toch zeker niet, omdat Paulus zo'n onveranderlijk man was, die God wel vast kon houden. Waarom lag deze zaak dan zo vast ? Toch zeker vanwege de onveranderlijkheid van Gods voornemen. Die God heeft verkoren heeft Hij ook geroepen en gerechtvaardigd en verheerlijkt. Wanneer iemand gaat leren dat God veranderlijk is en dat de Heere niet de getrouwe God is, maar dat Hij vandaag iemand verkiest tot zaligheid maar hem morgen weer loslaten kan, dan wordt toch aan al Gods volk de vaste grond ontnomen ? God staat niet meer voor hen in. En hoewel dit volk menigmaal vreest, dat de Heere hen zal verwerpen, toch zou het een heel stuk zijn, als tegenover deze gedachte, die bij- hen opkomt niet meer gezegd kon worden: „Ik, de Heere, worde niet veranderd".
Dr Woelderink staat in de leer van deze veranderlijkheid der uitverkiezing niet alleen. Prof. K. Barth leert eveneens de veranderlijkheid der verkiezing. Als ik het goed versta tenminste. Want hoe zegt Barth het? Op blz. 466 van izijn K. D.' II 2 vraagt hij : Voor welke velen is de Heere Jezus ? Hij antwoordt: Voor een open veelheid.
Dus daar kunnen er altijd nog bij en nog af. Het is echter een veelheid, geen alheid, om dat lelijke, woord hier te gebruiken. Wij kunnen, zegt Barth, hier niet van alle mensen spreken. Waarom, niet ? Is dat vanwege de beperktheid of onmacht van de werkelijke en geopenbaarde wil Gods, die in Jezus Christus is ? Neen, die wil Gods is op alle mensen gericht. Dat volgt uit 1 Tim. 2 : 4.
Gods bedoeling is op alle mensen gericht en Zijn vermogen is machtig genoeg tot redding van alle mensen.
Barth wijst dan op de vele teksten, waarin Christus genoemd wordt in verband met de wereld. Hij is het Licht der wereld. Hij draagt de zonde der wereld. Hij geeft aan de wereld het leven. Merkwaardig is nu, dat Barth toch niet de stelling verdedigt, dat de Christus alle mensen zaligt. Het is leerzaam hem hier te volgen, dunkt mij, in zijn betoog. Christus is dus niet voor allen, doch voor velen. Gods intentie en vermogen is echter op alle gericht. Wat is hieruit zijn conclusie ? Dat het niet geoorloofd is van de open veelheid dergénen, die in Christus zijn uitverkoren, een gesloten getal te maken, waar tegenover dan de andere mensen als verworpenen staan.
Deze conclusie past niet bij de aangevoerde teksten, want daar is telkens sprake van de wereld en Barth voert ze aan als bewijs, dat God allen bedoelt.
In zijn redeneerwijze past alleen maar dat God allen heeft uitverkoren tot zaligheid. Maar goed, hij pleit voor een open veelheid en tegen een gesloten getal. Hier rijzen al direct een paar vragen op. Staat het niet vast, wie er zalig zullen worden, is dat bij God niet bekend ? Dat zou strijden met Gods alwetendheid. Het staat dus bij God vast. Hij weet wie er zalig zullen worden en wie niet. Dit getal is gesloten. Of zou er geen wetenschap zijn bij de Alwetende? Zou de Heere God met grote nieuwsgierigheid uitzien naar de jongste dag om dan te weten, wie er zalig zullen worden ? Dat hebben zelfs Pelagianen of Armenianen of wie ook nooit geleerd. Aan een vast getal ontkomt Barth dus nooit. Maar bij God is niet alleen voorkennis. De voorkennis uit Rom. 8 : 29 is geen passief vooruit weten. Het woordenboek zegt: In het N. T. wordt tevoren - kennen van God gezegd. Zijn voorwetenschap echter is een uitverkiezen of tevoren bepalen, waarvan het voorwerp is de Zijnen of Christus". Dus God zelf bepaalt, wie Hij zal roepen, rechtvaardigen, verheerlijken. Zou er ooit één meer zalig kunnen worden, dan door God zelf tevoren bepaald is ?
De Schrift spreekt zich hierover duidelijk uit. Die God tevoren gekend heeft, die heeft Hij geroepen. Daar zit echter een goed stuk waarheid in hetgeen Prof. Doekes heeft opgemerkt in zijn rede : , , Dordt tegen Barth". , , Het pleit voor Karl Barth, dat hij in zijn theorie over de verkiezing grotendeels voorbijgaat aan .Schriftplaatsen die in Dordrecht zijn erkend als hoekstenen voor de belijdenis van 's Heeren gunstbewijzen. Natuurlijk mag niet van Barth worden verlangd, dat hij elke tekst behandelt, die in de Canones van Dordt wordt aangevoerd. Maar het mag ons niet ontgaan, dat hij in zijn betoog zo goed als zwijgt over Schriftplaatsen als : Efeze 2 : 8, Fil. 1 : 29, Hand. 13 : 48, Matth. 11 : 21, 25 enz. Deze teksten zoeken wij tevergeefs in het omvangrijke deel van Barth's dogmatiek, waarin hij zijn theorie over de verkiezing breedvoerig adstrueert. Over Rom. 8 : 30 (in de Leerregels aangeduid als de , , gulden keten van onze zaligheid") maakt Barth slechts in het voorbijgaan een enkele opmerking. Het kan niet anders of wij moeten constateren dat zijn betoog op het punt van het Schriftbewijs een ernstige leemte vertoont".
Maar als nu God de Zijnen tevoren gekend heeft in de dubbele zin van gekend en tevoren bepaald om zalig te worden, hoe is dan mogelijk dat we van een , , open veelheid" moeten spreken. Het is toch immers de leer der Schrift, dat er zonder de levendmakende genade Gods niet één bij kan komen. Het geloof komt niet uit de natuurlijke mens, maar het is een gave Gods. En God heeft tevoren bepaald aan wie Hij, het zal schenken. Met welk recht kan men dan zeggen, dat het een open veelheid is ?
Daar komt nog bij, dat in alle belijdenissen de zaligheid als een werk.Gods wordt erkend. Bavinck merkt op : , , Ten derde is het het eenparig getuigenis van alle religieuze christelijke ervaring, dat de zaligheid beide in objectieve en in subjectieve zin enkel en alleen Gods werk is. In de leer moge iemand pelagiaans wezen, in de praktijk van het christelijk leven, in het gebed bovenal, is ieder christen Augustiaans. Dan sluit hij alle roem uit en geeft Gode alleen de eer".
Dus het ligt zo. Bij de voorwetenschap Gods staat het getal vast. Zijn voorwetenschap is bovendien een voorbepaling. Zo mogelijk staat het getal daardoor nog vaster. , , Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend". „Daar geloofden er zovelen als er verordineerd waren tot het eeuwige leven". , , Die Hij tevoren gekend heeft, deze heeft Hij ook geroepen". Maar als de Schrift zo spreekt en de dingen zo liggen, hoe kan Barth dan spreken van een open veelheid ? Het lijkt mij niet mogelijk, dat dit denkbaar is. Dat het niet Schriftuurlijk is, zagen we reeds. Maar is het wel denkbaar ? Bavinck merkt op : „Zowel formaliter als materialiter, beide naar quantiteit en qualiteit staat dus het getal dergenen, die zalig, worden, volgens de belijdenis van alle christelijke kerken onwrichtbaar vast. Maar indien dit erkend en ingedacht wordt, is de praesciëntia (voorwetenschap) met de providentia (voorzienigheid) en praedestinatio (voorbestemming) één en hetzelfde. God heeft vooruit geweten wie geloven zouden, en weet dat eeuwig en onveranderlijk. Zo zullen dezen in de tijd ook zeker onfeilbaar komen tot het geloof en tot de zaligheid. Voor vrijheid in de zin van toeval en willekeur blijft er op dit standpunt nergens enige ruimte over". Tenzij men een zelfbeperking Gods in Zijn weten, willen en kunnen aanneemt. Dit lijkt mij niet te liggen in de lijn van Barth. Doch waar grondt hij -deze onbepaaldheid van het getal der gezaligden op ? Omdat een vast getal strijdt met de werkelijke en geopenbaarde wil Gods. Hier kijk ik even van op. Heeft God werkelijk geopenbaard, dat Hij alle mensen zalig zal maken ? Daar kan er nooit één zalig worden, tenzij God hem opwekt uit de doden. Maar is dit werkelijk ergens geopenbaard, dat de Heere dit ieder zal doen ? Hier slaat Barth toch wel de plank mis. De Heere Jezus heeft gezegd, dat het niet allen geopenbaard is, doch wel aan de discipelen. Het Evangelie kan. men wel noemen het evangelie der uitverkorenen. Telkens zegt Jezus: deze niet en die wel. Rechtvaardigen niet, zondaren wel. Wijzen en verstandigen niet, kinderen wel. Velen niet, weinigen wel. Het is nergens geopenbaard, dat God allen zalig zal maken. Voorts zegt Barth, dat er maar één verwerping is, n.l. die van Jezus Christus. Daar lees ik nu weer niets van in de Bijbel. Bij mijn weten staat er nergens, dat de Heiland de Verworpene des Vaders is. Hij wordt wel genoemd de Uitverkorene en de Geliefde. Doch wel lezen wij, dat het Koninkrijk Gods niet aan alle mensen geopenbaard wordt. De Heere Jezus zou de verwerping hebben weggenomen voor alle mensen. Waar staat dat ? Ik lees wel dat Hij Jezus moet heten, omdat Hij Zijn volk zalig zal maken van hun zonden. De Heere Jezus spreekt niet van allen. Ja maar, zegt Barth dan, in Joh. 6 : 37 staat, dat Jezus Christus niet zal , uitwerpen, die tot Hem komt. Hier vraag ik mij toch af, wat deze tekst met de open veelheid van doen kan hebben ? In hetzelfde hoofdstuk staat immers, dat niemand komt, niet kan komen zelfs, tenzij de Vader hem trekke. Daar is een volle vrijheid om tot Christus te komen voor iedere arme zondaar. Doch niemand komt dan diegene die volgens het eeuwig voornemen Gods wordt getrokken. Het zal wel aan mij liggen, dat ik de geweldige genialiteit van deze grote man op dit punt niet kan verstaan, maar zijn betoog komt mij nogal zwak voor. Het betoog houdt ook in het minst geen rekening met de toestand waarin de mens door de val in Adam terecht gekomen is. Maar waarom wil Barth niet spreken van alle mensen? Een gesloten getal kan het niet wezen. Het staat bij God niet vast wie er zalig zullen worden. Maar toch wil hij niet spreken van allen. Goed verstaan, het zou wel kunnen zijn, dat allen zalig worden, doch dat staat voor hem en volgens hem niet vast. Als grond hiervoor geeft hij op, dat God vrij is. In .Jezus Christus hebben wij te doen met de vrije wil Gods tegenover de wereld en ieder mens persoonlijk. Daar is geen andere vrijheid Gods dan die openbaar kwam in de liefde van Christus. En daar is geen andere liefde Gods, dan waarvan in het evangelie van Johannes gesproken wordt. Welke liefde is dit en welke vrijheid heeft God in Christus betuigd ? De vrijheid en de liefde die zich daarin uitwerkt dat alleen "zij tot Christus komen en door Hem worden aangenomen die door de Vader aan de Zoon zijn gegeven en door de Vader tot de Zoon getrokken worden. Dat is taal die wij kunnen waarderen. Het is immers bijbeltaal. Maar hoe kan men zich dan verzetten tegen de gesloten veelheid, wanneer er nimmer iemand zalig kan worden, dan die God zelf trekt en aan de Zoon gegeven heeft, zoals Joh. 6 : 39 zegt. Als ik Barth goed versta wil hij dat gegeven heeft over het hoofd zien en het er voor houden, dat de zaak der verkiezing Gods onbeslist is tot op de laatste dag van iemands leven. God weet niet, wat Hij zal doen. Mij komt deze gedachte absurd voor, doch ik zie geen kans om Barth anders te verstaan. Hij betoogt dat Gods intentie en vermogen in Gods handen blijft en dat wij de grenzen daarvan niet kiuinen beperken en niet kunnen uitzetten. Wij hebben over de grenzen van Gods liefde in Christus niet te beschikken. Dat is zeker, maar als God nu zelf in Zijn Woord zegt, dat Hij er over beschikt heeft en dat er een vast getal van uitverkorenen is en dat Christus voor al de gegevenen des Vaders eeuwige zorg draagt, mogen wij dat wel ontkennen. Mogen wij over het geopenbaarde Woord Gods beschikken en het onder tafel werpen. Daar staat toch duidelijk in Joh. 6 : 39 : „En dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze". Met deze tekst voor ogen kan men toch niet zeggen, dat het getal niet vaststaat ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1956
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1956
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's