De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BARTH'S VERKIEZINGSLEER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BARTH'S VERKIEZINGSLEER

12 minuten leestijd

II.

Het object der praedestinatie of liever der verkiezing is volgens Barth, zoals in het voorafgaande kon worden opgemerkt, Jezus Christus, dus niet de individuele mens X. en Y., zoals hij zich uitdrukt. Dit zou het oud-theologische (gereformeerde) standpunt zijn.

Helemaal juist is dat niet. Vgl. art. XVI van de Ned. Geloofsbelijdenis. Daarin wordt gezegd: „Barmhartig: doordien, dat Hij uit deze verderfenis trekt en verlost degenen, die Hij in Zijn eeuwige en onveranderlijke raad, uit enkel goedertierenheid uitverkoren heeft in Jezus Christus, onze Heere, zonder aanmerking hunner werken. Rechtvaardig : doordien Hij de anderen laat in hun val en verderf, waar zij zichzelven in geworpen hebben".

De Dordtse Canones I. 7.: „Deze verkiezing is een onveranderlijk voornemen Gods, door hetwelk Hij voor de grondlegging der wereld een zekere menigte van mensen, niet beter of waardiger zijnde dan anderen.... uitverkoren heeft in Christus, dewelke Hij ook van eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen, en tot een fundament der zaligheid gesteld heeft."

Men mag dat toch niet met recht verkiezing van X. en Y. noemen.

Ten eerste staat de uitverkiezing van degenen die, van de zekere menigte niet op zichzelf, want in beide Formulieren wordt van een verkiezing in Jezus Christus, of in Christus gesproken.

De uitverkorenen zijn in Christus uitverkoren, hetgeen inderdaad de verkiezing van Jezus Christus, of van Christus insluit. Men kan zeggen zij zijn in Hem uitverkoren, omdat Hij de Uitverkorene is, derhalve, omdat zij in de Uitverkorene gekend en begrepen zijn.

Toch verstaan wij dat niet zó, dat de verkiezing in Christus buiten de personen om zou gaan, die in Hem verkoren zijn. Dit zou te kort doen aan de persoonlijkheid, welke een kenmerk en voorrecht van de schepping naar Gods beeld is. Immers gelijk in de Heere een meerderheid van Personen, Vader, Zoon en Heilige Geest, aan het éne goddelijke Wezen deelachtig, het enige Wezen Gods zijn, zo weerspiegelt zich daarvan iets in de mensheid, die een veelheid van personen vertoont, terwijl zij toch allen het menselijk wezen deelachtig zijn.

Daarom kunnen wij niet aannemen, dat de persoonlijkheid helemaal zou wegvallen, en dat gevoelt de confessie blijkbaar ook zo, als zij spreekt van degenen, die. Toch heeft de belijdenis niet gedacht aan een verkiezing van A, van B, van C. enz., dus een verkiezing van persoon tot persoon, maar van een menigte, een veelheid. Dat wordt zelfs heel duidelijk in de aangehaalde plaats uit de Dordtse Leerregels, want deze menigte wordt maar niet voorgesteld als de som van verkoren individuele mensen, maar als een orde, een georganiseerd geheel, onder Christus het Hoofd. Hoe anders zou Christus tot een Hoofd zijn gesteld ?

Omtrent de verkiezing van de Christus geeft deze plaats ook nog nadere inlichting, waardoor ook het verkoren zijn in Christus wordt verklaard.

Hoofd en uitverkorenen horen in de verkiezing Gods bij elkander, omdat Christus van eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen en tot een fundament der zaligheid is gegeven.

De Schrift spreekt ook van het Lichaam van Christus, als zij ziet op de gemeente des Heren, tot wier Hoofd Hij is gezet.

De woorden in Christus hebben derhalve een zeer concrete en werkelijke betekenis en de verkiezing van Jezus Christus, is een verkiezing tot Middelaar en Hoofd der uitverkorenen en tot fundament hunner zaligheid.

In het Middelaarschap ligt ongetwijfeld besloten, dat Christus, ook de Uitwerker van het goddelijk besluit der verkiezing is. En dat diezelfde Christus als de Zoon van God deelt in de Raad Gods, ja door Jesaja als Raad wordt voorgesteld, is op zichzelf genoegzame reden om de zekerheid en troost der verkiezing te smaken, (Vgl. Jes. 9:5).

De goddelijke verkiezing van Jezus Christus tot Middelaar en Hoofd der gemeente, maakt ook onderscheid tussen Zijn verkiezing en die van de Zijnen. Maar dat wordt dan ook uitgedrukt door het woordje in: in Christus verkoren. De verkiezing van Christus is een verkiezing tot een taak, een groot werk, het werk der verzoening en vernieuwing, zodat zij ook een verkiezing tot een ambt is met zeer bijzondere bevoegdheden : de bouw Zijner gemeente en de oprichting van het Koninkrijk Gods. (Matth. 16:18).

Het is wel heel bijzonder, dat de mens daarbij betrokken wordt, want de vleeswording des Woords, die nodig is geweest vanwege de zonde, is enerzijds een nederbuigende daad Gods tot de zondaar op aarde, maar anderzijds is het voor de mens een uitermate verhoogd worden, in enigheid van één Persoon met de Eniggeborene Gods verenigd te worden. Zo is het toch met de mens Jezus, en dat betekent voor deze mens : met Hem te delen in het werk der verzoening, met Hem te delen in de goddelijke bevoegdheden van Zijn Middelaarsambt.

Wij hebben er reeds op gewezen, dat de verkiezing van Jezus Christus de verkiezing van een nieuwe mens betekent, van de hemelse of geestelijke mens, waarvan de eerste Adam slechts een aardse afschaduwing is geweest, om van zijn verdorven staat maar te zwijgen.

De verkiezing van degenen, die in Christus zijn, is derhalve in die van de Heere Jezus' Christus begrepen, gelijk zij ook uit Zijn werk en door Zijn werk openbaar worden. Zij worden ook onderscheiden als de geroepene heiligen, als' de gemeente die zalig wordt, als de Bruid des Lams, de kinderen des Koninkrijks en Petrus spreekt van een koninklijk priesterdom en een verkregen volk. (1 Petr. 2:5 en 9). Daaruit blijkt, zoals ook uit andere plaatsen, dat zij zoals reeds werd opgemerkt, een orde, een organisch geheel, een huisgezin en een volk vormen.

Wij kunnen hierin ook opmerken, dat de goddelijke verkiezing een verkiezing tot is, men wordt verkoren tot een bijzondere roeping, een taak, een ambt, een werk, een volk, tot zaligheid, zelfs onze woonplaats wordt door de Heere God bepaald. (Hand. 17:26).

In de grote omvang der praedestinatie, treft de goddelijke beschikking tot een plaats, een ambt, een bestemming in dit leven ons allen, ook als wij dat allerminst gewaar worden, noch ook als een daad Gods waarderen en beleven.

De Heilige Schrift geeft daarvan talrijke voorbeelden, dikwijls van zeer bijzondere aard. Noach, Abraham, Izaak, Jacob, Jozef, David, Salomo en zovele profeten, priesters en koningen. Ook het Nieuwe Testament: Zacharias en Elisabeth, Simeon, Hanna, Johannes de Dooper, de discipelen, Paulus, Stefanus e.a. Gewoonlijk echter wordt onder de praedestinatie het besluit Gods aangaande onze eeuwige staat verstaan en wel in tweeërlei zin verkiezing en verwerping.

Met opzet wezen wij zo straks op de beschikkingen Gods omtrent ons leven op aarde, en zetten die even onder het licht der goddelijke voorzienigheid. En een ieder kan verstaan, dat voorzienigheid en praedestinatie wat met elkander hebben uit te staan, gelijk zij ook beide wat met de schepping te maken hebben, wijl alle dingen hun oorsprong hebben in de wil Gods en daaraan hun bestemming ontlenen.

Tegenover de verkiezing tot staat de verwerping wegens.

Verkiezing en verwerping gebruiken wij dikwijls als waren zij zonder meer op zich zelf wat. Daarom is het goed, dat wij er op letten, dat verkiezing en verwerping beide wel uit het besluit Gods voortkomen, maar de verkiezing wijst op een bestemming en de verwerping op een overtreding, d.w.z. op een daad of gedrag in strijd met onze goddelijke roeping en bestemming en derhalve tegen Gods wil in.

Zoals wij gezien hebben leert Barth ook een dubbele praedestinatie-leer, dus verkiezing en verwerping. Jezus Christus is de Verkorene, maar ook de Verworpene.

Over het eerste hebben wij reeds gesproken, maar ook het verworpen zijn van Jezus Christus, zoals hij dat wil zien, vraagt de aandacht.

God heeft betuigd deze is Mijn geliefde Zoon, in welke Ik een welbehagen heb. (Matth. 3 : 17). Hij is de Uitverkorene. En nu is het onmogelijk, dat God tegelijkertijd ja en neen zegt en dat tegen dezelfde Persoon. Christus is de uitverkorene om Middelaar te zijn en heeft de menselijke natuur aangenomen uit een verdorven mensheid, maar in Hem was voor God niets verwerpelijk, want Hij heeft geen zonde gekend, noch gedaan.

Het wonder van Gods genade wordt echter daarin volbracht, dat die onschuldige, die Uitverkorene Gods in de plaats van de verworpenen gaat staan. Daarmede wordt Hij niet zelf verworpen, maar Hij neemt het oordeel van de verworpenen op zich, de toom Gods komt op Hem, alsof Hij een schuldige, een verworpene ware.

De Schrift spreekt dan van de gelijkheid des zondigen vleses.

Maar een verworpene is Hij niet. Ten eerste niet, omdat Hij de Uitverkorene Gods is, en in de tweede plaats niet, omdat verwerping een daad Gods tegen de overtreder is wegens zijn overtreding, terwijl Christus geen zonde heeft. Hij is het Lam Gods. Hij is tot zonde gemaakt. De straf was op Hem als Middelaar en Plaatsvervanger en zo maakte Hij wel door, wat de zondaar doormaakt in het gericht Gods, en Hij maakte dit door voor allen, maar Hij was geen verworpene.

Hoe zou een verworpene Gods Middelaar en Plaatsvervanger kunnen zijn voor een rechtvaardig God?

Als Christus bij Barth maar bij wijze van spreken de verworpene is, deugt deze wijze van spreken niet, en als het zo bedoeld is, gaat de bedoeling ten koste van het Middelaarsschap en de waardering daarvan.

Een en ander hangt sam.en met Barth's beschouwing over het handelen Gods te rechter en ter linker en die van het nietige en moest ook in de leer der verkiezing weer op het tapijt komen.

Als God verkiest, verwerpt Hij ook. Verkiezing en verwerping hebben bij Barth een vreemde onderlinge afhankelijkheid, die zij in de Schrift niet hebben. God verkiest tot een werk, een ambt, een staat, en God verwerpt, wie Zijn gebod verzaakt en Zijn wil wederstaat. En als Hij zondaren verkiest, verkiest Hij ze in Christus de Middelaar.

Volgens Barth is in de verhouding van verkiezen en verwerpen een schier mechanisch werkend verband, dat hem zelf ergens verleidt het woord automatisch te gebruiken. Het ligt voor de hand, dat het verkiezen Gods gelijk staat met het willen Gods. Wij hebben kunnen opmerken bij de behandeling van het nietige, dat Barth bij het willen Gods onmiddellijk gedacht wil hebben aan Zijn niet-willen, als een voorbijgaan en achter zich werpen. Welnu zo kunnen wij ook verstaan, dat hij bij de verkiezing ook noodwendig aan verwerping denkt.

Hij spreekt daarover veelal tamelijk absoluut.

Wij hebben ook kunnen opmerken, dat het gevaar van het nietige door dit verband in de beschouwing van Barth gepaard gaat aan het willen Gods. Dat gevaar is voor de mens niet maar een dreiging gebleven, maar hij weerstond de genade Gods, welke toch alleen machtig is de mens tegen die dreiging te helpen en viel in de wereld van het nietige. Het is deze macht, die gebroken moet worden, door de triomf, der genade en dat geschiedt in de triomf der verkiezing.

Jezus Christus moet dus ook komen onder de macht van het nietige en daarom verworpene zijn.

Om die reden moet Jezus Christus eerst de verkiezende God en het besluit zelf zijn, het goddelijk ja, omdat het goddelijk neen als het ware daarbij ligt, daaraan vast zit, zodat Hij ook de verwerpende God is.

Barth ziet immers in Jezus Christus het , , decretum absolutum" zelf.

Minder duidelijk is het, hoe de verkiezende God de verwerping op zich zelf heeft gewenteld, verworpene is geworden. 

De ganse actie van verkiezen en verwerpen en ook het verkoren en het verworpen zijn, wordt ons volgens hem in Jezus Christus als historisch feit voorgesteld.

De verworpene mensheid in Jezus Christus verkoren. Op Hem alleen de verwerping. Hij de enige verworpene, die de verworpenheid voor allen draagt.

Daarmede heeft Christus — dat is de consequentie van deze redenering — het gericht voor allen weggenomen. Op dit punt aangekomen gaat Berkouwer in zijn beoordeling naar aanleiding van opmerkingen van dr. Berkhof spreken over het probleem van geloof en ongeloof.

Regelrecht uit Barth geredeneerd is er na de goddelijke beslissing in de Heere Jezus Christus geen plaats meer voor ongeloof. De goddelijke beslissing is immers eens voor allen gevallen, of ik geloof of niet geloof, zij is gevallen.

Doch ook hier kruipt het bloed, als het niet gaan kan.

De praktijk is vol ongeloof en nu grijpt Barth weer naar zijn noodformule van de onmogelijke mogelijkheid. Ongeloof is de onmogelijke mogelijkheid. Berkouwer wijst er terecht op, dat het in de tegenstelling geloof en ongeloof duidelijk wordt, dat het in het geloof allerminst gaat om een menselijke prestatie of verdienste. Het geloof is onmiddellijk betrokken op de inhoud des geloofs.

Het is ook de mening van Berkouwer, dat Barth er niet meer toe kwam in volle ernst recht te laten wedervaren aan wat de Schrift op zo onmiskenbaar duidelijke wijze aanwijst als de ernst en het gevaar van het ongeloof (blz. 266). Hij verwijst daarbij naar de woorden van Hebr. 4 : 2, waarin op het geestelijk verband van het Woord der prediking en het geloof wordt gewezen. Het Woord kan gehoord worden zonder met geloof gemengd te zijn en dus doet het geen nut.

Dat is nu juist de zaak. Geloof is gemeenschapsoefening met God en dit kan niet van ons uit, maar door genade van God uit. Geloof en verkiezing hebben daarom ook met elkander te maken. Het gaat toch hier in de verkiezing om de geestelijke mens, de mens, die uit God geboren is, en door God betrokken wordt in de dingen, die des Geestes Gods zijn. Het geloof is gemeenschap met Christus en in Hem met de nieuwe mens, die leeft uit de kracht van Chris­tus' opstanding.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

BARTH'S VERKIEZINGSLEER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's