De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Gereformeerde Bond en de gescheiden kerken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Gereformeerde Bond en de gescheiden kerken

7 minuten leestijd

I.

Van de zijde van de gescheiden kerken van gereformeerde gezindte wordt ons van tijd tot tijd toegevoegd, dat wij als gereformeerden in de Hervormde kerk niet op onze plaats zouden zijn.

Prof. H. Ridderbos vindt het in het Gereformeerd Weekblad (uitg. Kampen) van januari 1955, dwaas, dat de Gereformeerde Bond de Hervormde kerk om haar belijdenis nog als gereformeerde kerk aanspreekt. Prof. Dijk vraagt in het Centraal Weekblad van 3 maart '56 naar aanleiding van de briefwisseling tussen de Gereformeerde en de Hervormde synodes, wat eventuele wederzijdse afgevaardigden ter synode hadden moeten doen, en richt deze vraag o.a. tot prof. Severijn, alsof hij daarmee te kennen wilde geven : u, en daarmee de Gereformeerde Bond, hoort niet thuis in die Hervormde kerk met al zijn kardinale fouten. Ds. Velema schrijft in het Christelijk Gereformeerd orgaan De Wekker van 13 april j.l., hoewel hij leer en sfeer bij de Gereformeerde Bond zeer waardeert, dat hij onze strijd en plaats in de Hervormde kerk met al zijn karïkaturen begrijpen kan, en in het nummer van 20 april ronduit: , , Wij kunnen het blijven van de Gereformeerde Bonders in de Hervormde kerk niet goedkeuren". Op 't congres van academici van gereformeerde gezindte van 18—20 juli j.l. op Woudschoten, tenslotte werd aan ons. Hervormd gereformeerden, een lange lijst van fouten van de Hervormde kerk voorgelegd, met het min of meer duidelijke verzoek, daar nu maar de juiste gevolgtrekking uit te maken : hetzij de Kerk te verlaten, hetzij in die Kerk , , getrouw gereformeerd" te zijn, en dan zich bij een daaruit volgend conflict eruit te laten zetten.

Deze stemmen geven weer, hoe in de gescheiden kerken over ons wordt gedacht. Men vindt de aanwezigheid van gereformeerden in de Hervormde kerk maar een vreemd geval. Men heeft er uiteraard waardering voor, dat wij in de Hervormde kerk „opkomen voor het gereformeerd beginsel", maar begrijpt niet, waarom wij ons daar juist in dat kerkverband zo druk om maken. Het wordt met de Hervormde kerk immers toch niets, zo meent men daar. De gedachte, dat die kerk nog voor verbetering vatbaar zou zijn, wordt zelfs een anachronisme (een verouderd denkbeeld) genoemd. (Ridderbos). Nutteloos dus, zich daar nog over te bekommeren. , , Kom bij ons", klinkt het van verschillende kanten. Waarom zouden gereformeerden zich in de Hervormde kerk blootstellen aan moeilijkheid op moeilijkheid ? In een kerk van gelijkgezinden is alles toch veel prettiger en gemakkelijker ?

Aan veel hervormd gereformeerden, die aan den lijve minderheidsmoeilijkheden ondervinden, zal de verzoeking, die vanuit de gescheiden kerken of gemeenschappen tot ons komt, niet geheel vreemd zijn. Dit leidt er metterdaad toe, dat regelmatig overgangen van gereformeerd gezinden plaats vinden van de Hervormde kerk naar de gescheiden kerken of groepen. Van een sterk sprekend kerkbesef, een besef dus van wat kerkelijk van ons wordt geëist, blijkt daarbij evenwel in de regel weinig. bitter

Het kan zijn nut hebben, op de uit dit alles opkomende vraag: waarom wij Hervormd zijn, in te gaan. Ons eerste uitgangspunt is daarbij de leiding Gods met Zijn kerk.

Ieder zal toestemmen, dat de Kerk na de tijd der apostelen in de loop der eeuwen van karakter veranderde in leer en liturgie. Het lijdt geen twijfel, dat dit in de hand werd gewerkt doordat de leiding der Kerk na de aposteltijd in toenemende mate het karakter kreeg van een hiërarchie — men zou kunnen zeggen : het systeem van bazen, onderbazen, knechten en hulpknechtjes. Deze leiding stelde apodictisch (geen tegenspraak duldend) vast, wat de leer der Kerk was, zonder dat op Gods Woord gegronde tegenspraak uit de gemeente de gelegenheid kreeg, aan het woord te komen.

Bij de Reformatie bracht de Heere in onwankelbare trouw — waar Zijn gemeente ontrouw was geweest — de Kerk weer tot het vaste fundament terug. Het is van betekenis, het karakter • van deze Reformatie duidelijk te onderscheiden, omdat Afscheiding en Doleantie zich ten onrechte gaarne als een herhaling daarvan beschouwen.

Het is dan zó, dat het in de Reformatie door een terugkomen op de hiërarchie in de Kerk mogelijk werd, dat de leer der godzaligheid weer werd verkondigd als in de tijd der apostelen, zonder weglatingen of toevoegingen, waarvoor de Schrift zo bijzonder ernstig waarschuwt. (Gal. 1:9; Openb. 22 : 18, 19). Dit had onvermijdelijk ingrijpende gevolgen voor de liturgie. Zo werden beide in de liturgie en in de regering der Kerk de vormen uitgebannen, die de verwording der Kerk zo hadden bevorderd. De Kerk werd dus hervomd of gereformeerd. Er werd niet naast de bestaande Kerk een nieuwe gevormd of gesticht, al kon dit door de gang van zaken zo schijnen. De bestaande Kerk, Christus' Kerk, werd tot zijn oorsprong teruggeleid, en moest, omdat de Roomse kerk zijn pretentie van Kerk te zijn niet wilde opgeven, voortaan Gereformeerde of Hervormde kerk heten.

De hervormde Kerk werd in deze tijd van krachtige geestelijke opleving gedrongen, haar herwonnen inzichten in de heilsweg Gods neer te leggen in de belijdenisgeschriften, om zich daarmee af te grenzen enerzijds tegen de niethervormde Kerk, en anderzijds tegen de secten, die als woekerplanten naast de Kerk opgroeiden.

De geschiedenis van de Kerk na de Reformatie leert, dat het leven der Kerk, dat in de belijdenisgeschriften klopt, al meer verzwakte. De Nadere Reformatie was de eerste reactie daarop, doch kon het verder infiltreren van invloeden, vreemd aan het wezen der Kerk, niet verhinderen. De Kerk werd zo in de 18e en 19e eeuw in feite steeds verder van het in haar eigen belijdenis getekende ideaal afgevoerd.

Hoe moeten we dit nu zien ? Men kan bij het aftakelen van het geloofsleven der Kerk als geheel onderscheiden tussen hen, die de kerkontbindende invloeden in de Kerk indroegen, en hen, die — om de woorden van het befaamde artikel X van de nieuwe kerkorde te gebruiken — onvoldoende hebben geweerd, wat het belijden der Kerk weersprak; tussen hen, die actief waren in het introduceren van het verkeerde, en hen die passief waren in het bewaren van het goede.

Nu is de mens van nature geneigd, zichzelf van de schuld voor bestaande misstanden vrij te pleiten, en de verantwoordelijkheid op anderen af te schuiven.

Zo wordt onder gereformeerden de schuld van de niet-gereformeerden inzake het verval der Kerk wel breed uitgemeten, maar van de eigen nalatigheid die tot dat verval eveneens heeft bijgedragen, wordt doorgaans niet gerept. De gereformeerden uit de gescheiden kerken hoort men er nooit over.

Zij beijveren zioh zeer, zichzelf — met ons hervormd gereformeerden — tegenover de niet-gereformeerden te plaatsen. Nu heeft dat zin in zoverre, dat de gereformeerden aan de Schrift en de belijdenis der Kerk in het geloofsleven en in het kerkelijk leven ten volle recht willen laten wedervaren, en de niet-gereformeerden daarbij in uiteenlopende mate — van reserves blijk geven. En toch is het onjuist, omdat er een collectieve, gemeenschappelijke schuld is, die op de hele Kerk rust, dus op de gereformeerden — die in de gescheiden kerken inbegrepen — tezamen met de niet-gereformeerden. Dat is een bijbelse gedachte. De profeet sluit er immers zichzelf bij in, als we lezen in Jer. 3 : 25 : „....want wij hebben tegen de Heere, onze God, gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op deze dag ; en wij zijn de stem des Heeren, onzes Gods, niet gehoorzaam geweest". In het algemeen riepen de profeten altijd héél Israël terug tot de dienst des Heeren. Men leze ook plaatsen, waar Israel's geschiedenis in vogelvlucht wordt gegeven en steeds het volk als geheel wordt genomen, ook als het in zijn afval wordt getekend, b.v. Ps. 78, Ps. 106.

Wel kan men zeggen, dat de bijdrage tot de schuld der Kerk voor gereformeerden en niet-gereformeerden verschillend is.

Wat het gereformeerde aandeel betreft, het is ontstellend nalatig, dat de gereformeerden in de vorige eeuwen de leiding in de Kerk uit handen hebben laten glippen ; niet omdat daarmee een „machtspositie" van een „partij" verloren ging, maar omdat daardoor onschriftuurlijke invloeden hun grote kans kregen.

De gevolgen daarvan zijn even ernstig : de velen, die daardoor werden misleid voor de eeuwigheid ; de grote groepen van hen, die nog in de Kerk waren opgegroeid maar alle belangstelling verloren voor dat, wat het leven dragen moet; en nog later de grote afval, die de huidige leiding der Kerk in zijn hardnekkig vasthouden aan niet-gereformeerde denkstructuren niet vermag tegen te houden.

De Kerk heeft zijn brede greep op het gehele volk, die zij in de 16e tot 18e eeuw heeft bezeten, verloren. De gereformeerden, ook buiten onze Kerk, gaan als groepering bij dit alles allerminst vrijuit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Gereformeerde Bond en de gescheiden kerken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's