PREEKSTIJL
II.
De preek is al heel oud. Haar geschiedenis omvat ongeveer 2000 jaar. We kunnen er niet aan denken om die historie in extenso, uitgebreid en diep opgehaald, hier te geven. Slechts enkele opmerkingen willen we in dit verband plaatsen.
Er is in de preek, zoals wij die nu kennen, een neerslag van de invloed, welke op haar inwerkte door de rhetorenscholen, de scholen waarin de welsprekendheid werd beoefend, van oud-Griekenland en Rome. Beide volken — de Grieken waren hierin oorspronkelijk als het volk, dat de schoonheid in vorm en uitbeelding sterk cultiveerde, de Romeinen deden het meer onder invloed van de Griekse cultuur — hechtten bijzonder aan die kunst, in de volksvergaderingen, voor de rechtbank en bij de grote volksfeesten, om het volk te bewerken en invloed op de massa uit te oefenen. Een zekere Korax — hij leefde in de 5e eeuw vóór Chr. — heeft het eerste boek over de welsprekendheid geschreven, dat niet nagelaten heeft zijn werk te doen. Aristoteles, die na hem in Griekenland op dit gebied moet genoemd worden, en onder zijn invloed Cicero en Quintilianus bij de Romeinen, hebben de rhetorica evenzeer gedoceerd en beoefend en de komst der welsprekendheid verder gecultiveerd. De kerkvader Augustinus, die vóór zijn bekering hoogleraar te Milaan was en uit dien hoofde de welsprekendheid doceerde, heeft in de tijd, dat hij bisschop te Hippo Regius, in Noord-Afrika was, voor zijn preekwerk zijn winst gedaan met wat hij van de classieken had geleerd, althans wat het formele betreft. Zo loopt er, wat de vorm en inrichting van de preek betreft, een lijn van Korax, de Griekse en Romeinse redenaars, via Augustinus, door de Middeleeuwen heen naar Calvijn, die ook hierin de invloed van de kerkvader onderging, en via zijn invloed naar onze kerk, een lijn, die nog in onze tijd te speuren valt. Die invloed der klassieken is te zien in de preken van J. H. v. d. Palm, begin der 19e eeuw. Hij was sinds 1806 hoogleraar aan de Leidse Academie en doceerde de gewijde dichtkunst en de welsprekendheid en was tevens academieprediker. Ze is ook te merken in het preekwerk van dr. J. J. van Oosterzee, rond het midden der 19e eeuw als predikant en daarna als hoogleraar in Utrecht, uitblinkend door zijn oratorische gaven. En wat het laatste der 19e eeuw betreft, zijn hier te noemen prof. dr. H. Bavinck en dr. A. Kuyper. Deze predikers bedienden zich gaarne van de synthetische preekmethode, d.w. z. zij kozen uit hun tekst de hoofdgedachte, welke ze als thema stelden, dat dan nader in verschillende onderverdeling of punten werd uitgewerkt, om zo de „boodschap" van de Schrift te „verkondigen".
Maar dan is er nog een andere Griekse invloed op de preek te onderkennen. Omstreeks de 3e eeuw vóór Christus —• we hebben daar te doen met de cultuurphase, welke bekend is onder de naam Hellenisme, in welke de invloed van Alexander de Grote en de ideeën van zijn tijd doorwerken — verschijnen er in die wereld rondreizende predikers, — ze zijn een soort Bedelmonniken van die tijd genoemd — die tegen zedenverval en misstanden onder het volk opkwamen in meer populaire vorm dan de oraties der grote redenaars.
Deze verhandelingen in een pakkende stijl, soms gekruid met anecdotes of schertsende invallen, waren ingegeven met het doel het volk te benaderen, op te heffen uit de zedelijke verwording en zo genezend op de samenleving in te werken. Dit soort , , preken" draagt de naam van diatribe, een woord dat meerdere betekenissen heeft, maar in dit verband moet vertaald worden door: gesprek of voorlezing. Meerdere onderzoekers op N. Testamentisch gebied menen invloed van deze diatribe zelfs in de brieven van Paulus te kunnen aangeven en nemen aan, dat via de apostolische prediking de diatribe op de „Woordverkondiging" heeft ingewerkt. Gegeven het klimaat waarin deze ontstond en opkwam, meen ik, dat zeer zeker die invloed is aan te wijzen in de meer eenvoudige prediking, waarvan de toon iets losser is dan in de , , verkondiging, , welke naar de vorm afgestemd is op de redevoeringen der rhetoren. De dusgenaamde Apologeten en een kerkvader als Tertullianus, hebben zich van het diatribe-genre bediend.
Of, en in hoeverre dan, deze diatribe de dus genaamde analytische methode, d.w.z. de methode van Woordverkondiging, waarbij men de tekst in onderdelen splitst en die in volgorde behandelt, heeft in de hand gewerkt, is niet met zekerheid te zeggen. Sporen van invloed der diatribe lijken mij wel aan te wijzen ook in Augustinus' preken, die men homilieën pleegt te noemen en die eenvoudiger van toon waren dan de preken, welke hij, hield op kerkelijke hoogtijdagen. In die homilieën voerde hij — en dat wijst m.i. wel op de invloed der diatribe — vaak de dialoog in, het stellen van vragen, om die dan te beantwoorden.
En dan is er tenslotte nog een lijn aan te wijzen. Die loopt uit de synagoge naar het apostolisch tijdperk en heeft eveneens haar bevruchtende invloed gehad op de vorming van de preek, gelijk wij die thans kennen. De , , Woordverkondiging" der Apostelen heeft zeer zeker de invloed van de synagogale prediking, althans formeel gezien, ondergaan, een prediking, die ook aangeduid wordt als homilie. Ze is niet gelijk te stellen met wat wij onder , , bijbellezing" verstaan. Die bestaat voornamelijk in Schriftuitlegging, behandeling van opeenvolgende pericopen, gelijk we een dergelijke onderwijzing in de Schrift ook vinden bij Calvijn, die ook de andere preekvormen kent en gebruikt, maar voor dagelijkse prediking, waardoor hij het volk in het Woord wilde funderen, zich van dit genre bediende.
Genoeg van dit alles. We hebben er uit kunnen zien, dat de preek, gelijk wij die thans hebben, niet alleen een lange geschiedenis heeft, maar evenzeer een product is van meervoudige bevruchtende inwerking. De aldus ontstane vorm, heeft als inhoud gekregen de schat der Kerk, het Woord Gods, het eeuwig Evangelie. Want zonder die inhoud is ze geen „Woordverkondiging". De stromingen in de eeuwen, waarin ze ontstond, hebben natuurlijk ook op de prediking ingewerkt. Vandaar dat ze nu eens meer een rationalistische inslag had, dan weer piëtisme, of ook de romantiek op haar inwerkte.
Alles hiervóór gegeven samenvattend, besluit ik met wat C. Rijnsdorp in zijn lezing , , Een literator over de preek" — gehouden voor een aantal geref. predikanten in de classis Rotterdam en opgenomen in , , Bezinning", afl. 11—12, 1955, aan welke lezing ik een en ander ontleende — in dit verband als conclusie trekt: , , De 19e eeuwse gedachte van geleidelijke, langzame ontwikkeling, ook als paedagogische en stilistische eis, heeft tevens een stempel op de preek gezet. Het intellectualisme van diezelfde eeuw (op de catechisatie heb ik nog geleerd, dat het verstand wel 't minst is. aangetast door de zonde), de eenzijdige opvatting van kennis als verstandelijke kennis, is nog niet dood in de preek. In de jongste tijd is het banaliseringsproces, dat men in het taalgebruik vooral sedert de tweede wereldoorlog kan waarnemen, ook in de Kerk duidelijk merkbaar. (Curs. van mij, B., waar ik aan toevoeg: vooral in wat men als „actuele prediking" wenst aangeduid te zien). , , Toch maakt onze gereformeerde preek" —de auteur bedoelt het natuurlijk kerkelijk — , , op de onbevooroordeelde historisch enigszins geschoolde luisteraar de indruk van te zijn een overwegend laat 19e eeuwse stijlvorm. De Christelijk Gereformeerden hebben een ouder 19e eeuws stijltype geconserveerd, waarbij, vermoedelijk onder invloed van de romantiek, het gevoelsleven een grotere rol speelt.
De doorsnee-prediking in onze kringen heeft van beiderlei type wel het een en ander overgenomen, aangezien men bij de voorbereiding nogal eens uit beider arsenaal zich wapent voor het , , waagstuk" der prediking. Ook is de invloed van , , oude schrijvers" in vorm en woordkeus meermalen te merken. En eveneens worden preken uit de ..Gereformeerde gemeente" als exempel genomen, wat te merken is aan de anthropologische inslag, d.w.z. dat meer de mens in zijn gesteldheden, staat en stand, gepredikt wordt, dan dat de prediking „Woordverkondiging" en theologisch, of nog juister, trinitarisch is in opzet en uitwerking. Een eigen preekstijl tekent zich alzo onder ons in het generaal nog niet af. Dat is te betreuren. Vooral, omdat wij kerkelijk in een situatie verkeren, welke lijn, vastheid, duidelijkheid in de doelstelling vordert, en bovenal moet bevorderen, dat het kerkvolk, hetwelk wij bereiken met. onze prediking, geworteld en gegrond worde in de waarheid der Schriften. Daarvoor is nodig een trinitarische „Verkondiging", een prediking, waarin het werk van de Vader, van de Zoon en niet te vergeten van de Heilige Geest tot hun recht komen. Wij hebben nog het voorrecht, dat het kerkvolk onder de prediking wil komen. Dat volk heeft echter nodig, in de wirwar van meningen, in het keiharde leven, onderwijs te ontvangen uit de Schrift, een prediking waarin doorklinkt, dat het, als vloekwaardige zondaren voor God, alleen in de Heere Jezus gevonden, een dageraad heeft, maar evenzeer, dat het, geworteld in de Rots der eeuwen, zal kunnen bestand zijn tegen de listige omleidingen van Satan, om in strijd en worsteling in een leven van hartgrondige bekering. God te verheerlijken. Zo zal in vele variaties uit prediking en levensgang opklinken het lied van de veelvoudige lof Gods.
Om deze preekstijl moet het ons begonnen zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's