De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJK GEREFORMEERD LEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJK GEREFORMEERD LEVEN

7 minuten leestijd

Calvijn is een voorstander van de zelfstandigheid der plaatselijke kerken. Wie zich daarvan wil overtuigen, leze in het vierde boek van zijn Institutie de eerste paragrafen, waarin hij over de kerk handelt.

Hij gaat uit van 's Heeren woord : waar twee of drie vergaderd zijn in Mijne Naam, daar ben Ik in het midden. Want, merkt hij op, Zijn belofte kan niet liegen.

En daarom zegt hij : , , Wij moeten het voor vast en zeker houden zonder enigszins te twijfelen, dat in alle plaatsen in dewelke wij zien, dat Gods Woord oprecht gepredikt en aangehoord wordt, en de sacramenten naar de instelling van Christus bediend worden, is een kerk en vergadering van Gods volk". (Zie Inst. IV, 1, 9).

Deze kerken zijn over verscheidene plaatsen verstrooid, maar zij zijn één in één en dezelfde Waarheid en door de band van één en dezelfde religie verbonden.

De algemene kerk wordt dus openbaar door de prediking van één en dezelfde Waarheid en door de band des geloofs. De bijzondere kerken worden in dien zin onder de algemene begrepen, derhalve door die geestelijke verbondenheid, doch alzo, zegt Calvijn, , , dat iedere bijzondere (plaatselijke) kerk met recht de naam en de autoriteit der kerk voert".

Wij zijn van mening, dat Calvijn zich voor dit inzicht in de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk zonder voorbehoud op de Heilige Schrift kan beroepen. Wij denken aan de brieven van Paulus en inzonderheid aan de Openbaringen-: Schrijf aan de zeven gemeenten, die in Klein-Azië zijn. (Openb. 1 : 4 en 11) en aan de uitdrukking : Schrijf aan de engel der gemeente (Openb. 2 : 1, 8, 12 enz.). De gemeenten worden afzonderlijk genoemd, afzonderlijk aangesproken en afzonderlijk beoordeeld.

Dit geschiedt namens en op bevel van Christus, die staat te midden van de zeven kandelaren, waardoor de gemeenten worden aangeduid.

Het moet trouwens opvallen, dat niet gesproken wordt van de kerk in Klein- Azië, of van de Klein-Aziatische kerk, maar van de zeven gemeenten, de zeven kerken, die in Klein-Azië zijn.

De erkenning van de zelfstandige betekenis van de plaatselijke kerk en die van de geestelijke eenheid in geloven en belijden, waardoor zij verbonden zijn, sluit uit de aard der zaak verschillende kerkorden uit, die van een eenheidsinstituut uitgaan, als die van het pausdom en waarvan ook het protestantisme voorbeelden geeft te zien in de Anglicaanse kerk, de Lutherse landskerken en in ons vaderland de Hervormde kerk onder het synodaal bewind van 1816.

De kerken, die Calvijn volgden, daarentegen kenmerken zich door een presbyteriale kerkorde. Het is dan ook één van de voornaamste bezwaren tegen de nieuwe kerkorde, dat het presbyteriaal karakter wordt verduisterd door een hoogkerkelijk regiem van raden en commissies. Een duidelijk voorbeeld van een eigendunkelijke kerkregering, welke zelfs de allereerste beginselen van een presbyteriale orde veronachtzaamt, is wel aan de dag gekomen met de oproep tot bezinning inzake Nieuw Guinea.

Een kerkordelijk voorbeeld daarvan kan men aantreffen in de bepalingen omtrent het beheer der financiën. Zelfs de volkomen zelfstandige kerkvoogdijen heeft men daaronder willen betrekken.

Voorts zijn er allerlei bepalingen, die in strijd zijn met de zelfstandigheid der plaatselijke gemeente of daartegen kunnen worden gericht. Inzonderheid ten aanzien van de eenheid van geloven en belijden, waardoor de plaatselijke (Calvijn spreekt van bijzondere) kerken onderling verbonden zijn en de gemeenschap der algemene kerk onderhouden, wordt veel nagelaten, wat in de eerste plaats behoorde te geschieden. Van ouds hebben de reformatorische kerken vergaderd in classes en synoden, om die gemeenschappelijke eenheid in geloven en belijden te onderhouden en de gemeenschappelijke zaken te regelen, als betreffende de opleiding der predikanten en hun toelating tot de Dienst des Woords, de beroeping, de attestatiën, enz. Een iegelijk kan begrijpen, dat deze gemeenschappelijke regelingen weinig moeite gaven, zolang de algemene kerk zich openbaarde in enigheid van geloven en belijden. De moeilijkheden deden zich eerst voor, toen die enigheid ging ontbreken, vreemde leringen ingang vonden, aanhangers daarvan in een gemeente trachtten in te dringen of zich metterwoon wensten te vestigen.

De algemeen kerk heeft nu eenmaal haar kracht in de enigheid des geloofs en dat is ook de grond van de gemeenschap der plaatselijke kerken.

Uit dien hoofde ligt het dan ook voor de hand, dat de gereformeerden in de Hervormde kerk altijd weer opkomen en móeten opkomen voor de handhaving en rechte functionering van de belijdenis. Het is niet genoeg, dat de kerk een belijdenis heeft, zij moet die ook handhaven, terwille van haar eigen welstand en van een gezond kerkelijk leven in de plaatselijke kerken.

Indien de geestelijke gebondenheid in eenheid van geloven en belijden gaat ontbreken, zoals in de Hervormde kerk het geval is, wordt het eenheidsinstituut tot een ijzeren geraamte van wetten en bepalingen zonder leven, die tot knellende banden worden van de bijzondere of plaatselijke kerken en alle bezwaren van het eenheidsinstitnut aan de dag brengen.

De voorstanders van een eenheidsinstituut vrezen een , , wetmatige toepassing" der belijdenis, maar erger dan dit is de reglementen-kerk, die de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke gemeenten bedreigen en beklemmen.

Het is daarom ter bevordering van een gezond kerkelijk leven in de zin van onze belijdenis (vgl. de artikelen over de kerk en de kerkregering) van het hoogste belang, dat zij, die de belijdenis liefhebben en het Woord overeenkomstig de belijdenis willen bedienen, en zij, die als ouderlingen tot de regering der kerk geroepen zijn, en dit naar eis begeren te doen, voor deze twee zaken op de bres staan, alles in het werk stellen om die te bevorderen en alles nalaten, wat daartegen strijdt.

Ie. Dat zij steeds voor, ogen houden, dat de algemene kerk wordt gekenmerkt door eenheid van belijden, m.a.w. door enigheid des geloofs overeenkomstig de gemeenschappelijke belijdenis der bijzondere of plaatselijke kerken.

2e. Dat zij de zelfstandigheid der plaatselijke of bijzondere kerken in ere houden, haar waardigheid en gezag als kerk van Christus erkennen en afweren, wat daaraan tekort doet.

Waarom daarop zo nadrukkelijk gewezen ?

Omdat met deze grondbeginselen van gereformeerd' kerkelijk leven ook in Hervormd-gereformeerde kringen dikwijls zo weinig wordt gerekend.

Ja, erger nog! Er zijn predikanten, en onder hen zelfs predikanten, die zich bij uitstek gereformeerd achten, of daarvoor gehouden worden, die er geen bezwaar in zien terwille van allerlei belangen van de kerkelijke verwarring gebruik te maken en deze eerste regelen van kerkelijk gereformeerd leven bewust of onbewust met voeten treden.

Dat klinkt nogal ernstig, zult gij zeggen.

Neen, het is ernstig! En het meest ernstig is, dat men het heel gewoon vindt, of niet ziet.

Wat moet men toch denken van het preken in een andere gemeente, geheel buiten de kerkeraad om?

Dat gebeurt door predikanten, die Hervormd zijn, Hervormd-gereformeerd, in gemeenten, waar de kerkeraad een prediking naar Schrift en belijdenis voorstaat.

Nóg eens : buiten de kerkeraad om. Men houdt „tijdreden" en preken voor dit en voor dat, zonder de kerkeraad of ook maar een plaatselijke predikant daarin te kennen, laat staan door de kerkeraad gevraagd te zijn of zijn instemming te hebben.

Ook de mensen en gezelschappen, die dergelijke samenkomsten beleggen of uitlokken, zonder overleg met de kerkeraad, gaan uiteraard niet vrij uit.

Een dominé kan maar niet zeggen: ik preek, waar ik gevraagd word, en gemeenteleden, die de belijdenis liefhebben, kunnen zich niet vrij pleiten van wanordelijkheid, als zij alle bijeenkomsten gelijk achten met de wettige Dienst des Woords.

Hierin openbaart zich een misbruiken van de kerkelijke verwarring, hetwelk door een ijver tot evangeliseren niet kan worden goedgepraat, want het geschiedt door en onder Hervormd-gereformeerde mensen.

En nu wijs ik alleen maar op onze gereformeerde belijdenis, die zulk een willekeur en individualisme niet leert, maar ons ook onderricht over de eisen van een gezond kerkelijk leven. En zo zij — gelijk wij geloven —overeenkomt met de Schrift, is het voor ons, die de uitdrukking Schrift en belijdenis vaak zo gemakkelijk hanteren, eis, de gehoorzaamheid des geloofs ook in onze onderlinge omgang en in ons kerkelijk leven te betrachten.

Het is ook mogelijk, dat er zijn, die geheel ter goeder trouw in deze zondigen, omdat zij er nimmer bij hebben stilgestaan dat het persoonlijke geloofsleven ook het kerkelijke leven raakt en dat wij dat niet kunnen verwaarlozen zonder daarvan de wrange vruchten te oogsten.

Dan is het ook temeer nodig op deze zaak te letten en in onze handelingen ernst te maken met de waardigheid, welke God aan de ambten en aan de bediening der ambten wil verbonden hebben, opdat Hij ook daarin gevreesd en geëerd worde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJK GEREFORMEERD LEVEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's