De Gereformeerde Bond en de gescheiden kerken
II.
De vorige maal werd er op gewezen, dat het verval der Kerk mede te wijten is aan de gereformeerden in en buiten de Kerk, omdat om dit verval een collectieve, gezamenlijke schuld op de gehele Kerk rust, en omdat de gereformeerden in het bijzonder niet voldoende werkzaam zijn geweest in gebed en kerkelijke arbeid om de kerk, onder inwachting van de zegen des Heeren, bij het Woord te bewaren. Enkele ernstige gevolgen daarvan werden genoemd.
Wat moeten wij nu met die schuld aan ?
Wij zullen die voor de Heere hebben te belijden, en Hem vragen of Hij niet naar onze zonden wil doen door de Kerk niet geheel te verlaten.
Nu lezen wij in Spreuken 28 vs. 13 : , , Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn, maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen".
Wij zijn niet klaar met een belijden van ons tekort ook met betrekking tot de Kerk. Wij zullen, wat wij verkeerd hebben gedaan, naar vermogen moeten herstellen.
Het bezwaar van de hervormd gereformeerden tegen de gescheiden kerken is, dat zij de ruïne van de Kerk rustig de ruïne laten en geen blijk geven, zich verantwoordelijk te weten voor de schuld, die zij in hun vaderen op zich geladen hebben.
De hervormd gereformeerden kunnen afscheiding van de Keik der vaderen niet anders zien dan als een eigengerechtige poging, onder deze schuld uit te komen.
Deze poging is bovendien vruchteloos en werkt zelfs averechts omdat datgene, wat van de Kerk bij de afscheidingen overbleef, daardoor eerst recht aan het verval zou zijn prijsgegeven, als niet de Heere in Zijn ongebonden goedheid tot nog toe nog steeds Schriftuurlijk geloofsleven in de Kerk had bewaard en zelfs opnieuw gewekt.
Hier horen wij protesten. De Kerk zou in haar afval geen Kerk meer zijn. De leertucht werd ten tijde van de afscheidingen niet meer, en wordt nu nog niet gehandhaafd; een van de drie kenmerken, die in art. 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis van de ware Kerk, worden gegeven.
Op dit laatste later nog terugkomend, menen wij, dat niet kan worden ontkend, dat de Hervormde kerk gereformeerd belijdt. Dat betekent, dat de prediking, die niet naar Schrift en belijdenis is, ook in de Hervormde kerk geen wettige, waarlijk kerkelijke prediking is ; dat alles, wat er in de Kerk zoal gebeurt in strijd met de grondslag der Kerk, zoals die in de belijdenis is gegeven — bijvoorbeeld het praktisch ontbreken van leertucht — niet wettig, niet legitiem is. Men mag dus nooit zeggen : in de Hervormde kerk hebben Waarheid en leugen gelijke rechten.
En nu zou men in de gescheiden kerken willen, dat zij, die naar de belijdenis beoordeeld kerkelijk in de Hervormde kerk bezig zijn, het veld zouden ruimen voor hen, die de gehele Kerk van haar fundament willen loswrikken ?
Neen toch ! Is daarvoor kerkelijk gezien geen aanleiding, het is ons evenzeer onmogelijk als we letten op de verantwoordelijkheid, die de schuld der Kerk op ons legt. Daar is — indirekt mede door onze nalatigheid — een brede schare onder het kerkvolk, die van de grondslag der Kerk is afgedwaald, die „de afgoden is nagevolgd", die het evangelie van een rijke Christus voor een arme zondaar te somber en, , zwaar" vindt, en liever als slachtoffers van het harde leven wordt aangesproken, dan als schuldigen. Eveneens velen denken helemaal nergens meer over en zitten met een nog maar uiterst dun draadje aan de Kerk vast: zij zijn nog gedoopt, omdat grootmoeder dat wilde, e.d.
De gescheiden kerken zullen toch niet kunnen ontkennen, dat een — op de juiste wijze , , geplaatste" prediking in zo een noodtoestand oneindig veel meer zou uitrichten — en ook metterdaad uitricht — dan de zogenaamd actuele prediking die zich, los van het geloof van de Kerk der eeuwen, zoals dat in de belijdenis wordt uitgedrukt, baseert op het moderne levensgevoel.
Maar dan spreekt het vanzelf, dat we ook uit dit pastorale oogpunt verplicht zijn, mede terwille van deze mensen de Kerk terug te roepen tot waar zij ook bij de Reformatie toe werd teruggeleid. In deze hervormd gereformeerde zin zéggen ook wij : de hele lading moet mee.
Wij hebben in dit terugroepen het grote voorbeeld van de Heere Jezus, die, de schare ziende, met innerlijke ontferming werd bewogen, want zij waren als schapen, die geen herder hebben ; en Hij begon hun vele dingen te leren. (Marcus 6 vs. 34). Daartegenover treft ons de mentaliteit van de gescheiden kerken als een, die de indruk maakt van niet vrij te zijn van farizeïsme en particularisme, (, , Als wij het maar goed hebben").
Ook de niet-gereformeerden in de Hervormde kerk zijn in het Verbond, zijn gedoopt in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes met de betekenis, die ons doopformulier daaraan verbindt. Het teken vraagt evenwel om de betekende zaak, waardoor een valselijk rusten in het Verbond uitgesloten is. Ook bij hen moet, als bij ons, deze doop in een leven des geloofs worden bevestigd ; en hoe zullen zij dan horen, zonder die 'bun predikt ?
Ja maar, voert men van afgescheiden zijde aan, dat Verbond is — door het ontbreken van de tucht — ontheiligd. Ongetwijfeld, Maar een ontheiligd Verbond is nog altijd Verbond. Was dat niet zo, dan zou er voor deze tijd geen sprake meer uitgaan van de profeten, die Israël, dat ook het Verbond ontheiligde — en hoe — tot bekering opriepen ; er zou voor de Heere — om het concreet te zeggen — geen aanleiding meer zijn. Zich met de Hervormde kerk te bemoeien. En er kan toch moeilijk worden weersproken, dat Hij Zich daar nog een volk verzamelt, tot Zijn dienst bereid. Ook op zulke plaatsen, waarvan de gescheiden kerken vóór enige tientallen jaren konden zeggen : , , vrijzinnig — afgeschreven voor het Koninkrijk Gods", en als Jona onder de vijgeboom berustend wachtten op het voltrekken van het oordeel, dat huns inziens zeker komen moest.
De gescheiden kerken schijnen van oordeel, dat afscheiding geboden is ook van een Kerk, die naar de Schrift belijdt indien daar dingen plaats vinden die min of meer duidelijk met die belijdenis in strijd zijn. Zij hebben evenwel te bedenken, dat daarbij een subjectief element insluipt in de beoordeling van de situatie : of afscheiding bij een bepaalde afwijking geboden is, ja dan neen. Altijd zal een deel van de kerk in kwestie van mening zijn, dat afscheiding noodzakelijk is om de Kerk „zuiver" te houden, en een ander deel deze noodzakelijkheid ontkennen. Zo brengt elk conflict van enig belang automatisch een nieuwe scheiding voort — tot bespotting van de wereld. Dat vloeit voort uit het separatieprincipe op zichzelf.
De gescheiden kerken moesten zich meer voor ogen stellen, dat de spanning tussen wat de Kerk behoort te zijn en wat zij werkelijk is, er altijd is geweest, zowel onder het Oude Verbond, als in de aposteltijd en na de Reformatie, In het Hooglied wordt van de Kerk gezegd: „Ik ben zwart, doch lieflijk". Zwart in haar afwijken van de Heere, lieflijk in haar belijden van de Naam van de Bruidegom, Dat noopt tot meer bescheidenheid dan het beeld van de triumferende Kerk, waar de gescheiden kerken op vooruit schijnen te willen grijpen.
Tenslotte de tucht. In art. 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis worden als kenmerken van de ware Kerk genoemd : reine bediening des Woords, reine bediening der Sacramenten en tuchtoefening. De Hervormde kerk behoort dus tucht te oefenen : dat belijdt de Kerk immers zelf. De vraag is echter, of zij, nu dit momenteel niet gebeurt (althans geen leertucht), daardoor ophoudt Kerk te zijn.
Wij zijn van mening, dat dit niet het geval is. De drie kenmerken staan wel naast elkaar genoemd, maar dat betekent niet, dat zij voor het Kerk-zijn evenveel direkte betekenis hebben. Het kan immers aan ieder duidelijk zijn, dat het derde kenmerk niet meer dan hulpmiddel is voor de eerste twee. Men kan wel zeggen, dat het doel van de tucht is : rein houden van prediking en sacramentsbediening, maar niet, dat het doel van de prediking tuchtoefening zou zijn in de zin van art. 29. Daarom zijn wij het eens met de voorstelling, dat de eerste twee kenmerken tot het wezen, en het derde tot het welwezen van de Kerk behoort ; en dan van de Kerk als geloofsgemeenschap. Voor de Nieuw Testamentische gemeente als voortzetting van het oude Israël is namelijk het Verbond het constituerende element: het gedoopt zijn in de naam des Allerhoogsten.
Dat roept om een zich openbaren van de Kerk als geloofsgemeenschap. Zonder dat treft de Kerk een zwaar oordeel. Dan blijft echter dat oordeel aan de Heere en niet aan de gelovigen, alsof het hun vrij zou staan, zich af te scheiden.
Daarom smeken wij de Heere God, of Hij ook voor de Hervormde kerk Zijn Geest wil doen komen van de vier winden ; en tot de gescheiden broeders zeggen wij : Indien gij toestemt, dat de Hervormde kerk weer naar de belijdenis behoort te gaan leven, leg ons dan daarmee geen last op, zonder die zelf aan te raken, maar kom over en help ons !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's