De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Hoofdstuk I. Artikel 7. De verkiezing is een onveranderlijk voornemen Gods

11 minuten leestijd

Wij moeten in dit artikel op de onveranderlijkheid Gods terugkomen. Zoals mijn lezers weten, was ik bezig met Barth's betoog over de open veelheid. Gods bedoeling is op allen gericht, maar Barth durft niet te zeggen, dat allen zalig worden. De Almachtige blijft daar vrij in. Alleen zij worden zalig, die de Vader aan de Zoon geeft. Nu gaat hij verder met te zeggen, dat het Gods zaak is te beslissen wat de wereld is en het getal mensen (die menschliche Gesamtheit) die in en met Christus zijn uitverkoren.

Precies, zeggen wij, dat is in Gods vrijmacht. Maar dan komt deze zin : , , Het zij ons genoeg te weten en te bedenken, dat het in elk geval Gods almachtige barmhartigheid is, die daarover altijd opnieuw beslist". Dit lijkt mij een duistere zin. Barth houdt het daarvoor, dat er mensen verloren kunnen gaan. Maar dat is dan een gevolg van Gods barmhartigheid, want die beslist daarover. Kan dat ? Of betoont God ook Zijn gerechtigheid in het straffen der zondaren ? En dan is er de uitdrukking, dat God telkens opnieuw beslist. Dat geeft mij óok veel te denken. Ieder, die tot Christus gebracht is, kan dus ook weer van de Borg afraken door een nieuwe beslissing Gods, Of gelden de nieuwe beslissingen voor de gelovigen niet ? Barth betoogt, dat de openbaring van Gods barmhartigheid in Christus een gebeuren is in de geschiedenis. Dat is zo. Wat wij de algemene roeping noemen, is telkens weer een nieuw gebeuren. Maar ook de krachtdadige roeping is dat. Gods roeping gaat al maar verder. Dan wekt Hij bij deze het geloof, dan bij die. Maar altijd alleen bij hen, die Hij te voren gekend heeft. Dat zegt de Schrift. Maar dat alleen de barmhartigheid Gods beslist en dat telkens opnieuw, lijkt mij niet gegrond. God beslist met al Zijn eigenschappen en heel Zijn Wezen. En God heeft beslist, want al Gods volk zijn uitverkorenen vóór de grondlegging der wereld. Daar huppelt Barth genoeglijk over heen. En dan keert hij soms ineens tot de Schrift terug. Eerst betoogt hij, dat het niet een gesloten getal is, want dat de openbaring van Christus al maar verder gaat en geloof vindt. Dit is de roeping uit Romeinen 8 : 30. Het is de uitvoering van Gods eeuwig voornemen. Geroepenen komen er steeds bij. Ook gerechtvaardigden. Paulus zegt: , , Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof". Dat woord staat in de aoristus. Het is een machtige daad Gods in de tijd. Maar als de roeping en de reohtvaardigmaking steeds verder gaan op grond van Gods voornemen, dan wil dat niet zeggien, dat het getal der uitverkorenen zich uitbreidt.

Barth zegt, dat hij. het getal der uitverkorenen niet voor een gesloten aantal kan houden, omdat hij in Christus de grond daarvoor niet vindt. Een dergelijke opmerking maken de Leerregels ook. Dan betreft het de offerande van Christus. , , De dood des Zoons Gods is de enige en volmaakte offerande en genoegdoening voor de zonden; van oneindige kracht en waardigheid, overvloediglijk genoegzaam tot verzoening van de zonden der ganse wereld". Maar aan de andere kant is er wel degelijk een beperking. Ik denk aan Johannes 17 : 9 : , , Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt". Barth zegt: , , Ieder gebeuren in de wereld en aan de wereld is zaak van Zijn souvereine beschikking". Prachtig, zeg ik, maar dan toch een souvereine beschikking van Gods Raad, niet van enige willekeur. Daar is telkens een beperking in het Evangelie van Jezus Christus. Barth brengt er in het vervolg ook een naar voren. Hij betoogt nog eens weer, dat Jezus niet voor alle mensen als gegeven beschouwd kan worden, want dat Hij alleen voor de gelovenden is, - volgens Joh. 3 : 16. De gelovigen zijn echter niet allen, maar zij vormen een gedeelte van het geheel. Zij zijn uit de wereld uitverkoren. Het zijn de velen, waar Jezus Zijn leven voor heeft gegeven tot öen losprijs. Het zijn de velen, die in werkelijkheid slechts weinigen zijn. Dat staat in Matth. 22 : 14. Het zijn er weinigen tegenover de overigen. Het zijn slechts weinigen, gezien het getal dergenen die konden geloven, voor wie voorwerpelijk zijn roeping geldt en die Jezus toch niet bereikt en die toch niet in Hem geloven. — Let wèl, Barth is aan het woord. — Dat de wereld uitverkoren is, dat zegt het N. Testament nergens en dat kunnen wij ook niet zeggen, doch alleen dit, dat de uitverkiezing van Jezus Christus voor de wereld is geschied. Dit lijkt aardig in het bijbelse spoor te lopen. Gezien het getal mensen aan wie het Evangelie gepredikt is, zijn er maar weinig uitverkoren. Maar hoe rijmt Barth deze uitspraak van blz. 468 met die andere op blz. 356, dat de gemeente tot ieder mens moet zeggen : „in Jezus Christus zijt ook gij uitverkoren en niet verworpen. Juist gij zijt met Hem en door Hem uitverkoren".

Zie het eens even goed aan. Op blz. 468 zijn er slechts weinige uitverkoren en op blz. 356 mag en moet de dominee tegen ieder zeggen : juist gij zijt uitverkoren. Hoe weet Barth dat, of die dominee ? Ik kan zulke enorme verschillen in één boek niet rijmen. En als Barth onderscheid heeft willen maken tussen algemene roeping en krachtdadige roeping, tussen de verkiezing tot 'het horen van Gods Woord en tot de zaligheid, dan had hij beter de oude beproefde onderscheidirtgen vast kunnen houden. Nu krijgt men zo'n vreemdsoortig geheel. Aan de ene kant zijn alle mensen uitverkoren. De gemeente moet tot ieder zeggen : gij zijt uitverkoren in Christus. Al wil men een verworpene zijn, dan kan men het niet eeris. Op blz. 385 zegt Barth, dat sommigen zich als verworpenen kunnen gedragen, maar dat het hen niet gelukken zal het zwaard van de toorn Gods tot zich te trekken. Dat heeft nu eenmaal de Christus getroffen. Hoe anders spreekt de Heilige Schrift. Daar lezen wij van velen, die zullen zoeken in te gaan, maar niet kunnen. Daar lezen wij ook van weinigen, die het leven vinden. In Gods Woord is het helemaal zo onmogelijk niet om verloren te gaan. Daar is het veeleer een groot wonder, dat iemand zalig wordt. Het zullen er maar weinigen zijn, zegt de Heiland. En Barth zegt dat ook op blz. 468. Daar is een oud spreekwoord dat zegt: wie goed onderscheidt, geeft goed onderwijs. Bij Barth en de zijnen mis ik dit klare onderscheiden. In zijn „Een beroerder Israels" schrijft prof. v. Niftrik : , , Wij zullen dus niet zeggen, dat alle mensen zalig worden. Wij zullen wel zeggen, dat alle mensen in Christus verkoren zijn. De vraag is alleen of zij dit geloven". Kijk dit eens aan. Wat voor waarde heeft hier de uitverkiezing. In de Bijbel betekent uitverkiezing, dat de uitverkorenen zalig worden. Rom. 8 VS. 30 laat niet toe, dat er één verloren gaat. De onwederstandelijke genade Gods brengt al de uitverkorenen tot de zaligheid. Maar wat een spel drijft men dan met het woordje uitverkiezing, als men zegt dat er uitverkorenen verloren kunnen gaan. Een onmogelijke mogelijkheid, wordt gezegd. Spreekt de Bijbel zo ? Volstrekt niet, maar zij waarschuwt heel sterk tegen deze geweldig grote mogelijkheid, dat dominees en professoren en gemeenteleden verloren gaan. Ik heb ook nog gelezen, dat in het N. Testament geen scheidingslijn door de gemeente loopt. In het Oude Testament is dat wel, maar in het N. Testament komt dat niet voor. Wanneer Calvijn de scheiding dwars door de christelijke gemeente laat lopen, heeft hij daar niet de N. Testamentisohe tot voorbeeld. In elk geval, zo merk ik op, is die scheiding even goed te zien als zij, in het O. Testament te zien was. Barth schrijft: nooit wordt een voorbehoud zichtbaar, alsof iemand van de gemeen­te, die met wij of zij wordt beschreven, open of heimelijk niet tot de uitverkorenen zou kunnen behoren. Ik heb de brieven eens opgeslagen uit Openbaring 2 en 3. Daar wordt in de brief aan Efeze geschreven: , , Ik weet, dat gij de kwaden niet kunt dragen". Die zijn toch in de gemeente. Is kwaden een ander woord voor uitverkorenen ? Die zich uitgeven voor apostelen, hebben zij leugenaars bevonden. Uitverkoren leugenaars dan zeker. Loopt hier de scheidingslijn niet dwars door de gemeente ? In Pergamum zijn de volgelingen van Bileam en de Nikolaieten. De scheidslijn dwars door de gemeente, evenals in Israël. In Thyatire is de vrouw Izebel met haar volgelingen. Dat zijn allemaal wantoestanden in de gemeente. Deze gemeenten vertonen eenzelfde beeld in beginsel als het volk Israël. Aan Sardis luidt het Woord des Heeren : Gij zijt dood. Daar zijn nog slechts enkele weinige namen, die hun kleren niet bevlekt hebben. De gemeente van Laodicea is bekend genoeg, die zal God uit Zijn mond spuwen. Wie kan nu volhouden dat er geen scheidslijn door de N. Testamentische gemeente loopt ? En hoe kan iemand zeggen, dat er geen gedachte is, dat iemand niet tot de uitverkorenen zou behoren. Ananias en Saffira is het direkte bewijs van het tegendeel. En Demas, die de tegenwoordige wereld heeft liefgekregen. En de schipbreuklijders uit 1 Tim. 1 : 19. Voorts de waarschuwingen, dat ook anderen niet dezelfde weg zouden gaan. Alleen is aan te nemen dat de afval niet zo groot was als in de dagen van Calvijn en in het heden. Laat men toch niet proberen zich de ogen moedwillig te sluiten voor de toestand in het heden, door zich in te beelden dat de christelijke Kerk heden precies zo is als in de eerste eeuw. Men spreekt wel eens van mannen met een profetische blik. Wie zó oordeelt, lijkt meer op een man met een verstarde blik. We moeten van onze omzwervingen wederkeren.

Is Gods voornemen onveranderlijk ? Neen, zegt Barth. God neemt telkens nieuwe beslissingen. Ik vraag mij af, wat God dan over een mens beslist. Bij de gereformeerde verkiezingsleer weet men dat. Daar beslist God dat deze mens zalig zal worden door Christus, en dan gebeurt dat ook. Maar bij Barth schijnt toch de mens zelf de laatste beslissing in handen te hebben. Misschien dat Barth nog wel eens duidelijk uiteen zet hoe dat met deze beslissingen van God en van de mens zit. Op blz. 357 schrijft hij het zo : Eerst moet de gemeente aan de verworpene prediken dat hij uitverkoren is. ledere verworpene — Barth verstaat daar een openbaar goddeloze onder, wat niet de bijbelse gedachte is — is met en door Christus uitverkoren. Hoe valt nu de beslissing ? Die valt door hetgeen de aangesproken „verworpene" nu zegt en doet. Is daar niet meer van te zeggen ? Heeft de mens werkelijk de eigenlijke en laatste beslissing? Als het dan is zoals Barth leert, wordt er niet één zalig. De mens beslist zonder onwederstandelijke genade altijd vóor het leven in de zonde of in de eigengerechtigheid. Ik haalde daar straks een uitspraak van Van Niftrik aan. De vraag is alleen, zo zegt hij, of wij geloven, dat wij uitverkoren zijn. Dan zijn we gered. Maar, zeg ik, geloofden dan alle Farizeërs in de dagen van de Heere Jezus ? Doch wat zei deze : , , Tenzij gijlieden wederom geboren wordt, gij kunt het Koninkrijk Gods niet zien". 'Het zal een mens niets baten, al gelooft hij nog zo sterk dat hij uitverkoren is. Wij moeten onze verlorenheid leren kennen en tot een geheel verbrijzeld mens worden en in die weg afgesneden van de oude Adam en overgeplant in Christus. Paulus schrijft: , , één plante met Hem worden". Dat is een totale omkeer van heel ons wezen.

Wat liggen de dingen in de Schrift toch eenvoudig. Heel de wereld is in Adam van God afgevallen. Maar God heeft zich vóór de grondlegging der wereld een volk uitverkoren, Elk lid van dat volk is Hem bij name, bekend. De Heere voert in de tijd Zijn voornemen uit. Hij biedt de Christus aan bij allen die het Evangelie horen. Ze weigeren allen. Maar dan gaat de Heere verder. Ze weigeren nóg. En dan gaat de Heere onwederstandelijk door van geslacht tot geslacht bij ieder, die Hij daartoe heeft uitverkoren. Dat is Gods vrijmaoht. Het merkwaardige is, dat Barth tenslotte ook bij een klein getal uitverkorenen uit­ komt. Maar hoe het zij, hij leert, dat er geen vaststaand besluit Gods is. De preedestinatie is niet een raad Gods, doch een daad Gods in de tijd. Verkiezing en verwerping kunnen in elkaar overgaan. Daar is geen vaste onveranderlijke eeuwige verkiezing en het heil der gelovigen is niet onverliesbaar. Daar is geen boek des levens, daar de uitverkorene niet uit weggeschrapt kan worden. De kerk, die vandaag verkoren is, kan morgen verworpen worden. Ons heil staat niet vast. Er is geen vast besluit, er is ook geen besloten getal, er is slechts een , , open veelvoud" ; God praedestineert door en neemt telkens nieuwe beslissingen. Hij komt tot ons met de prediking : gij zijt allen uitverkoren in Christus (n.l. om deel te mogen krijgen aan Zijn liefde) ; gij kunt dat deel alleen •ontvangen in de weg van geloof en bekering ; bekeert u dan tot Hem en neemt toch uw verkiezing aan in onze Middelaar en Heer.

Op bovenstaande wijze vat K. Dijk de verkiezingsleer van Barth samen.

Maar nu hebben wij weer eens lang genoeg gehoord wat Barth zegt. Het wordt tijd, dat wij weer eens horen wat Gods Woord spreekt.

L V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's