WAT VERGAAT, HET WOORD BESTAAT
En het granse overblijfsel van Juda, die uit Egypteland gekomen zijn om aldaar als vreemdeling te verkeren, zullen weten wiens woord bestaan zal, bet Mijne of het hunne. Jeremia 44 : 28b.
Dit woord komt tot een groep Israëlieten als een woord vol oordeelsdreiging. Jeremia, de profeet, spreekt het In Egypte. Tegen Gods wil in zijn de Joden, na de verwoesting van stad en tempel, uitgeweken naar Egypte. Daar menen ze vrij te zijn van de vrees voor Nebukadnezar. Maar de vreze Gods hebben ze evenzeer afgeschud. Ze zijn bijeen, waarschijnlijk op een soort feest voor de godin, die ze vereren, de hemelkoningin. De Joden zeggen : toen we deze godin vroeger dienden, ging het ons goed. Er was brood en overvloed. Wat een les trekken ze uit de geschiedenis ! Daarom zijn ze nu in Egypte ook maar weer tot afgoderij vervallen. Ze hebben uit de oordelen die over het volk gekomen zijn, niets geleerd. Dat is dus hun woord : de afgoden dienen in Egypteland en dan zullen we 't goed hebben.
Hiertegen verheft Jeremia zich met Gods Woord. Het Woord, dat hij altijd heeft gepredikt: bekeert u tot God met uw ganse hart en gij zult leven en het zal u welgaan. Telkens maar weer heeft Jeremia dit Woord gebracht. Ook nu in Egypte. De profeet zegt: Ge ziet het mis, o mijn volk ! De oordelen van vroeger kwamen juist omdat ge God verlaten had en de afgoden was gaan dienen. En als ge nu voortgaat met uw afgoderij, dan zal Gods oordeel u treffen. Want Nebukadnezar kan u ook hier vinden. En deze zal komen en Egypteland slaan: wie ter dood, ter dode; en wie ter gevangenis, ter gevangenis, en wie ter zwaard, ter zwaarde. Enkelen zullen ontkomen, maar God zal bezoeking doen over degenen die in Egypteland wonen, door het zwaard, door de honger en door de pestilentie. Dat is Gods Woord.
En dit Woord is uitgekomen. Ze hebben 't geweten in Egypteland, dat Gods Woord bestaat en dat de Heere gelijk heeft.
Met niet minder ernst komt deze prediking tot óns. Wij zijn mensen, die zo onze eigen mening hebben over het wereldgebeuren in het groot en wat er voorvalt in het klein, ook in het persoonlijk leven. En dan zeggen we : als we dit of dat eens deden, als we dit of dat stelsel eens konden toepassen, ja, dan zal het goed worden, althans beter dan nu. En zeker, ik weet het ook wel, dat het ene stelsel beter is dan het andere. Maar toch, in dit alles ligt niet de hoofdoorzaak van de velerlei moeilijkheden en dreigingen. Deze ligt hierin, dat wij afgoderij plegen. Grove afgoderij, doordat we openlijk God verwerpen en alleen maar heil verwachten van , , ónze" mannen, van onze „mening" enz. Bedekte afgoderij, doordat we onder het mom van godsdienst, toch ons betrouwen stellen op mensen, op invloed, op inspanning, enz. De bron van de wereldellende en van alle nationale ellende is het in de wind slaan van Gods getuigenis. Zover kan men komen, dat juist aan God en het dienen van God de schuld gegeven wordt van alle moeite en tegenslag. Als wij maar eens, kunnen bereiken wat wij willen, zonder God en de Heere Jezus, dan wordt het goed. Maar God de Heere blaast in al dit pogen en in al deze mensenwoorden. God zegt: de zorgen zijn er, omdat ge Mij verlaten hebt, en als ge niet wederkeert tot Mij en onder Mijn Woord buigt, dan is het verloren. Dan moet Ik weer met Mijn oordelen komen. En daarin heeft God gelijk. God heeft het laatste woord. 't Lijkt vaak van niet, maar toch is 't zo. Denk aan Golgotha, 't lijkt of de vijanden van Jezus daar het laatste woord hebben. Maar Jezus staat op uit de doden. Gód heeft het laatste woord. Dat ondervindt ieder, die eigen woord blijft zetten tegen Gods Woord. Dan zal er ondanks alle confereren en vergaderen voor ons geen dageraad zijn. Alleen de nacht van het oordeel blijft over.
Vandaar is dit Woord nog een laatste ernstige roepstem tot bekering.
Weet ge wat dat is ? We worden geroepen om eigen mening en eigen woord los te laten en ons te keren tot het Woord Gods en daaronder te buigen. Daartoe worden zij geroepen die te regeren hebben, in grote en kleine kring. De vaders en moeders. Ja, wij allen tezamen. Want dat is God welbehagelijk.
Ons woord, dat is het woord van de werelddienst, van de brute verwerping, van de eigengerechtigheid, van de afgoderij, van de zelfhandhaving.
En neen, dan zijn wij met óns woord tegenover Gods Woord niet zo spoedig uitgepraat. Maar God die roept, is machtig en gewillig om door Zijn Geest het hart aan te grijpen en stuk te breken.
Hij leert ons zwijgen. Hij maakt ons tot uitgeprate mensen, die eigen inzicht en wijsheid prijsgeven, om alleen te horen naar wat God tot ons zegt.
We leren onszelf kennen als afgodendienaars, als ongelovigen, als tegensprekers, als vijanden van Gods getuigenis. God kan u daartoe, al naardat wij nodig hebben, neerbeuken, neerslaan op onze levensweg. God kan het óok op een andere wijize doen. Maar we leren toch steeds, dat wij onze mond tegen God hebben opengedaan. Dan leren we in de praktijk iets kennen van ons verderf, onze vijandschap, onze zelfhandhaving. Dan raken wij uitgepraat en leren wij in de weg der ontdekking onze schuld voor de Heere belijden. De vastheid van het Woord Gods leer ik dan in zijn veroordelende kracht kennen in mijn leven. En wat zou ik dan nog te zeggen hebben ? Mij rest alleen de bede : O God, wees mij, zondaar, genadig !
In deze weg wordt nu ook de vertroosting van de vastheid van Gods Woord gekend. De profeet heeft in zijn prediking mogen getuigen van het heil voor allen, die de Heere om Zijn genade leerden aanroepen. Als ik uitgepraat ben, dan zijn er allerlei stemmen die mij aanspreken. Voor u is er geen redding meer. Ge hebt God tè lang laten wachten. Ge hebt tè zwaar gezondigd. Schud die sombere gedachten maar van u af!
Het behoeft ook niet. Dat gaat de Heere doen met Zijn eeuwig blijvend Woord. Hij, Die ons uitgeprate zondaren maakt, Hij gaat spreken door Woord en Geest in mijn hart van dat wondere werk in Christus. Hij zegt: ge zijt niét te oud. Uw zonde is niét te groot. Hij wijst op het volbrachte werk in Christus Jezus. En als ik daarop een geloofsblik werpen mag, dan komt er 'verruiming, hoop en blijdschap. Ja, en als de Heere mij . door het geloof in dat werk inleidt, mij daaruit doet leven, mij uitdeelt uit Christus' volheid, dan wordt de mond geopend om dat vaste Woord Gods in Christus te prijzen. Dan zeg ik :
„Hoe wonderbaar is Uw getuigenis. Dies zal mijn ziel dit ook getrouw bewaren".
O, sta uzelf toch niet langer in de weg om deze troost te leren kennen. Houdt toch op met het spreken tegen God in, met het bekritiseren van Gods wegen, ook, als ge reeds Christus' discipel zijn moogt. Alléén als uw ziel stil mag zijn tot de Heere, hebt ge vrede en rust. En weet het dan : ook voor de toekomst is Gods Woord over u vast. De Heere zal u niet begeven of verlaten. Alle mensenwoord valt ter aarde, maar 't Woord onzes Gods bestaat tot in der eeuwigheid.
Welgelukzalig dat volk dat dit Woord kennen mag, want dat wandelt in het licht va^ Gods Aanschijn. (Psalm 89).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's