De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

11 minuten leestijd

Dicht bij huis — Naklanken op 19 oktober 1956 — Prof. dr. S. van der Linde in „Nederlandse Gedachten" — Een manco in de „feestbundel" — Bijzondere aspecten — Uit de rede van de voorzitter der conumssie van Perspectief — Gratia recordandi et jubelande

De Waarheidsvriend" van 25 oktober j.I. — om ditmaal eens bij huis te blijven — bevat een kort artikel van onze hoofdredacteur, waarin hij. sober en met danikbaarheid memoreert de voor hem zo bijzondere gedenkdag, die onze God vrijdag 19 oktober j.I. hem en de zijnen wilde doen beleven. Het is niet onze bedoeling, hier bij wijze van „verslag" op die dag terug te komen. , , Een , , kroniek" mag niet pogen te concurreren met , , nieuwsbladen" ; zij kan dat ook niet, omdat haar karakter meer is, uit wat bekend werd datgene, wat iets meer aandacht verdient, nog eens te onderstrepen en te accentueren. Bovendien, de huldiging van prof. Severijn is, mede naar de uitdrukkelijke wens van de jubilaris, intiem gehouden. En daarom reppen we daarvan niet. Wel willen we iets overnemen uit wat in verband met het zilveren ambtsubileum van prof. Severijn werd geschreven en gesproken. Prof. S. van der Linde wijdde in , , Nederlandse Gedachten" van 20 oktober j.I. een artikel aan de jubilaris, dat tot opschrift draagt: , , Vijf en twintig jaar hoogleraar". Na een summier gehouden levensbericht, gaat prof. v. d. L. nader in op, wat mèn zou kunnen noemen, , , een manco" in de „feestbundel', omdat daarin niet een artikel voorkomt over : ., , De mens in de politiek". Hij geeft toe, dat zulk een bijdrage , , op wettige wijze onderdak" in de bundel had kunnen vinden. Hij vervolgt dan :

, , Dit artikel is daarom eerlijk en , , dom" genoeg, mogelijke slapende honden bij voorbaat wakker te maken, maar te pogen, ze, nadat ze zich even op wettige wijze hebben mogen laten horen, alsdan de mond te snoeren. We signaleren dus op vrijmoedige wijze het „manco", maar pogen in deze kleine bijdrage meteen, het enigermate te vergoeden. Het moet dan wel, naar de gelegenheid van de dag, wat beknopt worden en van het weidser: de mens in de politiek, zich toespitsen op het meer actuele : prof. Severijn en de politiek.

Dat dit moeilijk anders kan zijn dan de anti-revolutionaire, kon van een gereformeerd leerling van prof. Visscher moeilijk anders verwacht worden. Op de achtergrond van het streven van de , , Gereformeerde Bond in de Ned. Herv. Kerk", waartoe prof. Severijn behoort en die hij nog steeds presideert, staat de strijd van de , , Nadere Reformatie" en daar weer achter, op een wijze, die nog wel eens nader zal moeten worden opgeklaard, het Reveil. Daardoor wordt de geestverwantschap met Bilderdijk, Groen en hun politieke denkwijze oa. verklaard en ook doorzichtig, waarom de gereformeerde vleugel van het Réveil voor de anti-revolutionaire politiek koos. In 1929 liet prof. Severijn, toen nog predikant in Dordrecht, zich vinden, om zijn pastoraat te verwisselen met het lidmaatschap der Tweede Kamer. Dat hebben velen, althans in zijn kring, stellig niet zo vanzelfsprekend gevonden, als het ons nu lijkt. Het wekte licht de gedachte, dat hier een eerstgeboorterecht werd ingeruild voor een schotel linzenmoes.

Toch heeft prof. Severijn, zeer terzake, niet aan deze gevoelens toegegeven. Gereformeerden hebben immers van huis uit (Calvijn's Institutie !) een sterke belangstelling voor de politiek. Maar het mag dan ook niet worden verzwegen: de , , politicophobie" (vrees voor de politiek) onder de gereformeerden in de Hervormde Kerk, was erg groot en is het nog sterk gebleven. Ze is wel begrijpelijk door een zich afzetten, altijd weer tegen Kuyper, maar doet anderzijds de kritische vraag aan hun adres richten : Weet gij wel, wat uw verwantschap met Nadere Reformatie en Réveil voor u betekent, bepaaldelijk op het politieke, anti-revolutionaire vlak ? Sommige diepboorders menen hier mysticisme te moeten constateren, maar dat begrip is zelf zo overbelast en onduidelijk, dat het maar pover kan fungeren als verklaringsgrond. We zien hier o.i. meer verwarring en kerkelijke breuken veroorzaakten hier o.i. politieke scheuren.

We hebben er wijlen prof. Visscher en nu prof. Severijn dank voor te weten, dat zij de moed hadden en de kracht vonden, om in deze tegen de stroom op te roeien en te betuigen, dat het christenleven, als geestelijk leven, breder grijpt dan het kerkelijke en stichtelijke. Zo hebben we respect voor deze beslissing van 1929. Want prof. Severijn heeft stellig wel geweten, dat het , , afdalen in de politieke arena" geen stil en gerust leven belooft. Dat moet voor een man met uitgesproken wetenschappelijke en wijsgerige aanleg dubbel zwaar vallen. Het moet nochtans, ongezocht, een goede inleiding tot 't komende academische ambt hebben gevormd. Wie immers toonde, als hij in zijn proefschrift, zich zo te kunnen inleven in een zo vreemde gedachtenwereld als die van Spinoza en diezelfde schone kunst in de Kamer heeft moeten beoefenen, kan datzelfde in het academische ambt bewerkstelligen en zo ongewenste wereldvreemdheid vermijden". Verderop vervolgt hij : , , De Kamer werd dus in 1931 verlaten. De band aan de politiek, aan de A. R. partij bleef. Met name ijverde prof. Severijn ervoor, dat het , , hervormd-gereformeerde volk" politiek wakker zou worden en vooral: eenstemmig. Dat is lang niet gelukt in de mate, waarop dat te wensen ware geweest Maar de aanpak is blijvend waardevol. Prof. Severijn bieef jarenlang lid van het centraal comité der partij. Aan de poging van prof. Visscher om een christelijk nationale actie te beginnen, en zo bepaalde grieven, in verband met de partij gerezen, juist met betrekking tot de hervormden, ingewilligd te zien, heeft hij niet kunnen meedoen'.

In het slot van zijn artikel zegt hij : , , De feestbundel, waarbij wij aanknoopten, is, naar we erkenden, maar een torso. Dat is heel het werk van prof. Severijn ook. En met name zijn aandeel in het politieke leven staat in dit teken. In zijn kring heeft het nadruk, dat wij hier, „in beginsel", het heil deelachtig zijn. Ook dat spiegelt zich in zijn levenswerk.

Deze aanhalingen — wij hadden het stuk gaarne in zijn geheel gegeven, doch vrees voor plaatsgebrek weerhield ons — geven een aspect op leven en werk van prof. Severijn, dat we onze lezers niet wilden onthouden.

  Na het woord van de professor, voorzitter van de commissie van redactie van de feestbundel, iets uit de toespraak van: de voorzitter van de commissie, die het initiatief nam tot deze , , feestbundel", de leerling, zo men wil. Onze lezers kunnen uit het vorige no. van ons blad weten, dat het de heer H. A. van Bemmel was, theol. cand. Na een woord van welkom, bijzonder gericht tot de jubilaris en zijn echtgenote en hun zoon, verhaalde hij van het totstandkomen van de , , feestbundel".

Daarop sprak hij zijn blijdschap er over uit, dat prof. Severijn door zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar vanwege de Geref. Bond — de benoeming dateert vanaf 1951 — nog steeds aan de theologische faculteit der Utrechtse universiteit is verbonden. De heer v. B. vervolgde — wij citeren uit het manuscript, door hem welwillend ons ter beschikking gesteld, waarvoor dank ! — aldus :

„Juist aan deze benoeming is het te danken, dat wij uw markante persoonlijkheid nog immer in onze collegezalen kunnen aantreffen.

Wie onzer zou uw rusteloze figuur willen missen ? U handhaaft uw eigen stijl.

Ik denk aan uw colleges, waar gij immer met een vriendelijk : , , Goede morgen, heren", verschijnt. U troont daar niet hoog boven ons. Vaak immers verlaat u de katheder om te midden van het vulgus profanum, de oningewijde schare, met allerlei beelden en voorbeelden — dikwijls met velerlei manoeuvres met de stoel — duidelijk te maken, wat u bedoelt.

En wie herinnert zich niet pijnlijk, de lamme hand, waarmee hij na het dictaat-kwartiertje ten slotte naar huis vertrok ?

Op college zijt gij immer bezig. Uw gehele persoon is bij uw werk betrokken. Alles lééft aan u. Uw college-uren vormen voor ons, studenten, de horae matutinai, de metten van onze door de faculteit zorgvuldig ingedeelde dagen.

In deze vroege morgenuren pijnigde u onze nog trage hersenen eertijds met de vraagstukken van de wijsgerige inleiding, de encyclopedie en de wijsbegeerte van de Godsdienst. (Gelukkig viel de Ethiek voor velen op een uur, waarin het hoofd helderder behoorde te zijn, al zagen wij vaak een studiosus knikkebollen na zijn warme maaltijd op de mensa).

Van dit alles is ons nog een rest — en wel een belangrijke rest — overgebleven door uw bijzonder hoogleraarschap.

Het doet ons altijd plezier, wanneer wij u aantreffen om met jeugdig élan de problemen van de Gereformeerde Dogmathiek voor ons uiteen te zetten en uw helder betoog ons te geven.

Een woord van dank past ook wel aan het zwarte bord en het witte krijt, dat ieder collegeuur bereid is moeilijke vraagstukken in één oogopslag ons duidelijk en doorzichtig te laten zien.

Wie zou zich u zónder dat bord kunnen voorstellen?

Er is veel waardering voor uw persoon en uw arbeid, ook voor wat gij geschreven hebt. (Inleid. Theol. Denken). Daarom danken wij God, voor wat wij in u ontvangen hebben.

Al uw gaven zijn immers talenten, die u van Hém geschonken zijn en waarmee gij in Zijn opdracht moet wérken.

Stellig zult u zeggen: ik ben slechts een onnutte dienstknecht geweest; ik heb maar gedaan, wat ik schuldig was te doen.

Toch meenden wij, professor, u te moeten tonen, hoe dankbaar wij zijn, voor alles wat u in die 25 jaar gedaan hebt — zowel binnen als buiten de universiteit. Dat die dankbaarheid niet alleen leeft in de kringen van de G. B., maar ook bij velen daarbuiten, ziet u aan het gezelschap, dat hier hedenmiddag aanwezig is. Spontaan kwam bij ons, studenten, nu al een jaar geleden (okt. '55) het plan op, u op deze dag een bijzonder cadeau aan te bieden, dat van blijvende waarde zou zijn.

De meesten van dit gezelschap waren, op ons verzoek, terstond bereid mede te werken".

Na enkele , , ups and downs" van de commissie gememoreerd te hebben — dat is nu eenmaal de risico van het bedrijf — besloot hij met verwijzing naar de „feestbundel" aldus :

, , Dat is het resultaat van onze arbeid. Bijna twintig collegae, vrienden, leerlingen, zijn aan het denken en schrijven geslagen om u een waardig jubileumgeschenk te kunnen aanbieden.

Sommigen van hen kennen u nog uit uw studententijd ; anderen hebben u van nabij gadegeslagen in uw pastorale arbeid, die — naar ons overgeleverd is — in Dordrecht zijn hoogtepunt bereikte ; weer anderen hebben u naar de Tweede Kamer zien gaan als afgevaardigde van de A.R. Partij en hebben u in 1931 de katheder zien beklimmen. Sommigen hebben met u samengewerkt in de faculteit, hetzij als rijks-, hetzij als kerkelijk hoogleraar. Anderen hebben met u gearbeid op het kerkelijk ter­ rein, hetzij in de Geref. Bond, hetzij in allerlei kerkelijke commissies.

Weer anderen mogen u hun vriend noemen. En tenslotte zijn er degenen, die uw onderwijs aan de academie hebben genoten.

Wij hopen, dat u ons geschenk, dat zonder de hulp van de uitgever Kok niet geworden zou zijn wat het nu is, wilt aanvaarden met de gedachte, dat het bedoeld is als een aansporing voor uw leerlingen uit de laatste generatie, om zich meer en meer te verdiepen in de vragen; die zich in dit onderdeel der theologie voordoen.

En wij spreken de wens uit, dat het u, met uw vrouw aan uw zijde, nog vele jaren vergund moge zijn na dit zilveren ambtsjubileum, in afhankelijkheid van de Here God, en met gebruikmaking van de u geschonken talenten, de waarheid van Zijn openbaring ons te ontvouwen, de wijsheid van het menselijk denken ons uiteen te zetten en voor het dagelijkse leven ons uw gewaardeerde raad te geven.

En dit alles, opdat ook boven uw leven met gulden letters de slotwoorden, van Calvijn's Institutia Religionis Christianas mogen staan : Soli Deo Gloria.

Wij zullen na het bovenstaande niets nieuws meer aansnijden. Onze hoofdredacteur en onze lezers zullen, naar wij hopen, het ons niet euvel duiden, dat wij in deze Kroniek bij honk bleven. , .Naklanken" op een dergelijk feit, op een bijzonder blijk van de zegen des Heeren over hem en de zijnen, alsmede over ons, lezers van , , De Waarheidsvriend", zijn medestanders en commilitones, hebben hun recht. Onze dank aan onze God voor dit alles is groot. Wij kunnen die niet beter samenvatten dan in het altijd weer treffende psalmvers : : , , Geloofd zij God met diepst ontzag !'"

Wij zijn prof. Severijn erkentelijk, dat. hij niet het , , ius non jubilandi", het recht om niet te jubileren, deed gelden, maar met ons zich wilde verblijden in de gratia recordandi et jubilandi, de genade van het herdenken, waarvan de jubel en de ere Gode zij gegeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's