De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERKIEZENDE VERKOREN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERKIEZENDE VERKOREN

10 minuten leestijd

I.

In een korte artikelenreeks, van 6 september tot 11 oktober, hebben wij onze lezers bepaald bij enkele hoofdzaken uit de Theologie van Karl Barth, met name, wat zijn leer der verkiezing aangaat.

Tot goed begrip zal het echter nuttig zijn op enkele punten wat dieper in te gaan.

Derhalve halen wij het nummer van 6 september weer te voorschijn, waarin het ging over het verband van schepping en verbond. Ook deze relatie komt nog eens weer ter sprake, maar het aanknopingspunt in genoemd artikel vinden wij in het gedeelte, dat gaat over Barth's beweren, dat Jezus van Nazareth de wereld geschapen heeft.

Is dat dan niet zo ? , hoor ik iemand vragen. Is , de Man van Nazareth dan niet de Zoon van God, van Wien de Schrift toch duidelijk getuigt, dat alle dingen door Hem, door het Woord, gemaakt zijn en dat wel zonder uitzondering. (Vgl. Joh. 1:3). Ja, zeker, de Schrift getuigt alzo en wij geloven en belijden dat ook (Vgl. Ned. Geloofsbelijdenis Art. X) n.l. dat de Zoon de wereld heeft geschapen en er staat ook bij, dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen heeft. Het schijnt derhalve dat Barth op dit punt overeenkomt met de gereformeerde belijdenis.

Maar weet gij wat ons bezwaar is tegen Barths bewering ?

Laat ik het in de vorm van een vraag duidelijk maken : Had het Woord, dat scheppende Woord, de Zoon Gods, van Wien Johannes gewaagt in het eerste hoofdstuk van het Evangelie, toen, in den beginne reeds een menselijke natuur ? Was Hij toen reeds God en mens ? Was Hij Jezus van Nazareth vóór het gewichtigste gebeuren in de wereldgeschiedenis door de engelen in Efratha verkondigd en bezongen : dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere ? (Lukas 2:10).

Anders gezegd: Was de mens Jezus Christus er voor Zijn geboorte te Bethlehem ?

Dan zou de Heere Jezus dus van den beginne de Zoon van God, maar ook de Zoon des mensen zijn geweest. De woorden in den beginne (Genesis 1 en Joh. 1) verstaan wij in de zin van : Toen God aanving zich te openbaren, toen God aanving met de schepping

Als wij de vragen zó stellen, zal men gevoelen, dat hier kwesties liggen, en prof. Barth weet wel, dat zijn beschouwing afwijkt van de theologische traditie der eeuw^en.

Alvorens ons standpunt nader te bepalen, willen, wij nauwkeuriger kennis nemen van de beschouwing van Barth, aan de hand van zijn K(irchliche) Dogmatiek II2. $33 blz101 v.v.

Barth handelt daar over Jezus Christus, de Verkiezende en de Verkorene. Van daar ook ons opschrift boven dit opstel.

Hij vangt deze paragraaf aan met de woorden: , , Tussen God en de mens staat, zelf God en zelf mens, en zo tussen beiden bemiddelend de Persoon Jezus Christus".

Accoord, zegt gij, dit kan ik ook onderschrijven.

We lezen verder : , , In Hem openbaart God zich aan de mens. In Hem kent de mens God".

Nu zegt gij niet zo gauw: accoord, want dat is in ieder geval niet in het algemeen waar.

We gaan weer verder : , , In Hem staat God voor de mens en staat de mens voor God, zoals het Gods eeuwige wil en zoals het des mensen eeuwige, aan de wil Gods beantwoordende bestemming is".

Er ligt wel iets in, zegt ge, doch uw instemming vlot niet. Gij komt met bedenkingen : Gij gelooft met Calvijn, dat Christus ook de Middelaar der Godskennis en der Godsgemeenschap in de staat der rechtheid is geweest, maar vraagt ge : had de Middelaar in het paradijs de menselijke natuur aangedaan ?

Over zulk een bemiddelende figuur spreekt Barth toch. 

En dan de uitdrukkingen: In hem staat God voor de mens en staat de mens voor God. De betekenis van dat staan is niet duidelijk.

Wij lezen weer verder : , , In Hem is Gods plan met de mens opgesteld, Gods gericht over de mens voltrokken, Gods redding der mensen volbracht, Gods gave aan de mens in haar volheid tegenwoordig, Gods eis en belofte over de mens uitgesproken. In Hem heeft God zich aan de mens verbonden. De mens existeert om Zijnentwil". De mens en de wereld zijn van Jezus Christus uit en tot Jezus Christus geschapen.

Iemand is er al met een tekst bij : Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. En een ander roept: Hij is vóór alle dingen en alle dingen staan tezamen in Hem. (Kol. 1 : 17). Er zijn nog meer teksten, maar voordat gij verder gaat, van wie zegt de Schrift dat alles ?

Van de Zoon, de Gezalfde des Heeren, luidt hét antwoord.

Goed, maar zeg mij, van de Zoon, die, toen, in den beginne ook mens was ?

Want, indien gij meent aan een Christus te moeten denken, die mens was, zo vragen wij : Welke mensheid heeft Hij toen, bij de aanvang der schepping en vóór Zijn vleeswording, dan aangedaan? Een bovenaardse mensheid misschien?

Meent gij dan dat er een hemelse mensheid voor Christus bijzonder is geschapen, en zou Hij dan bij Zijn geboorte in Bethlehem de aardse mensheid daarmede hebben verenigd?

Dat leest gij nergens in de Schrift, hoewel er wel wordt gesproken van een eerste en een andere Adam; .

Doch wij zouden eerst het standpunt van Karl Barth nader bepalen. Dat gaat wel ver ! Luister : , , Zoals het wezen Gods Zijn wezen is, zo is het wezen des mensen oorspronkelijk Zijn wezen", (t.a.p. blz. 101).

Het wezen van de mens is oorspronkelijk het wezen van Jezus Christus. Indien wij daaruit moeten verstaan, dat wij de oorsprong van ons wezen in Hem moeten zoeken, kunnen wij dat Schriftuurlijk verstaan, maar dan delen wij dat met alle schepselen, dat de oorsprong van ons en hun wezen (ja allereerst in de wil Gods ligt) maar, gezien op de scheppende werkzaamheid van het Woord, in Christus moet worden gezocht.

Nog eens : in die zin geldt dat van alle dingen: Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen in Hem. (Kol. 1 vers 17).

Indien wij het echter zo verstaan kunnen wij toch geen vrede hebben met de uitdrukking dat ons wezen, het wezen van de mens, oorspronkelijk Zijn wezen, het wezen van Jezus Christus is.

Wel is Christus het Woord, Gods Woord, waardoor alle dingen geschapen zijn. Dat is echter nog geen grond om te zeggen, dat het wezen van alle dingen oorspronkelijk Zijn wezen is.

Wat anders is het te zeggen, dat het wezen van alle dingen in Hem moet worden gevonden, omdat alle dingen betuigd worden in Hem tezamen te bestaan. Het kan ook een goede zin hebben daarbij te zeggen: omdat Hij het Woord is, maar dan is het goed daarbij te voegen, dat de bepaling van het wezen van de mens en van alle dingen haar oorsprong heeft in de wil en het voornemen Gods, waaraan het scheppende Woord gestalte geeft.

Een en ander kan uit de Heilige Schrift worden gedemonstreerd, en wel aangaande de schepping van de mens. Wij lezen in Genesis 1 : 26 : , , Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis....". Ziedaar het goddelijk overleg, waaraan ook de Zoon en de Heilige Geest deel hebben.. In dit overleg wordt het wezen van de mens bepaald: , , Naar Ons 'beeld, naar Onze gelijkenis".

Dit goddelijk overleg wordt gevolgd door de scheppende daad : En God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld van God schiep Hij hem.

Hoewel niet zo klaar en omstandig, kunnen wij toch hetzelfde in de voorafgaande verzen omtrent de schepping der wereld en de toebereiding der aarde opmerken. Vgl. b.v. VS. 9 : , , Dat de wateren van onder de hemel in één plaats vergaderd worden", enz. Hier spreekt het Woord over een voorgenomen zaak, die geschieden moet. Zo ook vs. 11 : „Dat de aarde uitschlete grasscheutjes", enz.

Bij de schepping van de mens wordt het goddelijk overleg omstandiger medegedeeld.

Barth maakt Jezus Christus, zoals Hij die in de onderhavige bladzijden tekent tot Gods besluit en aanvang.

Barth is n.l. afkerig van het z.g. decretum absolutum, dat hij abstract noemt, gelijk het in de theologie ook dikwijls is.

Daartegenover stelt hij Jezus Christus als het concrete besluit Gods ook aangaande de mens.

Omdat hij Jezus Christus het besluit Gods noemt, kan hij Hem ook de verkiezing Gods noemen.

Gij' vindt, dat dit een vreemd gebruik van het woord verkiezing is, omdat hier geen keuze is, en dat is ook wel zo. Denk nu echter aan de even vreemde gedachte van Barth omtrent Gods scheppende daad, zodat zijn verkiezende wil, we mogen hier wel zeggen, noodwendig, gepaard gaat met verwerping van wat God niet wil. Het heeft alleszins de schijn, alsof God uit vele mogelijkheden een keuze doet en vervolgd wordt door de wraak van het niet gekozene. Het woord praedestinatie is reeds daarom voortreffelijker en machtiger. God bepaalt van te voren wezen en bestemming van wat Hij in het aanzijn roept..

Het verwondert niemand, dat Barth zich bijzondere moeite geeft om zijn standpunt uit de Schrift te bevestigen.

Zijn exegese van verschillende uitspraken der Heilige Schrift, willen wij echter nog even laten rusten, terwij! wij ook over het z.g. decretum absolutum nog nader moeten handelen.

Alvorens dit stuk te besluiten echter nog een paar zinsneden van Barth over de Heere Jezus Christus, gelijk hij dien wil voorstellen van den beginne!

Jezus Christus was in den beginne bij God. Welnu, ziende op Gods „weten en willen" kan men van alle dingen zeggen, dat zij in den beginne bij God waren. n.l. in Gods plan en besluit.

Dat zou dus niets bijzonders betekenen.

Verder zegt Barth : op die wijze was Jezus Christus in den beginne ook bij God, maar zo niet alleen! Hij was ook als Eerstgeborene aller creatuur (Kol. 1 : 15) in den beginne bij God en Hij was dat, omdat Hij zelf het plan en besluit Gods, n.l. de goddelijke beslissing omtrent alle creatuur en haar geschiedenis is.

Barth heeft dus niet het oog op de Zoon van God in de eeuwigheid vóór de tijd, maar op Jezus Christus in den beginne, d.i. bij de aanvang der schepping. Zoals alle dingen in het plan Gods begrepen zijn, zo ook de mens. En als Jezus Christus evenals alle dingen in den beginne bij God was, kan dat alleen op Zijn mensheid zien. De mensheid toch kan met alle dingen, met het geschapene, op één lijn worden gezet, maar de Godheid niet.

Doch nu gaat Barth verder, door te zeggen, dat Jezus Christus in die zin wel evenals alle dingen in den beginne bij God was, maar alzo niet alleen, want Hij was zelf het grote plan Gods en het besluit, waarin de ganse schepping en de geschiedenis besloten is.

Op zich zelf kan men hiertegen niet veel inbrengen, want Jesaja zegt: en men noemt Zijn Naam wonderlijk, raad. Dat betekent een wezensbepaling van de Messias. Hij is Raad Gods. Barth spreekt van plan en besluit, maar goed, Gods Raad omvat Zijn plan en besluit. Dat kan echter geen grond zijn voor de bovenaangehaalde, uitdrukking van Barth, dat het wezen van de mens oorspronkelijk zijn wezen is, maar dit kan wei betekenen, dat het wezen van alle dingen in Hem, zijnde de Raad Gods, bepaald ligt. M.a.w. dat in die Raad Gods ook het wezen van de mens bepaald is, n.l. dat hij naar het beeld Gods geschapen zou worden.

Dit involveert intussen, dat God gemeenschap met de mens wil hebben, en ook de wijze, hoe van die gemeenschap in die Raad Gods is bepaald, wijl zij door Christus wordt bemiddeld.

Ook dat lag in Gods Raad en in den beginne was' die Raad bij God en was God!

Volgende keer verder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERKIEZENDE VERKOREN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's