DE GROTE VERBITTERING
Feuilleton
Herman luistert afwezig. Hij weet, voor zichzelf heel goed, dat deze dingen niets voor hem zijn. Hoe kan nu een jong mens daar behagen in hebben. Alleen wat hij ziet en hoort, heeft zijn belangstelling.
Hij zal er voor oppassen een woord te zeggen. Hij gelooft het wel. In ieder geval, die dominees van het soort, waar tante Ada 't over heeft, zijn hem ook geen schop voor de broek waard. Dat weet hij heel goed, óf het een, óf het ander.
Dan, zoals hij, kiezen voor het zienlijke. Wat je graag doet, hoef je je niet te onthouden. Waar een ander het in zoekt, moet hij weten. Ieder leeft voor zich.
Vader Poot wil nog met tante Ada bespreken, hoe nu gehandeld moet worden, als de kinderen en vooral de opgroeiende jeugd in de wereld bevrediging zoekt, inplaats van in de dienst van God.
O ja, hij weet wel: zich helemaal aan hen geven. Maar hóé schoon het christelijk leven wordt voorgeleefd, het zal alles niet baten, als de jeugd zelf meer op het wereldse is ingesteld. De zonen van Samuel hebben door hun zonden en afwijkingen het grootse leven van hun vader, de profeet en priester, in grote somberheid en eenzaamheid doen eindigen. En toch was Samuel een krachtige figuur en een getuige, die eerbiedig stond voor zijn God.
Het wordt schemerig in de mooie kamer. Is dat ineens zo gekomen ?
Albert Poot staat op.
— Kom jong, 't is onze tijd, zegt hij.
— Nou, blij dat jullie eens geweest bent, Je vervat het maar eens.
Tante Ada leidt de visite naar de zijdeur. — Welthuis ! Doe vooral de groeten aan Maartje en de anderen!
De oude toren van de Oosterkerk laat negen slagen horen. Dreunend valt de klank over de huizen. De etalage's zijn rijkelijk verlicht.
De boer en de jongen betrachten nu spoed.
Het wil Herman voorkomen, dat vader een paar stevige benen heeft. Zijn tempo wordt niet verminderd.
Na tien minuten zijn ze de stad weer uit.
Een fris windje komt uit het Zuidwesten.
Als ze thuis komen, zit Willy voor het orgel, dat zoeven gebracht is.
Ze speelt met twee vingers, héél voorzichtig: Zingt nu blij te moe, 't machtig Opperwezen.
V.
DE DEFTIGE MEVROUW.
Kees en Herman zijn voor de oude vrouw Bemmel bezig het gras te maaien op de berm van de Driewegenweg.
Ze hebben beiden een zeis en wetsteen. Langzaam maar zeker halen ze met elke nieuwe haal het gras op het zweel.
Zouden we vóór de middag al genoeg hebben voor die ene koe van de oude vrouw ? vraagt Kees.
— Is het een ouwe koe of een jonge? Dat scheelt ook nog al wat, meent Herman.
— Dat kun jij' weten ; jullie hebt haar met het beest zien lopen hier.
— Dat is waar, maar ik heb er niet op gelet. Enfin, straks komt ze toch zeker wel met de koe hier langs. Dan kunnen we 'm taxeren.
No. 15. (Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's