JEAN DE LABADIE
III.
De Labadie sticht de „gesepareerde" huisgemeente te Amsterdam. Loopt hij daarmee de kerk uit ? Neen. Hij meent integendeel, nu pas werkelijk de kerk te zijn binnengegaan. Want letten we er wèl op : deze man mag nóg zo'n eenspanner zijn : hij kan toch niet zonder gemeenschap. Daarin is hij volop man van de Nadere Reformatie. Die waren ook , , eenspanners", opkomende voor het persoonlijke en onderscheidende in hun geloofsleven. Maar nochtans bleven ze mensen, die naar gemeenschap zochten, omdat ze heel goed wisten, dat de mensheid en veel meer de kerk, een organisme is, een lichaam en niet een hoop kiezelstenen.
Maar dan zien we toch meteen een verschil in dezen tussen hen en De Labadie. De laatstgenoemde ging wat triomfantelijk, met opgericht hoofd heen. Van „doleren" (verdriet hebben) blijkt weinig of niets en daar staat dan meteen de verwante figuur van Kuyper voor onze ogen. De Labadie voelt zich kennelijk opgelucht en verklaart, zich nu pas op z'n best te gevoelen. Was dat toch wel wat grootspraak ? Had hij dan werkelijk heel geen taak meer tegenover die arme, blinde, geesteloze synode en de velen, die onder hun bestuur bleven ? Later heeft De Labadie met ijver zendingswerk ondernomen in Suriname. Hij had dus wèl een hart, dat klopte voor het verlorene. Maar dan stelt het temeer teleur, dat hij een oceaan oversteekt om het verlorene in de verte te zoeken en intussen de ogen sluit voor het verlorene vlak bij. Misschien heeft hem dat wel wroeging bezorgd, maar dan heeft hij zeker de handen te vol gehad om juist naar die kant volop zendingskerk te zijn.
De huisgemeente gaat naar Amsterdam. Het conventikel wordt dus tot (surrogaat)-kerk gemaakt. Of moeten we eerder zeggen : tot juist de meest echte kerk ? Nu bloeit de 'huiscatechisatie als nooit tevoren. Haast zeiden we : Ze gaat niet meer uit. Zielszorg, tucht, ze komen tot hun recht. De kring is klein en toegewijd ; er is haast geen zelfkant; geen wonder, dat men iets van een hemel op aarde meent te hebben. Tot groot verdriet van Voetius en de zijnen volgt ook Anna Maria van Schuurman naar Amsterdam, alle vermaan ten spijt. Later heeft ze een boekje geschreven, een juweeltje, om zich te verantwoorden. Ze heet immers Anna Maria, dat doet haar aan dat boekje de naam geven van Eucleria, dat is verkiesinghe van het beste deel. Ze koos, anders dan Lot's vrouw, want ze heeft nooit omgezien en zich zelf gelukkig geprezen om zulk een heuglijk lot.
In Amsterdam geniet men, mede door de vele goede relaties van Anna Maria, de bescherming der regering, o. a. van burgemeester Van Beuningen, een zoeker, die maar niet vinden kon. De Amsterdamse kerkeraad ergert zich aan deze samenkomsten, zoals hij het eens deed aan die van Koelman. Maar de Labadisten zijn stellig weinig taktisch, zo niet uitdagend: Amsterdam is een vergaarbak van allerlei vreemde geesten. De kerk bloeit er, maar ook de sekten tieren welig. En wat voor sekten! Daar zijn b.v. ds. Poiret en Antoinette de Bourignon, welke laatste zich het licht der wereld waant. Ze zwelgen in de mystiek, maar een heel andere dan die De Labadie kent. Dan is daar Galenus Abrahamsz de Haan, dokter en tevens doopsgezind vermaner. Hij wordt verdacht van wat wij modernisme noemen( socinianisme) en hij riekt overal formulierdwang en gewetensknechterij. De vreemdste is Gichtel, een fantastisch, panteïstische dweper. Met die allen gaat De Labadie familiair om. De man met z'n fijne geestelijke en theologische tastzin, wéét toch wel, wat voor vlees hij in de kuip heeft, al noemen zij het 100 maal geest ? Dat alles wekt begrijpelijke ergernis. Men werpt nu alles op één hoop : De Labadie is separatist, dwaalgeest, vrijgeest. Zo wordt de naam Labadist een hard scheldwoord, veel feller dan , , Coelmanniaan" was geweest.
Zo komt het volk in actie. Het saboteert de samenkomsten. Eén van De Labadie's , , hulppredikers", Menuret, wordt geestesziek en sterft. Dat doet de zaak ook geen goed. Het loopt er op uit, dat ook de Amsterdamse regering haar geduld verliest en de lastposten weer uitwijst. Waarheen nu? Dank zij de onwaardeerbare Anna Maria, die ook enkele adellijke dames tot de huisgemeente bracht, o.a. uit de families Van Aerssen, Huygens en Van der Haer, vindt men een ontkoming. In Herford, in Duitsland, vindt men opname. En daar, ver van het vaderland, omringd door antipathiek gezinde Lutheranen, wordt de afscheiding nog sterker. Men wenst enkel op te nemen en te erkennen echte, levende, herboren christenen, van de stijl van die van Handelingen 2.
Daarom onderzoekt men scherp de blijken van ware heiligheid ; of men wel grondig aan de wereld is afgestorven en of men wel begeert kruis te dragen in de navolging van Christus. Gepaard daarmee gaat een al feller, ook liefdelozer kritiek op de volkskerk. Ze is hopeloos verloren (denk aan Kuyper's oordeel over de Hervormde kerk) en alles aan haar is vals : kerk, sacramenten, predikanten. Telkens klinkt het weer : Gaat uit van haar, mijn volk. Intussen doen dat niet zó velen! Koelman, Van Lodenstein, Voetius weten heel pijnlijk, hoe het met de volkskerk gesteld is. Ze worden, bij monde van Yvon, nadrukkelijk gesommeerd, de doden hun doden te laten begraven en De Labadie (Christus) te volgen. Alleen de echte gelovigen wilde men hebben, meende ook ze onfeilbaar zeker te kunnen onderscheiden, wat Voetius dan toch terecht ontkende. Kende men de diepten van Satan, de listen der geveinsdhe'id, het de naam hebben van te leven en toch dood zijn, wel voldoende ? Verschillende van de mannen van de Nadere Reformatie voelden wel een sterke trekking naar dit gereinigd Sion. Maar bijna allemaal bleven ze, uit vrees voor geestelijke hoogmoed en uit deernis van het arme volk, dat dan maar aan z'n lot zou worden overgelaten. Verlokkingen als deze zijn vooral in de Doleantietijd tot ons uitgegaan. Kuyper en De Labadie zijn stellig zéér verschillende mensen, maar die toch weer sterke verwantschap vertonen. Ook daarin, dat de Gereformeerden in de Hervormde kerk hun beider pogen hebben afgewezen. Dat heeft hen dan wel de beschuldiging van ongehoorzaamheid bezorgd, maar zij menen in gemoede, dat deze aanklacht verkeerd is geadresseerd.
De kring is klein, maar rusteloos bezig. Men trekt stad en land af, de kerk brekend, eigen groep bouwend. Men sticht filialen, dochtergemeenten. Ordent predikanten.
De huisgemeente wordt dus toch weer enigermate kerkgenootschap. Maar het bloeit niet recht. Geen wonder, bij de hoge eisen, die men stelt. En nóg moeten we vrezen, dat vele geveinsden binnenkomen. Het spoedig ondergaan van deze gemeenten na de dood van de grote leiders, spreekt boekdelen. Men moet dan ook wel enig water in de wijn doen. Een kring van louter herborenen blijkt niet mogelijk. Dan laat men ook proselyten toe, mensen, die zich getrokken voelen, zonder nog verzekerd te zijn. En zelfs zijn ernstige bezoekers zo nu en dan welkom. Het spant dus ook in dezen : deze aarde draagt zo hoge idealen niet.
Heel lang blijft men ook niet in Herford. De Lutherse omgeving wantrouwt de huisgemeente. Die voert gemeenschap van goederen in ; het kwam bij Avondmaalsvieringen tot zó'n geestvervoering, dat men danste, elkaar kuste en omhelsde, wat opspraak wekte. Ook ging men huwelijken sluiten, zonder dé overheid te erkennen, wat al evenmin respect afdwong en alweer , , dopers" werkte. Zo loopt de maat in Herford tenslotte over en men is gedwongen te verhuizen naar Altona, eveneens in Duitsland gelegen, maar dan Deens grondgebied. Daar sterft De Labadie. De haat van de omgeving dwingt er toe, hem in de tuin te begraven. De profetenmantel valt dan op Yvon ; Anna Maria wordt nóg meer Moeder in Israël. In 1675 besluit men naar Nederland terug te keren. Eén van de freules. Van Aerssen v. Soin, melsdijk, bezit een kasteel, Waltha State, te Wieuwerd, in Friesland. Daar trekt men heen en leeft er voort in eigen stijl. De terugkeer doet de polemiek wel even opleven; geschriften tegen De Labadie van eertijds worden herdrukt. Maar men heeft vermoedelijk gevoeld, dat het Labadisme over zijn hoogtepunt heen was. 1678 overlijdt Anna Maria v. Schuurman, een onherstelbaar verlies. Men sluit de gelederen : gesloten, sober, wat verbeten. In 1707 sterft Yvon, de grote theoloog der beweging. De aftakeling neemt dan hand over hand toe. Vestiging en zending in Suriname mislukken. Is men krachteloos geworden doordat men zich vertild heeft? In 1732 sterft de laatste , , sprekende broeder". Dan is het ook met de beweging gedaan, al blijft de idee leven.
Het is zeker wel niet nodig, nog uitvoerig samen te vatten wat de betekenis van het Labadisme is, juist voor ons, hervormd gereformeerden. Vele van zijn idealen hebben ons hart. Iets en veel van een kerk, levend en echt, zoals hij ze voorstond, kan ook ons verlangen wekken. Maar de grenzen van de geestelijke mens zien wij veel enger dan hij ze wou erkennen. Een geestelijke hoogmoed en zelfgenoegzaamheid, als waaraan hij niet ontkomen is, maken ons zeer beducht.
Zijn felle kritiek op de , , volkskerk" kan ons wel imponeren. Wij hebben echter stellig niet de moed, al het kerkvolk, dat onder labadistische maat blijft, maar prijs te geven. Daarin ligt een barmhartigheid, die uitgaat boven de gehoorzaamheid, zoals De Labadie ze zag.
De breuk van de mannen van de Nadere Reformatie mèt De Labadie heeft intussen wel bewerkt, dat het kerkidealisme in onze kring geheel geen kans heeft, aan bod te komen. Een kerk van ware gelovigen bekoort ons, maar de weg daarheen lijkt ons allereerst trouwe arbeid in de plaatselijke gemeente met veel geduld, in prediking, catechese en zielszorg. Ons kerkbeeld is gebroken, zoals we eigen leven, eigen geloofsleven zien blijven. Is dat gedeeld, karakterloos slap ? We antwoorden : Is de prijs, door De Labadie en de zijnen betaald voor een kerk zo heel, zo , , karaktervol", zo fel, u niet te hoog ? Ons wèl.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's