De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERKIEZENDE VERKOREN II

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERKIEZENDE VERKOREN II

6 minuten leestijd

In het vorig artikel zijn wij een eindweegs gevorderd met de uiteenzetting van de voorstellingen van Karl Barth aangaande de Persoon van Jezus Christus, zelf God en zelf mens, en zo tussen beide bemiddelend.

Hoe hij over de mensheid van Christus nu eigenlijk denkt, is niet zo gemakkelijk uit zijn verhandelingen te verstaan. Enerzijds noemt hij het menselijk wezen oorspronkelijk Zijn wezen, anderzijds spreekt hij , , van Gods Zoon in Zijne van eeuwigheid besloten eenheid met de Zoon des.mensen". (II. 2. blz. 111).

Wij weten echter ook, dat Barth Jezus Christus Gods besluit noemt. Hij wil immers niet een abstract decreet, maar een besluit in concrete gestalte en wil Jezus Christus als dat concrete besluit Gods zien. Wij hebben in verband daarmede gewezen op het feit, dat Jesaia één der wezenseigenschappen of kenmerken van Immanuël aanwijst in de naam Raad.

Indien wij Barth nu aan zijn benaming houden : Jezus Christus is Gods besluit, en dat toepassen op de zo even aangehaalde zinsnede : , , Gods Zoon in Zijne van eeuwigheid besloten eenheid met de Zoon des mensen", dan moet daaruit volgen, dat Jezus Christus het besluit dier eenheid van Gods Zoon en dus Zoon des mensen is.

Dit is in geen enkel opzicht meer concreet, dan het besluit Gods aangaande des mensen bestemiming, het besluit de praedestinatie door Barth als decretum absolutum van de hand gewezen, tenzij — en daarop komt het neer, — tenzij dat besluit ook de werkelijkheid der eenheid van Gods Zoon en de Zoon des mensen involveert.

Dat kan men ook al weer tweeledig opvatten. Men kan zeggen dat Jezus Christus als het besluit Gods de goddelijke zekerheid in zich draagt, dat de eenheid van Gods Zoon en des mensen Zoon in de tijd zal verwezenlijkt worden.

Als Barth het zó wil opgevat hebben, dringt zich onmiddellijk de vraag op, of het besluit Gods, het besluit van de drieënige God (decretum absolutum) minder zekerheid zou bevatten omtrent de verwerkelijking van Zijn Raad.

Ook is het mogelijk, dat de concreetheid van het besluit zijnde Jezus Christus in Zijn van eeuwigheid besloten eenheid met de Zoon des 'mensen moet geacht worden te bestaan in een z.g. boomhistorische werkelijkheid van die eenheid,

Het behoeft niet gezegd, dat men van zo iets geen voorstelling kan maken. Wij aardse mensen zien aan wat voor ogen is.

Zal de redenering van Barth echter zin hébben, dan moet men zijn gedachten in die richting sturen: een werkelijkheid van andere orde. Daarbij 'wordt Barth klaarblijkelijk geleid door de Schriftuurlijke uitspraak, dat Jezus Christus de Eerstgeborene is van alle creatuur. (Kol. 1 : 15).

Op een of andere wijze moet daaraan toch een werkelijkheid beantwoorden. Wij denken in verband met deze tekst altijd weer aan die andere : Hij is vóór alle dingen en in Hem bestaan alle dingen tezamen (letterlijk in de grondtekst: vormen alle dingen een systeem). (1 Kol. 1 ; 15—17).

In Christus alle dingen een systeem! In de , , Eerstgeborene aller creaturen" bestaan al deze creaturen in één samenhang.

In deze woorden wijst de Heilige Schrift zelf op een bestaan van alle schepselen, dat verschillend is van de historische werkelijkheid, waarin wij leven, een werkelijkheid in de Raad Gods, een werkelijkheid in Christus, de Raad Gods.

Deze werkelijkheid is een andere dan die, waarin wij leven, en toch, deze laatste kan er niet zijn zonder die eerste. Het wezen en de saamhang van de werkelijkheid, waarin wij leven, en van haar geschiedenis, is in Hem.

Let wél, in Hem, gelijk deze in de Raad Gods zijn.

In de Zoon heeft de Raad Gods, de Raad van de drieënige God, op een geheel eigen en goddelijke wijze gestalte verkregen, en dat — bij wijze van spreken — als het hemelse voorbeeld van al hetgeen God voorgenomen had te scheppen en te volmaken.

Aan Mozes moest gezegd worden, toen hem het hemelse voorbeeld van de tabernakel werd getoond, zie toe, dat gij het maakt overeenkomstig het voorbeeld, dat u getoond is. (Ex. 25 : 40).

Dat behoefde aan de Zoon niet gezegd te worden, toen Hij als het Woord Gods uitging om deze wereld in het aanzijn te roepen. Immers Hij doet altijd de wil des Vaders.

Het Schriftwoord uit Hem, door Hem en tot Hem, moet dan in dit licht worden verstaan.

Als Barth nu niet anders op het oog had dan deze visie, vragen wij ons af, waartoe hij zoveel omhaal van woorden nodig heeft om zijn gedachten omtrent deze dingen uitdrukking te verlenen ?

Maar dat is ook zo niet. Hiji bedoelt wat anders en is er zich ook van bewust dat hij daarmede niet in overeenstemming is met wat de kerk de eeuwen door dienaangaande geleerd heeft.

Op zich zelf betekent dat nog niet, dat de kerk gelijk heeft en Barth ongelijk. Waarschijnlijk is  dat echter niet. Wij zien ook niet, dat Barth de Schrift aan zijn kant heeft. Integendeel.

Wat Barth dan eigenlijk wil? Hij heeft, met Jezus Christus Gods besluit en de aanvang te noemen, een weg gebaand naar zijn hoofdgedachte : Jezus Christus is de verkiezing Gods.

Het schijnt vrij duidelijk. Jezus Christus het besluit Gods, welaan, dan is Hij ook het besluit der verkiezing en de verkiezing als zodanig Jezus Christus de verkiezing Gods. Ziedaar de centrale gedachte van Barth, die in wezen zijn gehele dogmatiek tracht te beheersen.

Jezus Christus de verkiezing Gods. Dat wil Barth zo concreet mogelijk opgevat hebben. Volstrekt niet als een besluit omtrent de mens of mensen, een besluit, dat op uitvoering in de tijd wachtte, neen, de verkiezing als werkelijkheid, als afgedaan feit, zodat niet alleen alles in Christus gegeven is, maar ook afgedane zaak. De verkiezing is immers Gods beslissing. Christus de verkiezing, dat is de goddelijke beslissing, gevallen en werkelijkheid geworden in Jezus Christus. Niet een verkiezing van mensen in Christus, maar verkiezing van de mens Jezus Christus en in Hem van allen. 

Het begrip verkiezing heeft een actieve en een passieve strekking, n.l. de verkiezende daad en het verkoren zijn.

Als Christus dus de verkiezing Gods is zoals Barth dat wil, dan is Hij de verkiezende God en de verkoren mens. (Vgl. K. D. II. 2, blz. 111  v.v.).

Het ganse werk der verkiezing ligt dan in Hem en ligt in Hem voltooid volgens Barth. Nog eens : Jezus Christus de verkiezende God en de verkoren mens.

Men zal verstaan, waarom er Barth zoveel aan gelegen is, om , , van de aanvang" af Jezus Christus als de Zoon des mensen voor te stellen.

Zonder dat zou zijn voorstelling van verkiezing niet volledig zijn. De verkoren mens zou er niet zijn.

Ook zal men gevoelen, dat Barth, de verkiezing in Jezus Christus op die wijze concreet stellende, zodat Jezus Christus de verkiezende God en de verkoren mens is, de gehele mensheid daarin betrekt en staat voor, wat in de gemeente heet, , , de algemene verzoening".

Wellicht zijn er ook onder onze lezers die vermoeden, dat deze in het centrum gestelde opvatting van Barth, in conflict moet komen met fundamentele stukken der gereformeerde belijdenis.

Wij hopen dit nader aan te tonen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERKIEZENDE VERKOREN II

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's