De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN BEDE, VAAK - MAAR TOT SCHADE - VERMEDEN, EN TOCH ZO BEMOEDIGEND

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN BEDE, VAAK - MAAR TOT SCHADE - VERMEDEN, EN TOCH ZO BEMOEDIGEND

6 minuten leestijd

„Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God". ' Psalm 143 VS. 10.

Bovengenoemde bede wordt dikwijls vermeden door ons mensen. Dat is van het standpunt van onze zondigheid uit, volkomen te begrijpen. In deze bede sprak David toch niet over zijn welbehagen, over hetgeen dat hem behaagde, dat hem aangenaam was, maar over hetgeen God behaagde. Sinds de zonde in deze wereld gekomen is behaagt ons mensen juist niet datgene, waarin God lust heeft. Onze begeerten gaan meestal lijnrecht in tegen hetgeen wat God van ons wenst.

Wie heeft er nu van nature behagen in de eis der Wet om God lief te hebben met heel ons hart en de naasten als onszelf. Het behaagt ons meer onszelf en het ónze lief te hebben, ja, zelfs het zondige te beminnen. Wie heeft er voorts van nature lust in om zich tot de Heere te bekeren ? En juist in die bekering van ons tot Hem, heeft God een grote lust.

De Heere heeft toch eens bij Zichzelf gezworen : Zo waarachtig als Ik leef, Ik heb geen lust in de dood van de goddeloze, maar daarin heb Ik lust, dat hij zich betere van zijn weg en leve. (Ezech. 33 VS. 11). Wie heeft van nature bovendien lust om op de weg des geloofs te wandelen ?

En toch heeft Christus op de vraag der Joden: Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen doen ? , geantwoord : Dat is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien Hij gezonden heeft. (Joh. 6 VS. 28).

Maar hier is een man, die oog heeft voor het welbehagen, voor de wil van God. Het moet ons opvallen, lezers, dat David juist met het welbehagen van God bezig is in zeer donkere dagen.

Waarschijnlijk is deze Psalm door hem gemaakt in de tijd, toen hij door zijn eigen zoon Absalom van de troon is gejaagd en gevaar liep door z'n eigen kind te worden gedood. In tijden van zulke benauwdheid heeft menigeen zelf een oplossing van zijn moeilijkheden gezocht. Daarom moet het ons treffen dat David juist toen zo bad : „Leer mij Uw welbehagen doen".

Hij vroeg niet, of God zijn verlangens vervulde, die stellig in zijn hart zullen geleefd hebben. Zo doen wij dikwijls, nietwaar, lezers ? Wij schrijven God precies voor wat Hij doen moet. En voor de vorm voegen wij er bij : als het U behaagt. Maar hoe weinig ernstig dat gemeend is, blijft uit ons murmureren en onze opstand tegen God, wanneer Hij niet precies onze wensen uitvoert.

David handelde totaal anders.

Hij vroeg eerbiedig, of God hem Zijn welbehagen. Zijn wil bekend wilde maken in deze bijzondere omstandigheden en....„ of God hem dan ook de kracht wilde geven om dat welbehagen van God uit te voeren.

De nauwlettende lezer zal begrijpen, dat David zich hier anders tot'God richt dan in Psalm 25. Toen had hij alleen gebeden om met Gods weg bekend te worden:

Heer, ai maak mij Uwe wegen Door Uw Woord en Geest bekend! Hier vroeg hij meer. Hij vroeg hier of God hem Zijn wegen wilde bekend maken, maar hem óok de kracht wilde schenken om die wegen te bewandelen.

Leer mij Uw welbehagen dóen. Uit eigen bittere ervaring heeft David geleerd, dat zelfs wanneer een mens lust heeft om Gods welbehagen, Gods wil te doen, hij ten enenmale daartoe de kracht mist.

In deze bede legt David dus zonder enige terughouding zijn hart bloot. In hem is geen kracht tot het volvoeren van Gods heilige wil, maar hij weet, dat er bij de Heere krachten in overvloed zijn.

Welk een bemoediging ligt er ook in deze bede voor ieder, die door de bearbeiding van de Heilige Geest begeerte heeft gekregen om Gods welbehagen te doen!

Het aantal van dezulken is helaas in onze dagen, waarin de Geest zo wordt wederstaan, niet groot. Maar er zijn toch nog jonge en oude mensen, die graag naar Gods Wet zouden willen leven, die gaarne oprecht zich zouden willen bekeren en oprecht geloven in de Heere Jezus.

Er zijn ook mensen, die, tot enig geloof gekomen, graag weer andere delen van Gods welbehagen zouden vervullen, als b.v. vorderen in heiligmaking. God grootmaken oo!k op moeilijke wegen, hun belagers goed doen, enz. Bekend gemaakt met hun onvermogen, zijn zij, ziende naar zichzelf, dikwijls zonder hoop, moedeloos. Wat God eist is billijk, maar zij kunnen deze in eigen kracht nooit vervullen. Hier leren zulken, wat zij mogen en moeten doen. Zij mogen en moeten met David bidden : Leer mij Uw welbehagen doen! David vroeg, of God Zijn alles vermogende kracht wilde uitstorten in hem, de machteloze, machteloos door eigen schuld. Dat hield voor David op dat ogenblik waarschijnlijk in, dat hij van God vroeg of Hij hem wilde te zien geven hoe hij met zijn zoon moest handelen en hem de kracht wilde geven, die handelingen ook uit te voeren. Deze bede, David nagebeden, kan vóór een ander betekenen de vraag om de geestelijke krachten, nodig voor de ware bekering en voor de oefening van het ware geloof, of voor de toeneming In heiligmaking en voor de billijking van moeilijke wegen en voor het God volgen op een weg, die tegen vlees en bloed ingaat.

Menigmaal wordt op huis- en ziekenbezoek de uitspraak gehoord : ja, maar ik kan me niet bekeren; ik kan uit mezelf niet geloven.

Dat is óok waar, maar het is een vreselijke waarheid, die aantoont hoezeer wij door moedwillig zondigen ons verdorven hebben.

Maar hier leert ons God door deze bede van David, hoe het in het leven van een mens toch tot bekering en geloof kan komen, en tot al die andere zaken, waarin God behagen heeft.

De Heere kan ons dat alles Zelve geven. Maar Hij wil er door ons om gebeden zijn. Vandaar David's ernstig smeken, waarbij hij pleitte op het feit, dat God zijn God was.

David was zich reeds bewust van zijn aanneming tot kind. En daarin vond hij temeer vrijmoedigheid om te vragen met Gods wil bekend te worden en te smeken om de krachten die nodig zijn om Gods welbehagen te doen.

Menigeen durft wellicht David niet na te zeggen : want Gij zijt mijn God !

Maar laten zulken toch niet vergeten dat God in Zijn Wet elke zondag tot ons zegt: Ik ben de Heere, uw God.

Natuurlijk liggen hier wel verschillen, maar vooral ziende op Christus, in Wiens persoon en werk God een welbehagen had, mag vrijmoedig tot God gegaan worden met deze bede.

En om het werk van Christus zal de Heere op Zijn tijd stellig verhoring schenken. Laat dit u reeds nu bemoedigen, die zo graag de gave des geloofs bezat, of die zo graag God meer gehoorzaam zou willen dienen.

Doordat God deze bede van David heeft bewaard, lokt de Heere ieder, om deze bede hem tóch na te bidden. Mocht het niet tevergeefs zijn, want wie deze bede van David niet in oprechtheid wenst over te nemen, die behoeft zich straks niet te beklagen wanneer hij op zijn eigenwillige wegen hier veel ellende ontmoet en straks deze ziet uitlopen op de eeuwige rampzaligheid.

Hij of zij zal plukken de vruchten van een God weerspannig leven.

Niemand leve daar overheen!

Slikkerveer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN BEDE, VAAK - MAAR TOT SCHADE - VERMEDEN, EN TOCH ZO BEMOEDIGEND

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's