SION EN SUEZ
Deze titel behoeft voor degenen, die met aandacht de berichten van de laatste weken gevolgd hebben, geen raadsel te zijn. Ieder weet, dat er opnieuw politieke spanning heerst in het Nabije Oosten, nu Egypte het Suezkanaal, dat in het wereldverkeer zo'n belangrijke plaats inneemt, heeft genationaliseerd. Opnieuw wordt de aandacht gericht op dit gebied, waar de volkeren wonen, die reeds in de bijbel uitvoerig worden genoemd : Egyptenaren, Israëlieten, Arabieren. Er is daar teveel gebeurd en gezegd in overoude tijden, dan dat het ons onbewogen zou kunnen laten, wanneer daar spanningen optreden. Ik bedoel dat dan niet vanwege de bedreiging van de wereldvrede, die ons zeker óok niet onberoerd kan laten. Maar ik bedoel het vooral vanwege de bijbelse achtergronden, die zich laten vermoeden. Egypte en Israël blijven voor ons nu eenmaal woorden met een meer dan politieke betekenis ; ze hebben voor ons verband met het raadsel der geschiedenis, waarvan wij de oplossing wel niet zien, maar toch wel zoeken. Wanneer wij gaan letten op de tekenen der tijden, worden wij vooral geboeid door wat zich in deze hoek van de wereld begint af te tekenen. Dat is temeer actueel, omdat het ons duidelijk zal moeten zijn dat de rol van Israël in de wereldgeschiedenis, ook in de heilsgeschiedends, nog lang niet is voleindigd. Er ligt ongetwijfeld voor dit volk nog een bijzondere toekomst; de Heere heeft met hen Zijn verbond gesloten en dat verbond wordt met nadruk een eeuwig verbond genoemd. De verwerping van de Messias heeft dat stellig niét teniet gedaan. Uit Rom. 9—11 blijkt duidelijk, dat de Here voor dit Zijn volk nog iets in petto heeft gehouden. Wanneer de volheid der heidenen zal zijn ingegaan, zal geheel Israël zalig worden. En het komt mij voor onjuist te zijn, dit zonder meer op het geestelijk Israël, dat is de Kerk, te betrekken. Wij vinden in de wereldgeschiedenis het bewijls, dat de Heere Israël alle eeuwen door ergens voor bewaard heeft. Het moet ons toch wel iets te zeggen hebben, dat ondanks de vaak verschrikkelijke vervolgingen het jodendom niet is uitgeroeid. Hitler heeft er 6 miljoen vermoord, eën onvergetelijk luguber getal ; toch hebben ze ook deze aanval op hun bestaan overleefd. Het wil blijkbaar maar niet gelukken dit volk van de aardbodem te verdelgen. Daarin wordt stellig voor de volkeren der aarde iets zichtbaar van de trouw des Heeren, die er niet toe te brengen is Zijn belofte te breken.
't Is ook in bijbels licht hoogst merkwaardig, dat Israël nu weer tegenover zijn oude vijanden is komen te staan, die hem vroeger al het leven haast onmogelijk maakten. 'De bijbelse geschiedenis lijkt zich te gaan herhalen. Ook de Arabieren en de Egyptenaren blijken niet onder het stof der eeuwen te zijn verdwenen. Zijn ook zij bewaard van Godswege, omdat Hij ze nog eenmaal in Zijn raadsplan wil gebruiken ? Heeft de Heere ze weer nodig om in Zijn hand de gesel voor Zijn volk te zijn ? En dient deze druk, evenals vroeger, om Israël te leren naar zijn God te vragen, d.w.z. de Messias te omhelzen als hun Heiland en Koning ? Heeft God de Zoon en de tuchtmeester beiden bewaard voor deze laatste dagen ? Allemaal vragen, waarop wij' geen te haastige antwoorden zullen mogen geven, maar die wij zeker ook niet naast ons neer mogen leggen alsof ze niet bestaan.
Vanuit deze achtergronden wordt die Suez-affaire van de laatste weken een veelzeggend gebeuren. Het is immers een onderdeel van de bewustwording van de Arabische volkeren, die steeds meer uit hun slaap beginnen te ontwaken en zich willen doen gelden. Er is duidelijk een Arabische machtsvorming gaande en wat wij daarvan tot dusver gezien hebben, is nog maar een pover begin. Het kon wel eens zijn, dat de grote gebeurtenissen van de toekomst zich in dit deel van de wereld zullen gaan afspelen. Ismaël staat op uit het stof der woestijn, waarin hij eeuwenlang lag te slapen en hij rekt zich uit en de toekomst zal leren, dat hij nog altijd een woudezel van een man is. De verbinding Sion en Suez berust voor mij niet op fantasie, maar op de bijbelse tegenstelling tussen Izaak en Ismaël, tussen Jakdb en Ezau. De gebeurtenissen van de laatste tijd maken het voor 'mij duidelijk dat Jeruzalem nog steeds in het middelpunt der aarde ligt. Alle verschuivingen, die zich voltrekken, kunnen Jeruzalem niet van haar plaats doen wijken, d.w.z. van de plaats, die haar in het raadsplan des Heeren toegewezen is. Het lijkt mij, dat de christelijke gemeente op deze perspectieven moet gewezen worden, opdat ze nuchter zal zijn en waken en leren zal de gangen des Heeren in de wereldgescMe'denis gelovig na te speuren. Al te zeer is de aandacht uitsluitend betrokken op de verhouding tussen de Heere en de enkele ziel, zodat het gevaar dreigt, dat wat de Heere overigens doet in deze wereld, niet wordt gezien. Dan zou de bruid door de bruidegom overlopen worden, omdat ze te weinig op Zijn voetstappen en te veel op haar eigen hartkloppingen had gelet.
Het is toch iets verbazingwekkends, dat het zo kort na de grote slachting van 1940—'45 mocht gelukken een eigen staat Israël te vestigen, waarin het Zionisme zijn voorlopige bekroning vond, en dat ondanks veelvuldige tegenwerking. En het is toch niet een gewoon politiek verschijnsel, dat nu Israël van de einden der aarde terugkeert naar het land der vaderen en daar de wildernis in de letterlijke zin des woords doet bloeien als een roos. Het is opmerkelijk, dat een volk waarvan men altijd had beweerd, dat ze tot handenarbeid niet te brengen waren, zich nu met noeste vlijt weten in te spannen voor de opbouw van hun vaderland. Daar zouden vele interessante dingen over te zeggen zijn, maar dat laten wij nu achterwege.
Het is óok zeer opmerkelijk, dat daar een vorm van samenleven begint voor te doen, waarin het Oude Testament een centrale plaats heeft gekregen. Alle staatsscholen zijn daar scholen met de bijbel en de Schrift wordt er zeer intensief onderzocht. Natuurlijk mogen wij dat niet gaan idealiseren, zoals wel eens gebeurt. Het gaat nog steeds om het Oude Testament los van het Nieuwe en de Heere Jezus wordt wel als een groot leraar geprezen, maar als Zaligmaker met dezelfde beslistheid van vroeger afgewezen. Een bijzonder verlangen naar de komst van de Messias wordt niet gevonden, daarvoor is de eigengerechtigheid nog veel te sterk. Het Oude Testament wordt nog veelszins gelezen als de oorkonde van een Joods humanisme. Toch klinkt weer de stem der profetie •••op de eigen bodem en het is onze roeping de Heere te bidden, dat deze stem eindelijk werkelijk weerklank gehoord zal worden.
Dit alles zijn verschijnselen van een meer dan politieke waarde. Het Zionisme, dat tot deze aanvankelijke vormgeving heeft geleid, is geboren uit de beleving van het gebed van de ballingen vanouds ; Zo ik u vergete, o Jeruzalem ! Nooit kon dat verlangen worden uitgedoofd en in de synagogen werd het geloof gevoed in het herstel van de band • tussen land en volk van Israël. De verstrooiing werd steeds gevoeld als een oordeel over het volk, maar het vertrouwen bleef, dat eens de verzoening weer blijde werkelijkheid zou worden, wanneer hun voeten mochten staan in de poorten van Jeruzalem. Joodse schrijvers hebben ons duidelijk gemaakt, dat de afzondering, waarin dit volk onder de volkeren leefde, niet alleen te verklaren was uit het feit, dat de anderen hen als vreemden en vaak zelfs als vijanden beschouwden, waardoor de Joden voor de bittere noodzaak stonden, hun kracht te zoeken in het isolement, omdat het ghetto, de aparte Jodenwijk, hun enige verdediging was. Deze afzondering is minstens evenzeer te verklaren van uit het feit, dat de Joden zich altijd gevoeld hebben als gasten en vreemdelingen op deze aarde. Ook als ze het goed hadden, bleven ze toch ballingen en pelgrims tegelijk, een aparte kolonie, die wachtte op het sein van vertrek. Joden, die hun afkomst verloochenden om beter van de schatten van de wereld te kunnen genieten, werden beschouwd als verraders van de nationale zaak, zoals weleer de tollenaars. Het gevaar lag voor hen niet alleen in de vervolging, maar ook in de aanpassing.
Onder de vervolgingen, vooral in Polen en Rusland, ontstond het verlangen naar de komst van de Messias. Als de nood op zijn hoogst werd, dacht men : dit zijn de weeën, die aan de komst van de Messias voorafgaan. Vooral in de 17e eeuw waren deze verwachtingen hoog gespannen. De telurstelling over het uitblijven van Zijn komst, werkte zich uit naar twee (kanten. Sommigen zagen er het meeste heil in zich bij de ballingschap neer te leggen en zich zoveel mogelijk aan te passen aan de omgeving. Daaruit ontstond het z.g.n. liberale Jodendom, dat met de religie der vaderen poogde te breken. Anderen wilden een nog intensiever contact met God zoeken om op die manier de komst van de Messias voor te bereiden. Uit deze achtergronden ontstond het Zionisme, dat de daadwerkelijke terugkeer naar Palestina wilde bewerkstelligen, omdat alleen het verblijf op de eigen bodem de mogelijkheid zou bieden de Wet des Heeren te gehoorzamen.
Het zou ons te ver voeren de geschiedenis van deze beweging in zijn onderdelen te tekenen. In elk geval waren dit de gedachten, die het internationale Jodendom steeds meer tot een hechte eenheid vormden. Bij alle verscheidenheid van lot en religie hadden ze het geloof in en het heimwee naar het Oude land gemeenschappelijk.
Toen Theodoor Herzl in 1897 te Bazel het eerste congres van de Zionistische beweging opende, sprak hij ; , , In Bazel hebben wij de Joodse staat gevormd. Dit nu hardop te zeggen, zou belachelijk zijn en geen geloof vinden, maar over 50 jaar zal het werkelijkheid zijn".
Precies 50 jaar later werd in Palestina de Joodse staat uitgeroepen, wij mogen wel zeggen : tot verbazing der aanschouwers. Steeds hebben de Joden aan Palestina vastgehouden ; toen Engeland een stuk land aanbood in Afrika, opdat ze zich daar zouden vestigen, hebben ze dat tot ergernis van vélen, met verontwaardiging van de hand gewezen. Het ging hen niet om een willekeurig stuk land voor de vorming van een natie, maar het ging om het land der vaderen, om dat erfelijk te bezitten. De bedoelingen van de Joden waren niet allereerst nationaal en politiek, maar religieus; wat ze naar Palestina dreef, was het verlangen naar de dienst van de God der vaderen. De gebeurtenissen van de laatste oorlog hebben deze ontwikkeling niet geremd, maar veeleer bespoedigd. Het is voor een buitenstaander moeilijk aan te voelen wat de terugkeer naar het Oude land voor een Jood betekende.
De Joodse schrijver Jaakow Zutan brengt het als volgt onder woorden : , , Wij hebben niet alleen het gevoel eindelijk thuisgekomen te zijn, in al de moeilijkheden en zorgen, die het dagelijks leven de mensen overal in de wereld brengt, de eigen zorgen en de eigen moeilijkheden, maar boven alles uit hebben wij het gevoel, opgenomen te zijn in de geschiedenis, wij zijn naar een oud Joods gezegde het laatste geslacht van de slavernij en het eerste geslacht van de verlossing". Hij zegt verder: , , Wij, die geleden en gedroomd hebben, wij voelen de stille vrede van de thuiskornst en van het geluk, dat daarin besloten ligt".
Graag zouden wij dit volk Gods een langdurig genieten van deze stille vrede gunnen, maar wij beseffen tevens, dat dat onmogelijk zal zijn. De zaak van de Koning, die toch ook hun Koning is, heeft daarvoor teveel haast. De wereld wordt voortgestuwd naar haar voleinding en Israël staat daarin weer centraal. Maar het vervulde heimwee van de Joden maakt het heimwee van de Kerk des Heeren des te meer levendig, omdat ze snakt naar die dagen, waarin de Wet van Jeruzalem zal uitgaan en de gerechtigheid de aarde zal vervullen en Jood en heiden samen het lied zullen zingen van het geslachte Lam.
Zo zien wij in het Nabij Oosten de omtrekken zichtbaar worden van het wereldgericht en daarin toch ook van de wereldvrede. Laat dan de volkeren edele plannen beramen en zich daartoe pogen te versterken, laat dé toekomst voor Israël duister schijnen, wij weten, dat Israël naar Gods belofte de toekomst heeft en dat de stormloop, ook de laatste, tegen Jeruzalem vergeefs zal zijn. Jeruzalem, dat zo ik u vergete, mijn rechterhand niet van zichzelve wete.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's