JEAN DE LABADIE
IV.
Ouder- en naar we vertrouwen ook goeder gewoonte besluiten we onze schets van De Labadie en zijn streven met het weergeven van de inhoud van één van zijn werken.
Daar staat het anders zo eenvoudig niet mee. Men komt zijn werken zogoed in het origineel, d.i. frans, als in vertaling niet vaak tegen. Dat doet het vermoeden rijzen, dat de oplaag erg klein moet zijn geweest, alleen voor de ingewijden. Maar we ontkomen niet aan de indruk, dat 't ook wel zou kunnen zijn, dat zijn vijanden er een deel van opgekocht en verbrand hebben, wat in die tijd allerminst ongebruikelijk kon heten. Wanneer mogelijk een der lezers (lezeressen) geschriften van De Labadie te koop zou weten en daar zelf geen prijs op stelt, dan zou die schrijver dezes zeer verplichten, hem daarvan te verwittigen. Dat geldt ook van de werken van P. Yvon. °
Het meest komt dan nog voor van De Labadie het boekje Kort begrip van 't rechte en ware christendom. Amsterdam 1685, tweede druk.
Het valt echter niet mee, de inhoud van dit boekje kort weer te geven. Het is daar te breed voor, te rijk aan herhaling en zo te weinig puntig. Wel treft ons, dat de nadruk op de heiligheid, het kruisdragen, het afsterven aan deze wereld en dgl. er keer op keer aan de uiteenzetting van het christelijk geloof naar De Labadie 's inzicht, karakter geeft.
We menen te mogen zeggen, dat dit boekje wat tegenvalt. Het mist de profetische gloed en spanning, het komt wat uit de hoek van de systematiek en zo van de Schriftgeleerdheid. We herinneren ons, dat b.v. Luther nooit de man is geweest om een dogmatiek te schrijven. We voegen er aan toe : Augustinus óok niet. Kohlbrugge evenmin. Calvijn lijkt ons in deze een uitzondering : hij verenigt in zich die beide kanten, die aan de dogmatiek diepte en breedte geven, n.l. mystiek en systematiek, op een zeer gelukkige wijze. Naar ons oordeel kan De Labadie het in dezen bij hem niet halen.
We zullen dit boekje van De Labadie dus liever dicht laten, hoewel we in gemoede elk die het in handen 'krijgt, opwekken het open te slaan en (kritisch) te lezen. Inp'laats ervan nemen we onze toevlucht tot een ander boekje uit deze kring, dat van een man afkomstig is, , wiens lof we al bescheidenlijk zongen, n.l. Pierre Yvon. Hij is veel meer dan De Labadie zelf de dogmaticus, ook de apologeet van het Labadisme en hij heeft verschillende vaderlandse theologen heel wat te stellen gegeven.
Van hem kiezen we uit een boekje, dat óok al niet zo vaak voorkomt, n.l. : Het Heylige voor de heyligen of van het wettig ontvangen en recht uytdeelen des H. Avontmaels.
Deze hoofdtitel 'is al heel sprekend en we beginnen hier te begrij'pen, waarom Van Lodenstein o.i. zo sterk labadistisch is beïnvloed en met dezelfde problemen worstelde, die Yvon zo resoluut oploste. Als we dan nu als ondertitel vinden: Alsmede van de herstellinge der Kerkelicke discipline of Tucht na(ar) den geest en aert des Nieuwen Verbonts, dan zijn we er helemaal in. Als we tenslotte de auteur horen aangeduid als : Herder der Gereformeerde en van de werelt afgezonderde gemeynte, tegenwoordig ten deele vergadert te Wiewert in Friesland, dan moet onze belangstelling wel op het hoogste zijn gespannen.
Het eerste deel van het boek (733 blz. !) geeft , , de positive leere" van het boek en de bewijzen er voor. Meteen treft het grote respect, dat Yvon voor het Hl. Avondmaal heeft. Het spreekt van het geheimenis der godzaligheid. Het spreekt vanzelf, dat een zo grote zaak dus ook voorbereiding, heiliging vraagt. Het kan nooit vanzelf spreken, dat we daar aangaan. Daar is een bepaalde , , staat'.' voor nodig. En als anderen, die daar buiten staan, toch toe willen komen, dan moeten ze geweerd worden. Daar heeft de herder, de kerkeraad een taak. Maar ook de christen. Hij moet zich voor Gods aangezicht beproeven. Want wij moeten het lichaam van Christus weten te onderscheiden. De instelling van het Hl. Avondmaal toont immers, dat het alleen bestemd is voor de discipelen van Christus. Wie na hen ten Avondmaal komt, zal dat evenzo moeten zijn. Maar : heeft Judas dan ook niet het Hl. Avondmaal gebruikt ? Dat zou het tevoren gezegde wel fel weerspreken. Maar Yvon weerspreekt het: dit kan niet 'gebeurd zijn.
Het Hl. Avondmaal doet sterk aan het Pascha denken. Yvon grijpt dat gretig aan, omdat het hem sterkt in zijn beschouwingen en overtuigingen. Onbesnedenen, onreinen, melaatsen, slaven, mochten het Pascha niet vieren. Dat betekent dus voor het Hl. Avondmaal, dat alleen de in Christus geheiligden mogen aanzitten. Want: het paasbrood had geen zuurdesem ; dus alweer : geen goddelozen mogen er in delen. En als de Heere Jezus niet wil, dat het heilige voor de honden en de paarlen voor de zwijnen zullen worden geworpen, dan heeft dat alweer zijn gevolgen voor het Hl. Avondmaal. Daarna worden sprekende plaatsen uit Paulus' brieven besproken en steeds weer is de slotsom: alleen ware kennis van Christus en het geloof in Hem geeft toegang. En waar de vreze Gods, de echte bekering, de liefde tot Christus niet worden gevonden, daar ligt de conclusie weer voor de hand.
Dus niet al te haastig en te vlot mensen tot het Hl. Avondmaal toelaten! Laat het maar eens overwinteren of overzomeren! De herders (wier ambt zo hoog gewaardeerd wordt) hebben juist hier krachtig te waken. Voor onwaardigen géén plaats. Met een kring, die ze toch wèl toelaat, géén gemeenschap ! Het heilige voor de heiligen!
Het tweede deel van dit stellig knap (te knap ? ) geschreven boek, lijkt ons wel zeer sympathiek. Immers dogmatici en systematici plegen zo verstrikt te raken in eigen garens, dat ze maar doordraven en op anderer tegenwerpingen geen acht geven.
Zo doet Yvon niet. Hij begrijpt erg goed, dat er tegen de zo (scherp) gestelde leer reeksen tegenwerpingen rijzen. Hij is er niet bang voor, noemt ze bij voorbaat, maar poogt ze te ontzenuwen.
Hij begint meteen met de kern der zaak. Het is bij Yvon's beschouwingen wel zeer nodig, dat vooral de herders, maar óok wel alle christenen, het vermogen hebben om vals en echt te onderkennen. Dat heeft de bestrijding ervan b.v. door Koelman, Brakel (terecht) ontkend, maar hun tegenspraak heeft Yvon alleen kunnen bevestigen. Vijf soorten gemeenteleden somt hij op : ware gelovigen èn wereldlingen, die wel het eenvoudigst te onderkennen zijn. Tijdgelovigen en in zware zonden gevallenen zijn toch ook wel kenbaar. En tenslotte de huichelaars, al ligt het hier wel het moeilijkst: ook dat valt nog mee.
De herders hebben hier alweer hun taak. Een onfeilbare kennis is hen wel niet mogelijk, maar dat hoeft ook niet. Dan trekt Yvon openlijk te velde tegen W. a Brakel, met wie hij elders schermutselde en die, na een tijdlang door Yvon bekoord te zijn, hem tenslotte als een verzoeker zag en hem de rug toekeerde. Brakel had gezegd : Als een dominee in een gemeente komt, dan kent hij z'n mensen maar heel ten dele. Hij voelt zich belast met bestaande toestanden, waar hij meest maar weinig aan kan veranderen. Hoe zóu hij z'n schapen dan zo , , onderscheidenlijk" kennen? Brakel had er ook op gewezen dat, als men Yvon zou volgen, zo'n groot aantal personen zou moeten worden afgehouden, en zag daar blijkbaar tegen op. Maar Yvon niet. Hij vindt hier wereldse gedachten aan het woord, waarvan hij op alle manier afstand wenst te nemen.
Tot dusver heeft Yvon de praktijk en de dogmatiek op het oog gehad. In een derde boek brengt hij Schrift en historie ter sprake. Hij houdt vol, dat alleen het waar geloof, dat lidmaat van Christus maakt, bestaansrecht in de kerk geeft. Stelden de profeten niet een nieuw volk in uitzicht ? Heeft de Heere Jezus dat ook niet gepredikt: een stad op een berg ; een zoutend zout ? De oude kerk kan het alleen maar bevestigen.
Yvon loopt Paulus' brieven door, haalt eruit, wat van Geest spreekt, maar laat o.i. erg liggen, wat van vlees, van de strijd van vlees en Geest spreekt. Hij voelt daar blijkbaar zelf iets van, want hij houdt de gemeente van Corinthe apart. Hij erkent (niet erg gretig), wat daar aan wantoestanden heerste, maar zegt nochtans : Nee, maar de grote meerderheid leeft toch in geloof, liefde en heiligheid.
Als de wedergeborenen alleen zijn ware kerkleden zijn, valt te verwachten dat hij ze extra aandacht wijdt. Ook de doop van Johannes, die men hem tegenvoert, wordt nader verklaard en wordt geacht aan zijn overtuiging geen afbreuk te doen. Johannes was voorloper van Christus ; dat is zijn betekenis èn grens.
Maar nu zijn er enkele gelijkenissen, die heel niet de labadistische kant schijnen uit te wijzen. Eerst die van het onkruid tussen de tarwe, dat men staan laat tot de voleinding der eeuwen. De breedheid, waarmee Yvon er over handelt, verraadt o. i. verlegenheid: Reeksen kerkvaders worden als hulptroepen aangevoerd. De bewijsvoering is vooral negatief : als men dit woord op de tucht zou toepassen, zou die geheel moeten ophouden. Dat kan onmogelijk, dus Yvon denkt 'het meest aan de geveinsden en dan strijdt het met zijn leer niet. Immers vroeg of laat worden die onderkend en schakelen dan zichzelf uit.
De gelijkenissen van het visnet en de dorsvloer, van schapen en bokken, (pas in het eindgericht) worden op gelijke wijze verklaard. Of het zo werkelijk overtuigt ?
De rest van het Nieuwe Testament weerspreekt z'n leer niet, meent Yvon. Nog even maakt hij een uitstap in de oude kerk. De Donatisten, die ook de heiligheid der gemeente zo onderstrepen en de Novatianen, die zo hard zijn tegen eenmaal gevallenen, hebben allicht zijn sympathie. Hij poogt hun bedoelen in het licht te stellen en misverstand af te weren.
Tenslotte sluit boek 4 het geschrift af. Het handelt over de praktijk van de kerk in de eerste eeuwen. De oude kerk was volgens hem scherp en eenkennig : alleen ware gelovigen worden erkend. Dat men de catechumenen en de boetedoeners van hen onderscheidde, is hem sympathiek. Als hij zegt, dat in de eerste eeuwen de gelovigen het eigenlijke lichaam der kerk uitmaakten, moeten we pijnlijk glimlachen. Wat is het verval spoedig opgetreden! En wat zijn de grenzen vervloeid ! Het is dan toch wel doctrinair maar te zeggen, dat die echte kern zo aanstonds aanwijsbaar was! Dat die oude kerk zo waakzaam was om onwaardigen af te houden van de Eucharistie (Hl. Avondmaal), lijkt ons meer een wensdroom dan een historische werkelijkheid. Yvon wil de kerk van het heden dubbel in gebreke stellen, door het beeld van de oudste kerk te idealiseren. Dat is een veel-toegepaste taktiek, maar die zomin eerlijk als werkelijk is.
Ten besluite worden Waldenzen en Boheemse Broeders nog te hulp geroepen om te doen blijken dat die veel overeenstemming vertonen met de labadistische praktijk. Hij had er dan toch wel bij mogen zeggen, dat de verhouding der twee (sympathieke) groepen tot de gereformeerde kerk minstens onduidelijk is.
Ziedaar een beknopt overzicht over wat Yvon bedoelt. Heel het Labadisme, dat we schetsten, komt in hem zeer imposant, maar ook zeer aanvechtbaar aan het woord.
Als we nog een paar artikelen hopen te wijden aan de reeds genoemde Anna Maria van Schurmann, hebben we hoop, aan deze merkwaardige groep, die aan de gereformeerde kerk zo verwant, maar tenslotte ook zeer vreemd is, enigermate recht te hebben gedaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's