DE WARE RUST
„Er blijft dan een rust over voor het volk van God" Hebreen 4 vs. 9.
Rust is een woord, waar we allen belangstelling voor hebben. Een woord dat ons allen aanspreekt. Rust dat is iets, waar de mens alles voor doet. Niets toch in het leven is erger, dan onrustig te zijn, dan rusteloos door het leven te gaan.
Doch onder het woord rust kan veel worden verstaan. Er zijn mensen, die al héél tevreden zijn als na een moeizame dag van arbeid 's avonds de rust voor hen aanbreekt. Dan is de rust een behaaglijke onderbreking van de arbeid onzer handen. Rust is ook onze sterke begeerte in verband met de politieke en maatschappelijfke toestand. Wat voelt men zich rustig, als er geen oorlog is en wat wordt men onrustig als het oorlogsgevaar weer boven ons hoofd dreigt. Vooral in deze dagen van politieke spanningen en de gevaarlijke situatie achter het ijzeren gordijn en in het Midden Oosten maakt ons zeer onrustig. Rust, dat is het hoogste ideaal van de natuurlijke mens, die in zijn persoonlijk en gezinsleven gaarne zich gevrijwaard ziet van moeite, zorg en verdriet. Vandaar dat er vele aanbidders zijn van de hoog-conjunctuur en alles wat er uit voortvloeit. Door de enorme sociale verzorging geen zorgen meer van de wieg tot het graf.
Toch zullen er wel onder de lezers zijn, die zeggen: als dit alleen onder rust wordt verstaan, is het toch niet zó aanlokkelijk, want wat de mens ook probeert om rustig te zijn en een onbezorgd leven te hebben, 't lukt hem niet. Integendeel, het leven wordt steeds onrustiger en gejaagder, In het gewone dagelijkse leven heeft men geen ogenblik de tijd meer voor zichzelf om tot bezinning te komen. Het is één en al grijpen naar het aardse geluk, waarin de rust en vrede nimmer wordt bereikt, maar daarentegen de onrust en onvrede groter worden. Het is een valse rust, die niet te verzadigen is en die steeds weer opnieuw verbroken wordt door nieuwe tegenslagen en teleurstellingen.
Wie dan ook goed over het gehele leven nadenkt moet toch het Woord van God gelijk geven : , , dat het uitnemendste van dit leven moeite en verdriet is". Deze rust, die gezocht wordt, is de ware rust niet, aangezien het een rust is buiten God en Zijn Christus. Een rust, die uitloopt op een eeuwige onrust, indien we alleen maar naar een aardse rust en vrede blijven jagen. Deze aarde en haar genot is de plaats der ruste niet.
De tekst spreekt dan ook gelukkig over een andere rust. Een rust, die inderdaad de ware rust is, omdat zij door God wordt gegeven. Dat is de rust waarin God is ingegaan, toen Hij Zijn schepping had volbracht. Toen heeft God op de zevende dag van al Zijn werk gerust. Een rust, die geheel en al volkomen was. Een ongestoorde rust, zonder zonde en ongerechtigheid. Een rust, waarin al het geschapene leefde en rustte in Zijn rust.
Dit rusten is daarom niet een , , niets doen", want dat is ledigheid, en ledigheid is des duivels oorkussen. Deze rust is dus niet de hier boven getekende aardse rust, maar de geestelijke rust, die van God uitgaat. Vandaar dat deze rust in de tekst wordt aangegeven door een woord, dat doelt op de rust van God op de zevende dag, die Hij daarom ook heeft geheiligd. Met deze rust wordt dan ook bedoeld: de zaligheid. Een volmaakt dienen, vrezen en loven van God. Deze rust nu hebben wij allen in Adam door onze ongehoorzaamheid verstoord. De mens wilde rusten in zijn eigen rust en ontheiligde daarmede tevens de sabbath des Heeren. Want ook de sabbath wil niet zeggen : niets doen, maar leven tot eer van God. Deze sabbathsrust hebben wij dus verworpen.
Wij missen nu van nature deze ware rust. Doch in Zijn herscheppende daad heeft God nog een weg ontsloten waardoor Hij voor de ongehoorzame en gevallen mens nog de mogelijkheid heeft geopend om alsnog in Zijn rust in te gaan. Een weg, die Hij in het Oude Verbond heeft geopenbaard om Zijn volk uit Egypte te verlossen en ze te brengen in het land der belofte, Kanaan. Een land, waarin ze — indien ze naar God hadden geluisterd — ontdaan van alle vijanden in rust en vrede hun God hadden • kunnen dienen. Niet als een blijvende woonplaats, maar als een schaduwbeeld van het hemelse Kanaan.
Israël echter heeft deze rust, waarin God door middel van Jozua hen heeft gebracht, veracht. Ze hebben zich niet gehouden aan Zijn geboden en daarmee opnieuw de vijanden binnen de grenzen gekregen. Vandaar dat het niet Jozua is geweest, die Israël in de rust heeft gebracht, want dan zou er niet gesproken zijn geweest van een andere dag. Neen, niet Jozua, maar daar is er één geweest en die is er nog, die eenmaal Zijn volk in de ware rust zal brengen, n.l. de meerdere Jozua, de Heere Jezus Christus. Hij is in Zijn eeuwige zondaarsliefde neergedaald op aarde die de zonde en ongerechtigheid heeft verzoend. Die de kloof heeft gedempt tussen de heilige God en het ongehoorzame tot schuld gebracht schepsel. Die heeft een rust aangebracht voor al de Zijnen, die de ware rust is. Hij kon doen, wat voor Jozua onmogelijk was, n.l. om al de vijanden van deze ware rust te vernietigen. Die, de wet volbracht hebbende, niet meer zal dulden dat deze rust gestoord zal worden door ongehoorzaamheid aan het recht van Zijn Vader. Hij is het, die als de ware Leidsman en Voleinder des geloofs eenmaal de rust-verloren hebbende zondaar binnen zal leiden in de rust, waarin God gegaan was. Een rust, waarin nooit geen zonde, noch leed, noch droefheid, noch ziekte en dood meer zal binnen dringen, maar een eeuwige rust, een eeuwige sabbath, waarin God volmaakt zal worden gediend en waar klinken zal het lied van Mozes en het Lam.
De rust, waarheen Jezus de Zijnen leidt. Waar Gods volk zich zal verheugen, omdat zij door de storting van Zijn bloed met de Vader zijn verzoend door het werk van de Heilige Geest. Dit toch de ware rust, te weten door het geloof, dat de zonden zijn vergeven, dat de straf der zonde, de dood, verslonden is en straks in het Koninkrijk van God volmaakte rust en vrede heersen zal, alleen door het volbrachte werk van Jezus Christus.
Er blijft dan een rust over voor het volk van God. Dat volk, over wie God zich nog ontfermt. Het Bondsvolk, aan wie de Heere bij de voortduur en ondanks hun ontrouw. Zijn belofte heeft gegeven om in te gaan in Zijn rust. Dat wil zeggen, de belofte van God om in te gaan in de verbondsbetrekking met Christus en een toestand van vereniging met God door Christus, om daarin dagelijks toe te nemen, tot zij in heerlijkheid in de eeuwige rust zullen zijn binnen gegaan.
Een ieder nu die deze belofte van God ontvangt, behoort tot Zijn volk.
Tot wie is deze belofte niet gekomen ? Vandaar de grote verantwoordelijkheid die op onze schouders rust, aangezien de Heere wel geeft, maar wij in vijandschap Zijn gave weigeren. Dat we dan op Zijn belofte acht slaan, ja, dat we deze belofte met een gelovig hart zullen aanvaarden. Want als we alléén maar de belofte hebben en het geloof ontbreekt, dan zal het ons niets baten, doch straks tegen ons getuigen.
Vandaar het aandringen van de apostel : , , Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan, nagelaten zijnde, iemand van u schijne aohtergebleven te zijn.
Want ook ons is het evangelie verkondigd gelijk als hun, maar het deed hun geen nut, omdat het met het geloof niet was gemengd in degenen, die het hebben gehoord.
Het zal héél erg zijn, als er maar één onzer door ongeloof is achtergebleven. Want daarvan heeft God in Zijn toorn gezworen: , , Indien zij zullen ingaan in Mijn rust". Zoek dan die, rust niet in deze wereld, maar benaarstig u om in deze rust in te gaan, opdat niet iemand in hetzelfde voor'beeld der ongelovigheid vervalle en gij de Christus verwerpt.
Zij hebben nut van deze belofte, die in Zijn Naam geloven. Die het hebben geleerd, wat het wil zeggen God te missen en de ware rust niet te kennen. Die onrustig zijn in hun hart vanwege hun zonde. Die zelf geen uitweg meer weten, maar in deze benauwdheid roepen tot God. Zij zullen niet beschaamd uitkomen. Zij zullen horen de stem van het Lam: , , Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven". Zij het dan op de aarde door de zonde, die u aankleeft, nog niet volmaakt, misschien wel een heel moeilijk aards leven, doch dan straks de eeuwige rust. Wat er ook moge gebeuren, hoe donker en somber ook de tijdsomstandigheden, die rust zal straks eenmaal het volkomen deel zijn van allen, die in Zijn Naam geloven, want dat is des Heeren volk.
Ga dan met vrijmoedigheid tot de troon der genade, opdat ge bamhartigheid moogt verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd en gij zult rust vinden voor uw zielen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's