De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERKIEZENDE VERKOREN III

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERKIEZENDE VERKOREN III

8 minuten leestijd

Jezus Christus Gods verkiezing d.w.z. de verkiezende God en de verkoren m.ens.

Deze stelling van Barth houdt in, dat de Heere God de mens Jezus Christus op het oog heeft gehad. God bedoelde de mens Jezus Christus.

Daaruit moet dan volgen, dat Jezus Christus de ware mens is.

Als wij dat zó stellen, dringen zich echter een paar vragen op: n.l. Hoe staat het dan met de eerste Adam, met de schepping van Adam, met de paradijsgeschiedenis ?

Een tweede vraag is : Welke relatie is daar tussen Jezus Christus en de eerste Adam? Is deze ook de ware mens, een ware mens ?

En dan komen daarmede in verband nog meer vragen op aangaande rechtvaardigmaking, wedergeboorte, e.d.g.

Wij willen een en ander een weinig nader toeschouwen.

Wat het eerste gevolg aangaat: Heeft de Heere God de mens Jezus Christus op het oog gehad? Is de mens Jezus Christus, de verkorene Gods, de mens, die God bedoeld heeft ?

Hier kan men spreken van een ja en neen. Jezus Christus waarachtig mens, belijdt de catechismus. Men kan dus zeggen : de mens Jezus Christus.

Dat kan men zeggen en dat is in zekere zin ook waar. Immers wij belijden, dat Jezus Christus, de Zone Gods de menselijke natuur heeft aangenomen door geboorte uit een vrouw, zodat Hij waarachtig mens kan worden genoemd en waarachtig mens is.

Maar Jezus Christus is niet alleen waarachtig mens. Hij is Gods Zoon, en waarachtig God.

Hoezeer Hij ook waarachtig mens is, ja, ons in alles gelijk geworden uitgenomen de zonde, toch is Hij onderscheiden van en verheven boven alle mensen, omdat Hij de Zone Gods, omdat Hij God is.

Om de betekenis daarvan iets te verduidelijken : Toen Christus op aarde was en met de twaalf discipelen b.v. de stad Samaria binnentrad, maakte het op de lieden van Samaria de indruk, dat een groep van dertien mannen binnen schreed.

Edoch, de Samaritaanse vrouw zag het beter. Is deze niet de Christus ?

Christus is waarachtig mens, maar Hij is niet een gewone mens, een Adamskind als wij.

Aangezien dat zo is, kan men Hem ook niet onder de gewone mensen tellen. Dat kan alleen een onbekende, die aanziet wat voor ogen is. Zo iemand zou zeggen : Daar gaan dertien mensen. Die weet, dat Hij de Zoon van God is, kan dat niet zeggen. Hij zegt: Daar gaat de Christus met Zijn twaalf discipelen.

Omdat Christus, hoewel waarachtig mens, toch niet een gewoon mens is, moet het ook onjuist zijn te beweren, dat Hij de door God verkoren mens is.

Dat God een welbehagen heeft in de Zoon, ook als Zoon des mensen, kunnen, wij uit de Schrift weten. (Matth. 3 : 17 en andere plaatsen).

Dat Hij echter de door God voorgenomen mens zou zijn, kan daarom reeds niet juist wezen, wijl Hij geen gewone mens is, maar Gods Zoon is, die de menselijke natuur heeft aangenomen.

Hetwelk intussen niet uitsluit, dat het de wil des Vaders, en van de drieënige God is geweest, dat de Zoon zich in de eenigheid Zijns Persoons met de mens, de menselijke natuur, zou verenigen.

Dat onderstelt aldus een menselijke natuur, een mensheid, waarmede Christus zich verenigen zou.

Als nu Christus de uitverkoren mens, de mens, de ware mens zou zijn, hoe moet dat dan worden verstaan ? Is Christus van den beginne aan mens, de uitverkorene geweest, met welke mensheid is Hij dan van den beginne aan verenigd geweest ?

Het begrip verenigen onderstelt trouwens twee mensen, dingen of zaken, die eerst niet verenigd waren en later verenigd werden.

Nog eens, als Christus van den beginne de verkoren mens is geweest, moet de mens van den beginne ook met de Zoon van God verenigd zijn geweest.

En wat betekent dan de schepping van de mens op aarde, van Adam ? Die kan dan niet ook de ware mens zijn geweest, want dat zou immers de door God verkoren mens Jezus Christus geweest zijn.

Dat is wel zo, merkt iemand op, maar, als het nu zó verstaan moet worden, dat Jezus Christus, het vlees geworden Woord, voor ware mens moet worden gehouden ?

Die onderstelling lijkt niet ongeschikt, doch dan blijft, dat Adam de ware mens niet, of nog niet geweest kan zijn.

Zulle een stelling wordt bovendien omver gestoten, als wij bedenken, dat Christus de menselijke natuur heeft aangenomen, doordat Hij uit de aardse mens geboren werd. Krachtens geboorte is Hij waarachtig 'mens.

Zo ziet men, dat die Barthiaanse stelling van de verkiezende God en de verkoren mens, niet zo eenvoudig is, als zij zich voordoet, en ook niet kan worden overgenomen.

Hoe het dan wel is, vraagt een ander. Wij hebben ook gewezen op een woord van Barth over de van eeuwigheid af besloten eenheid van Gods Zoon en de Zoon des mensen.

Er staat Zoon des mensen. Jezus Christus door Barth ten onrechte de verkoren mens genoemd, mag ongetwijfeld de verkoren Zoon des mensen heten. Hij is niet de mens, maar de Zoon des mensen. Zo noemt Hij zichzelf.

Daarin ligt in de eerste plaats, dat Hij door geboorte uit de mens , , mens" is geworden.

Dat betekent verder, dat Zijn verkiezing niet een uitverkiezing tot mens, maar tot Middelaar tussen God en mens is. Hij is niet de verkoren mens, maar de verkoren Middelaar tussen God en mens. Hij is Middelaar der gemeenschap tussen God en mens.

Daarmede is ook gegeven, dat Hij de Middelaar is der Godsopenbaring, gelijk Hij als onze hoogste profeet en leraar wordt beleden.

Aangezien zonder gemeenschap tussen God en mens geen openbaring mogelijk is, is Christus ook de Middelaar der gemeenschap tussen God en mens.

Dat is Hij van den beginne als het Woord, als de Schepper van heme] en aarde, de Schepper ook van de mens, van zijn gaven van verstand en hart, die de mens aansprak en Godskennis schonk en nog door Zijn V/oord en Geest schenkt.

Middelaar der gemeenschap tussen God en mens. Van den beginne. Dus ook in de staat der rechtheid.

We zouden mogen zeggen, dat het de normale gang naar het voornemen Gods is, dat Christus als Middelaar tussen God en de mens, deze tot zijn bestemming brengt.

Dat Middelaarschap brengt derhalve mede, dat Christus zich voortdurend met de mens bemoeit, opdat Gods Raad aangaande die mens wordt vervuld. Zo is Hij ook de Middelaar der goddelijke voorbeschikking of prêdestinatie. Ook daarin heeft Hij Zijn goddelijk aandeel en Zijn bemoeienis met de mens.

Deze bemoeienis van de Middelaar in schepping en openbaring vraagt gestalte te geven aan het goddelijke in het menselijke en menselijk bevattelijke. Hetgeen in Gods Raad is, krijgt door Zijn Woord schepselmatige uitdrukking en bestand. Wat in de goddelijke Zelfkennis was en door God voorgenomen om de mens mede te delen, wordt door het openbarende Woord omgezet in menselijk kenbare voorstelling.

Deze transformatie van het goddelijke in de gestalte van het menselijke en menselijk kenbare, is dus in zekere zin een menswording van het goddelijke Woord. Let wèl: geen vleesworden, maar menswording, althans menselijk wording. Het Woord immers neemt in de Godsopenbaring menselijk kenbare gestalte aan. Er is een innig verband tussen het Woord Gods en de menselijke vorm van het geopenbaarde, een verband, dat een scheppend karakter draagt. Het Woord neemt als geopenbaarde Woord een schepselmatige vorm aan.

In deze schepselmatige vorm van het Woord neemt het derhalve deel aan de 'menselijke natuur, heeft het Woord gemeenschap met de aard van het menselijke en met het menselijke.

In de vleeswording des Woords is de gemeenschap met de menselijke natuur zo nauw geworden, dat de eeuwige Zone Gods in de eeuwigheid van Zijn persoon met haar werd verenigd en de Zoon des mensen is geworden door geboorte uit ons geslacht.

De Zoon is mens geworden, ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde, mens naar lichaam en ziel.

Als openbarende Woord bewerkt Hij eén omzetting van het goddelijke Woord in menselijk kenbare gestalte. Daarvan zou men alleen kunnen zeggen, het Woord is menselijk kenbaar geworden. Zonder twijfel werkt de Heilige Geest in deze kenbaarwording mede.

De vleeswording echter is menswording naar ziel en lichaam. Dat ook deze geboorte niet zonder de Heilige Geest tot stand kwam, weten wij uit de Schrift.

Wat wij met dit alles willen beweren ? Wel, in de eerste plaats dat het klaarblijkelijk in de Raad Gods is besloten geweest, dat de Zoon in zo nauwe gemeenschap met de m'ensheid zou .verbonden en verenigd worden.

In de tweede plaats, dat de uit Adam geboren mensheid in die Christus door die vereniging uitermate zou verhoogd worden, en der goddelijke natuur deelachtig. (2 Petrus 1 vs. 4).

Ten derde, dat dit vervuld wordt aan degenen die in Christus zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERKIEZENDE VERKOREN III

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's