PREEKSTIJL IV
Stijl, en dus ook de preekstijl, heeft met vorm te maken, doch niet minder met norm. Indien die beide, maar in het bijzonder de norm, niet hun invloed doen gelden, komt men tot aberraties en excessen. Nu houdt voor de preekstijl de norm nauw verband met het wezen van de preek. Dat wezen formeert, geeft de norm en heeft alzo ook normerende kracht, moet dat althans hebben, voor de vorm, waarin de preek gegoten wordt. Ds. P. L., Herv. pred. te 's Gravenhage, hield in de zomer van dit jaar een preek over de bekering van Zacheüs. De preek werd uitgezonden door het I.K.O..R In die preek is het banaliseringsproces, waarop wij, in navolging van Rijsdorp reeds wezen, in volle mate op gang. Men kan zelf dat lezen in het G. W., d.d. 18 aug. j.l. (De preek verscheen ook in druk). Ik weet niet, in welke der Haagse kerken ds. L. deze preek(? ) hield. Als het in de Jacobskerk was, dan wel in een ander stijlvol bedebuis, maar zelfs indien het was in een der nieuwe, dan moet een hoorder, die zelfs maar een minimaal besef van decorum had, wel hebben gevoeld, dat een dergelijke taal vloekt met de sfeer en de ruimte van de omgeving. Uit een dergelijke preek kan ook duidelijk zijn, hoe funest de inwerking van wat , , men" begeert, of wat, naar de spreker veronderstelt, begeerd wordt, van funeste invloed is op de man, die moet prediken. Hier is een sociale infectie, die stijlverwoestend is.
De vraag dringt zich bij ons op, welke , , , kerkidee" bij die prediker op de achtergrond leeft. Het kan wel zijn die van een „Christus-belijdende Volkskerk". Maar het lijkt mij meer de idee van een kerk(? ), die te zien is als een vereniging tot bevordering van godsdienstige en zedelijke behoeften, of een soort , , gemeenschap met een , , vrijgestelde", die zich in zijn prediking heeft te richten naar de wensen en behoeften van de leden". (Zie: Het Schild, afl. 4, '56, blz. 84).
Ik ben hier iets uitvoerig geweest om een euvel te signaleren, dat ook onder ons werkt en wellicht eveneens wel tot dergelijke exessen leidde. Woorden als in het stuk van G. W. werden genoemd — ik citeer slechts — , , flauwe kul", werden ook wel eens bij ons gebezigd. Ze worden immers slechts veelvuldig in de conversatie in salon en huiskamer gebruikt, dat gebruik op de kansel zelfs geen lapsus linguae, geen verspreking behoeft te zijn. En de prediker is daarbij in vol ornaat: toga en bef, in de puntjes verzorgd, met baret incluis !
Ik zeide hiervóór, dat een preek, in dergelijke taal vloekt met een stijlvol bedehuis. Maar dat is niet het ergste. Hoe goed zij ook bedoeld moge zijn — daar wil ik zelfs niet aan twijfelen, gezien een roep om bekering en de bedoeling om Jezus te prediken, de Redder —, ik meen toch, dat de Heere Jezus er over weent, zoals die aangrijpende schilderij in een der Parijse kerken ons Jezus laat zien, wenend over de grote stad.
Zulk prediken is tegen de eisen van het Woord, dat zijn bestand heeft in Hem, het eeuwige Woord, van Wien de psalmist zingt : , , Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen". (Ps. 45 vs. 3) en Johannes jubelt : , , en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd". (Joh, 1 VS. 14). Ja, het is o.i. tegen het Woord 'Gods, dat de norm voor de inhoud en vorm, vorm en inhoud der prediking is en als zodanig voor ons moet gelden. Dat is het wezen, dat, waar het onder de bezieling des Heiligen Geestes in de , , vergadering van de Zone Gods" kerkvormend is, de gemeente Gods van alle eeuw in aanzijn roept, ook vorm-creerend, vorm-scheppend is voor de prediking. En hiermede zijn wij gekomen bij de vraag naar het wezen der prediking.
Over het wezen der prediking hebben we terloops wel reeds het een en ander gezegd. De prediking noemden we o.m. , , Woordverkondiging". Ook bezigden we de uitdrukking : het eeuwig Evangelie, of de , , boodschap". Dat mag en dat kan, waar 't gaat over de inhoud. Maar wezen is nog iets méér dan inhoud, al houden die beide nauw verband met elkaar. Als het gaat over het wezen van de prediking, komen we te staan voor de vraag, wat de prediking moet zijn met het oog op de gemeente, die haar moet horen, aan welke ze moet gebracht worden. En juist zo moet mede het karakter in het oog gevat worden.
Gemeente is iets anders dan een gehoor. In de gemeente hebben we een organische grootheid ; zij is het lichaam Christi. Een gehoor heeft niet dat organisch karakter, het is meer atomistisch. Een gehoor past in een gehoorzaal. Het komt om een spreker, en dan liefst een redenaar van formaat, te horen over een aangekondigd onderwerp.
Ik zou niet gaarne willen beweren, dat we in ons kerkelijk leven boven een dergelijke voorstelling of idee ten opzichte van onze kerkdiensten vandaag aan de dag uitgegroeid zijn. Integendeel. Het besef van , , naarstiglijk komen tot de gemeente Gods" (Z. 38, vr. 103) in plaats van tot een predikant van onze smaak, hetzij om de wijze waarop hij preekt, of om zijn preek, is nog niet over heel de linie regel. De kerkelijke situatie in de Hervormde kerk werkt dat in de hand. Dat geef ik grif toe. Maar is het verschijnsel er niet in de andere kerken, waarin het richtingsvraagstuk niet is in de vorm, waarin wij het kennen ? Laat er ergens eens een predikant van naam komen. Trekt die dan niet de schare ? Misschien is zoiets nog het minst frequent in de Geref. kerken. Maar, waar die kerken, zij het in mindere mate dan wij, met ongeveer dezelfde problemen — jeugdvraagstuk, randbewoners, zelfkant van het kerkelijk leven — zitten als wij, is het verschijnsel ook daar. Temeer, waar die kerken veel meer , , modaliteiten"-kerk zijn dan de Hervormde kerk, al wordt deze tegenwoordig alzo wel genoemd.
We moeten de draad weer opnemen om ons te bezinnen op het wezen der prediking, of zo men wil, de Dienst des Woords. Ik plaats die beide, prediking en Dienst des Woords, even naast eikaar. Want wijlen prof. Hoekstra merkt, naar ik meen terecht, in zijn Homeletiek, zijn leerboek der predikkunde, op, dat , , in de benaming prediken, prediking, predikatie, preek ligt uitgedrukt, dat de bediening des Woords een publieke mededeling is van het heil in Christus, welke door de heraut des Konings in Zijn naam tot de gemeente wordt gebracht". Het gaat daarin om het, , Woord Gods, dat de Heere tot onze zaligheid in de 'Schriften heeft geopenbaard, dat Woord in zijn volle omvang in wet en evangelie, in Oud- en Nieuw Testament",
Van die prediking is het wezen — om nog weer prof. Hoekstra aan te halen — „de verklaring en de toepassing van het Woord Gods". (Gereformeerde Homeletiek, blz. 155 en 160). Ds. D. van Dijk neemt deze omschrijving over, doch prefereert ze te wijzigen in : , , toepasselijke verklaring van Gods Woord". En zulks : , , ter voorkoming van het misverstand, dat verklaren en toepassen van elkander zouden kunnen worden geschieden". Ik ontleen dit aan zijn lezing , , De preektrant van de Dominé's in de kerken der Afscheiding in de jaren 1834—-1869", •een lezing, die hij hield , , op de conferentie van de Vereeniging van Predikanten bij de Geref. Kerken in Nederland in de Paaschweek 1934", het jaar van de herdenking der Afscheiding, Ze verscheen in Geref. Theol. Tijdschr. en werd in 1935 uitgegeven bij N.V. De Graafschap, Aalten. In die lezing oefent hij nogal kritiek uit op de preken der oude Afgescheiden dominé's, wier preekwerk, voor zover hij het ter bestudering kon krijgen, z.i. niet beantwoordt aan wat hij stelde als , , wezen der prediking". Die kritiek is m.i. niet altijd billijk. Ik hen het wel met hem eens, wanneer hij zegt, dat , , te weinig in deze. preeken de bijzondere Godsgedachte naar voren wordt gebracht", het daarin „teveel is een ontbinden van de tekst in zijn onderscheidene elementen, naar aanleiding waarvan men dan gaat zeggen: , , algemeene waarheden". Ook val ik hem bij, wanneer hij laat uitkomen dat die predikanten er van uitgaan, dat de schare, tot wie men zich richt, , , een gemengde hoop volks is".
Hij gaat dan verder als volgt: , , Onder hen nemen de grootste plaats in de onbekeerden, natuurlijke menschen, en deze dan weer onderscheiden in onverschilligen, openbare zondaars ; werkheiligen, doodrechtzinnigen, menschen, die op valsche gronden zich het heil in Christus toeëigenen.
Naast deze onbekeerden is dan een kleine groep bekeerden, deze weer onderscheiden in bekommerden en verzekerden. Maar deze laatsten vormen dan al een zeer klein stukje van het geheel. Dat deze kenschetsing juist is, blijkt reeds uit de aanspraak, waarmede de preek inzet: , , Mijne Hoorders !", , , Geachte en geliefde toehoorders !". , , Veel geachte en zeer waarde toehoorders !" , Toehoorders !" , , Mijne Geliefden !" Maar bijna niet de aanspraak, waarop het door Christus 'verloste volk recht heeft: , , Gemeente van onze Heere Jezus Christus".
Tot zover ds. Van Dijk op blz, 7 en 16 van zijn referaat. Nu lijkt hij mij, afgezien van wat ik kan onderschrijven, niet geheel billijk tegenover die vroegere predikanten. Zij leefden in tijden, waarin de waarheid schaars was. In die oude afgescheiden kerken kwamen meerderen, die geen lid van die kerk waren, doch toch uit honger naar de waarheid kwamen luisteren, En ook wel, die uit traditie — ze wilden wel een , , echte" preek horen — zich onder het gehoor zetten; m. a. w, , , er trok veel vreemd volks mede". Bovendien, — maar daar houdt ds. V. D. rekening mede — was de opleiding dier , , ouden" niet wat ze nu is. Vele tegenwoordige predikanten brengen bij veel beter Onderwijs èn langer studie, er waarlijk lang niet altijd meer van terecht, indien niet minder. Misschien — ik hoop neen ! — zijn er zelfs die een en ander uit die genuanceerde rubricatie van , , aanspreken" nog wel navolgen. Maar dan is het, , imitatie". Bij die , , ouden" was het echt!
Wellicht zal ds, v. D. mij prompt tegenkomen met: , , Gij spreekt als een hervormde". En dan heeft hij gelijk. Door onze kerkelijke situatie, die ik niet verdedig — zij roept in alles om een oplossing van het kerkelijk vraagstuk ! — staan wij ten opzichte van een en ander anders. Niet wat het wezen der prediking betreft. Tenminste niet in de grote lijn. Daarom meen ik, dat wij er niet van moeten uitgaan, als zou het kerkvolk, allen en een ieder, te zien zijn als , , gemeente van Jezus Christus". Die lijn trekt m.i, ds, v, D, veel te consequent door. En hij niet alleen! Dientengevolge komt het , , onderscheidenlijk" prediken in gedrang. Let wel, ik bedoel hiermede geenszins, dat wij in de preek al de genoemde onderscheidingen slaafs moeten imiteren. Dat zou niet echt zijn en dorre monotonie worden, waarbij de mensen verveeld luisteren of niet luisteren doch in slaap vallen. Maar wie enigszins de gemeente kent, weet, hoe verschillend de mensen gelegerd zijn, voelt, dat zulks ook in de preek moet reflecteren, in afbraak, in opbouw, in bestraffing, in bemoedigen, in aanvuren, in één woord, in het toepassen van het Woord, van de , , boodschap" op de concrete situatie, .of moderner, in de , , existentiële nood". Ds, V. D. wijst af , , de verleiding om zich opzettelijk, afzonderlijk tot de hypocrieten te richten en tot de ware gelovigen" en dit uit het motief: , , God alleen kent het hart. Ik moet afgaan op het uiterlijk"', zo zegt hij. Zeker, God kent het hart, doch als Hij met Zijn Geest ons bewerkt, kan de prediking ook worden een middel tot ontmaskering van een geveinsde. Ik bedoel maar, dat het te veel verondersteld is, als hij meent, dat , , zolang een lid der gemeente zich niet zó gedraagt, dat hij uit de gemeente moet verwijderd, (men) niet anders mag doen dan hem beschouwen als een gelovige, een kind van. God", (blz, 18).
Voorts wordt, naar ik het aanvoel ook in de beschouwing van ds. v. D, het. element der sleutelmacht in de prediking verontachtzaamd. Let wel, ds, v. D. heeft het wel over „uit de gemeente^ verwijderen", maar dat de prediking des Woord, de eerste sleutel is : openen moet en toesluiten, komt m.i. te weinig naar voren.
Ds. V. D. heeft dit ontkend. Hij zegt: , , Als ik tot de gemeente zeg : , , A1 uw heil komt u alleen toe door het geloof in Christus Jezus", dan heb ik daardoor hem, die niet in zijn hart in Christus gelooft immers buiten gesloten ? " (blz. 35). Ja, zo kan men het zeggen en het hanteren van de eerste sleutel redden. Maar de catechismus schijnt mij daarmede niet tevreden : , , allen en een iegelijk openlijk verkondigd en betuigd .... daarentegen alle ongelovigen en die zich niet van harte bekeren verkondigd en betuigd, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt etc, " En het is ook niet naar Jeremia 21 : 8 : , , Ziet, ik stel over ulieder aangezicht de weg des levens en de weg des doods".
Het is begrijpelijk, dat de referent in zijn , , Toegift" zich ook verzet tegen , , de kenmerkenprediking". Als type preek wijs ik ze eveneens af. Zonder meer zijn , , kenmerken gelijk men ze bezigt, stroohalmen. Men kan er eén hele bos van hebben", is gezegd, , , en heeft dan nog maar een bos stroo". Maar in de zin van toetsing en beproeving of wij in het geloof zijn (2 Kor, 13:5) — de exegese, die ds, V. D. er van geeft, schijnt mij onjuist ; men leze er Grosheide in de K, V, maar eens op na! — vormen de , , kenmerken" een element, dat niet gemist mag worden. Doch 't zij als toepassing, — niet een aanhangsel! —, doch in prediking als zout in de spijze. Zo preekte Calvijn, genoemd , , de man der toepassingen", (Hoekstra),
Een opvatting van het wezen der prediking, als we hier weergaven, werkt een bepaalde preekstijl. Doch het is m, i, niet de juiste. Doch daarover in een volgend artikel,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's