DE VOLKOMEN MENS
In de verhandeling de Verkiezende Verkoren, werd een vergelijking getrokken tussen de voorstelling, welke Barth omtrent de mensheid van Christus geeft, en het beeld, dat de Schrift ons tekent. Wij hebben daarbij de gelegenheid gehad om aan te tonen, dat van den beginne een betrekking is geweest tussen de Zoon van God en de mens.
Van den beginne bedoelt dan, van den beginne der schepping aan.
Omdat die betrekking er van den beginne aan is geweest, moet die in het voornemen Gods reeds eerder zijn geweest. Om Schriftuurlijk te spreken : van voor de grondlegging der wereld.
Die betrekking tussen de Zoon des Allerhoogsten en de mens, is van eeuwigheid besloten, d.w.z. gaat in de eeuwigheid terug, zoals heel de Raad aangaande de schepping en de door God voorgenomen schepselen in de eeuwigheid teruggaat.
Die betrekking tussen de Zoon van God en de mens, welke God zich had voorgenomen in het leven te roepen, wordt uitgedrukt in het Middelaarsambt waartoe de Zoon van eeuwigheid gezalfd is en waarom Hij Christus, de Gezalfde, de Messias genaamd wordt.
Wanneer wij dus over Christus, de Middelaar, spreken, worden wij bij die voorgenomen en met de schepping van de mens in vervulling gaande relatie tussen de Zoon van God en de mens bepaald.
De Christus is dus niet bij Zijn vleeswording een Middelaar geworden, maar Hij is van den beginne tot de Middelaar Gods en der mensen verkoren en gezet.
Men hoort dikwijls spreken van de Middelaar der schepping. Strikt genomen is dat een sterk hinkende uitdrukking. Hoe kan er een Middelaar zijn tussen God en Zijn schepsel, als het schepsel er nog niet is ?
En toch is er een kern van waarheid in.
Toen het Woord scheppend uitging van de Vader, ging het niet uit in het onzekere. Integendeel, de Zoon weet, wat Hij doet, want Hij volbrengt altijd de Wil des Vaders.
Het goddelijk overleg en besluit, de Raad Gods, gaat aan de schepping vooraf, zoals wij hebben opgemerkt naar aanleiding van Genesis 1 vs. 26. In die Raad Gods zijn alle dingen bepaald, die God voornemens is te scheppen.
Hoe?
Wie kan dat zeggen ?
Wij hebben echter een vergelijking in ons menselijk zijn, die ons helpen kan. Onze schepping naar den beelde Gods geeft 'bovendien een waardevolle betekenis aan die vergelijking.
Denk. aan de componist, aan de architect, en ook aan een eenvoudige alledaagse plannenmaker.
Wat anders is de compositie in de geest van de kunstenaar, wat anders het klank volle spel op het orgel, wat anders de creatie van een machtig bouwwerk in het brein van de bouwmeester, wat anders de structuur van steen en metaal, die wij aanschouwen. Wat anders ook is het plan, waarmede de alledaagse mens rondloopt en zijn uitwerking in het leven.
Welnu, op dezelfde wijze kan men zeggen : Wat anders is de schepping, zoals die in de Raad Gods voor God staat, laat mij duidelijkheidshalve mogen zeggen in Gods gedachten staat, wat anders is zij in de werkelijkheid, waarin wij ons bevinden en waartoe wij ook behoren.
De wijzen dezer wereld hebben zich heel veel moeite gegeven aangaande de verhouding tussen de wereld in ons bewustzijn en de wereld zoals deze buiten ons bewustzijn moge wezen.
Wij zijn hier bezig met de verhouding van de wereld, zoals die in de Raad Gods is voorgenomen, en zoals deze in de schepselmatige orde bestaat.
Zoals nu de schepping in Gods Raad bestaat, zo is zij niet alleen aan Christus bekend, maar Christus draagt die in Zich.
Hij IS het Woord, het eeuwige levende Woord Gods, en gelijk onze woorden naar buiten dragen, wat in ons binnenste verborgen was, zo geeft het scheppende Woord Gods gestalte aan wat in de Raad Gods was.
Gelijk Hij krachtens Zijn godheid deel heeft aan het goddelijk overleg en aan de Raad Gods, en gelijk die Raad Gods in God is, is deze ook in Hem, zodat Hij uit de Raad Gods kan spreken. Ja, Christus, het Woord, is ook de Vertolker van Gods Raad, voorzover het Gode behaagt die aan ons te openbaren en Hij is de Vervuiler van die Raad.
(Vgl. Jesaja 9 vs. 5 en 11 vs. 2 : en op Hem zal de Geest des Heeren rusten, de Geest der Wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des Heeren).
In die Raad ligt het ganse plan Gods omtrent de schepping en met de schepping, ook omtrent de mens, zijn schepping en heel zijn wezen, en Zijn plan met de mens.
In die Raad is alzo ook de relatie van de Christus tot de mens bepaald, welke wordt uitgedrukt in het Middelaarschap van Christus. En dat is dan ook de kern van waarheid, waarop wij boven wezen.
Want als God sprak : Laat Ons mensen maken, wist God toch, wat Hij bedoelde met dat wezen, dat Hij mens noemde, toen het nog niet geschapen was.
Zo is het met alles wat de Heere van plan was te scheppen. Het stond voor Hem in Zijn Raad. In die Raad was heel de schepping en was ook die mens op een onzienlijke en verborgen wijze. En in zoverre kan men van een Middelaar der schepping spreken, omdat Hij in de Raad Gods tot een Middelaar was gesteld tussen God en het voorgenomen schepsel.
Dat Middelaarschap heeft nog een ander aspect, hoewel dit geheel samenhangt met het onderhavige stuk.
Het wil ons tenminste voorkomen, dat het Middelaarschap onmiddellijk verband houdt met de woorden van Paulus in de brief aan Colosse 1 vs. 15, , , de Eerstgeborene aller creatuur".
De Zoon des Vaders is geen schepsel, Hij is eeuwig in de schoot des Vaders, 't Geheel enige, wat Hém onderscheidt van de Vader is, dat de Vader genereert, en de Zoon wordt gegenereerd. Het Vaderschap is genereren. De Vader is Vader, omdat Hij de Zoon genereert, de Zoon is Zoon, omdat Hij door de Vader gegenereerd wordt.
De Zoon van God is dus geen schepsel of creatuur.
Aangezien Hij echter de Eerstgeborene aller creatuur wordt genoemd, wordt Hij daardoor enerzijds bij het creatuur gezet en anderzijds daarvan onderscheiden. Hij wordt als Eerstgeborene aller creatuur, als een Enige, ook ten aanzien van de ganse schepping aangewezen. Het kan slechts van een Enige gelden de Eerstgeborene aller creatuur te zijn.
Dat is het nu juist: enerzijds onderscheiden van, anderzijds gezet bij het creatuur en dat geldt van de Christus, de Zoon. van God.
Juist het verband met de schepping (zie de volgende verzen van de aangegeven tekst), doet ons denken aan het Middelaarschap tussen God en 't schepsel en inzonderheid tussen God en de mens. Hij is de Eerstgeborene aller creatuur, omdat alle dingen door Hem en in Hem geschapen zijn (vs. 16) en alle dingen in Hem tezamen bestaan.
En Hij kan Middelaar der schepping zijn, omdat alle dingen in Hem tezamen bestaan. Hij draagt de ganse schepping op een verborgen en onzienlijke wijze in Zich en geeft daaraan door de macht van Zijn Woord gestalte in de werkelijkheid, die wij wereld noemen.
Onder alle creatuur behoort ook de mens, zo werd reeds eerder opgemerkt. Hoewel nu het Middelaarschap van de Christus niet alleen de schepping der dingen omvat, maar ook een voortdurende bemoeienis met het schepsel insluit, is dit toch op een bijlzondere wijze op de mens betrokken, aangezien de mens in heel de schepping een zeer bijzondere plaats heeft verkregen. In het vorig artikel werd reeds uitvoerig gewezen op Christus' bemiddeling in de gemeenschap tussen God en mens. Het geheel bijzondere van deze betrekking wordt bepaald door het feit, dat de mens naar Gods beeld is geschapen. Daardoor wordt die betrekking persoonlijk, een relatie van persoon tot persoon, een omgang, waarin God Zich openbaart, zoals Hij gekend wil wezen door de mens.
Het is waar, dat de zonde die gemeenschap als het , normale" verkeer tussen God en mens heeft verbroken. Die gebroken gemeenschap kan bovendien van de mens uit niet meer worden opgenomen. De Heere God heeft de mens geschapen, opdat Hij in hem Zijn beeld zou aanschouwen. Hij heeft met hem gemeenschap willen hebben op een verbondmatige wijze. De mens kan dat verbond verbreken, maar hij kan het niet herstellen, want God is God en de mens is een afhankelijk schepsel.
De Heere God echter blijft Meester van het verbond en Hij is getrouw en genadig, zodat Hij zich nederbuigt tot de zondaar en met hem in en door Christus weer in gemeenschap wil treden, opdat Zijn Raad aangaande de mens vervuld wordt.
Het feit alleen, dat de zonde in de wereld is gekomen en de mens kon ten val brengen, hem zijn bestemming kon doen missen en aan een eeuwige dood overgeven, is genoegzaam bewijs voor 's mensen onvolkomenheid en zwakheid.
Of God dan de mens zo onvolkomen en zwak heeft geschapen ?
Dat weten wij beter. God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, d.i. in ware gerechtigheid en heiligheid. (Heid. Catech. vr. 6).
Maar hoe noemt gij de mens dan onvolkomen en zwak ?
Die vraag is duidelijk en rechtmatig, maar vindt ook een duidelijk en rechtmatig antwoord.
Een schepsel kan goed zijn en toch niet volkomen.
De staat van goed zijn ziet n.l. op het aanwezige, maar de staat van volkomenheid ziet op de toekomst. Goed zijn ziet op de huidige situatie, volkomenheid op de bestemming. In alle stadiën van de groei kan iets goed zijn en toch nog niet tot volkomenheid geraakt.
Een graankorrel, op zich zelf beschouwd, kan goed zijn en de kiem, welke hij bevat teder, maar gelet op de halm met de rijpe aar, welke in de korrel verborgen is, is deze onvolkomen.
Zo is het nu met de mens.
Adam was goed en naar Gods beeld geschapen, maar hij was niet volgroeid en hoewel de ganse mensheid in hem als in beginsel aanwezig was, vertoonde hij nog niet het beeld zijner volkomenheid.
En hij wist ook nog niet, welk een volkomenheid Gods voor hem had weggelegd. Het beeld van de volkomen mens was zekerlijk in de Raad Gods, en daarom was het ook in Christus, doch het was Adam gezet uit het geloof te leven, totdat de dag zijner volkomenheid vervuld zou wórden naar het voornemen Gods in Christus.
Wij kunnen ons niet bezig houden met de vraag, hoe dat alles zou geschied zijn, als er geen zonde in de wereld ware gekomen.
Daarin zou weinig of geen nut steken. Doch wel mogen wij geloven, dat de mens, die God in Zijn Raad van voor de grondlegging der wereld heeft verkoren in de hoogste volkomenheid en heerlijkheid, welke Hij in Christus had voorgenomen, der goddelijke natuur zou deelachtig worden, gelijk de apostel Petrus getuigt. (2 Petrus 1:4).
Toe'h de Heere uit de hemel was nedergekomen om de menselijke natuur aan te nemen, te reinigen, te louteren en te vernieuwen, heeft de menselijke natuur in Hem deel gekregen aan Zijn Goddelijke.
In Hem is de nieuwe mens opgestaan, een geestelijke mens, (Vgl. 1 Cor. 15 vs. 42 V.V.). Deze geestelijke mens is de nieuwe mens, de volkomen mens. Christus is derhalve de volkomen mens.
In Hem is de mens, die uit Adam geboren is, uitermate verhoogd en verheerlijkt, juist door dat deelachtig zijn aan Zijn goddelijke natuur.
In Hem is de menselijke natuur versierd met de' hoogste gaven, welke God voor haar had weggelegd.
En hoewel Christus ook zó verheven blijft boven en onderscheiden is van alle mensen, omdat Hij de enige waarachtige en wezenlijke Zoon Gods is, wordt Hij toch ook weer de Eerstgeborene onder vele broederen genaamd. (Rom. 8:29). Van deze broederen, dat zijn degenen, die van Christus zijn, wordt geschreven, dat zij verordineerd zijn den beelde des Zoons gelijkvormig te worden. (Vgl. ook 1 Cor. 15:49).
Zo zullen zij dan delen in de heerlijkheid van de volkomen mens.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's