DE BEJAARDEN
II
Dr. Gilhuis maakt vooral onderscheid tussen ouden, die terugzien op hun leven, zodat ze meer in het verleden beginnen te leven ; anderen, die zich sterker bij het heden bepalen en weer anderen, die in hun oude dag vooruitzien en dus bezig zijn met de toekomst. Vooral het terugzien op wat voorbij ging treffen wij bij vele ouderen aan. De jeugd zegt: nóg niet, want ze houdt zich het meest ingespannen met de toekomst bezig. De ouderen zeggen: niet meer, want ze verdiepen zich in wat ze beleefden. Zij zijn als mensen, die een bergtop beklommen en nu vlak voor de top nog eens terugzien op de afgelegde weg. Dit heeft zijn schoonheid, maar ook zijn gevaren. Zijn schoonheid hierin, dat het nu de tijd van de bezonkenheid en de bezinning wordt. Het leven wordt dan gezien in het licht van de eeuwigheid; de leiding Gods in dat leven wordt duidelijker zichtbaar. Men gaat scherper zien hoe de Heere in Zijn voorzienig bestel de weg gebaand heeft en hoe allerlei teleurstellingen vruchtbaar waren met het oog op de toekomst. Dat heeft ook zijn gevaren, en wel hierin, dat de weg der voorzienigheid gemakkelijk wordt gezien als de weg des heils, zodat de levenservaringen kunnen worden beschouwd als de fundamenten van de zekerheid des heils. Daarmee bedriegt men dan zichzelf voor de eeuwigheid.
De schoonheid van dit terugzien kan ook hierin liggen, dat het zondige leven meer komt te liggen voor het aangezicht van God. Men ziet de weg der' zonde zich scherper aftekenen en men wordt er door verootmoedigd, vooral nu de schaduw van de naderende dood duidelijker zichtbaar begint te worden. Met psalm 25 worden dan de , , zonden der jonkheid" meer gezien en betreurd, mocht het zijn ook beleden, en de boetepsalmen vatten hun echo in het hart. Te mogen weten, dat deze zonden om Christus' wil vergeven zijn. is een sierlijke kroon voor de grijsaard en een lichtend getuigenis voor het komende geslacht. Wij kennen de moeders of vaders in Israël, die uit een gerijpte levenservaring en een bezonken oordeel mogen getuigen van zonde en genade, en daarin anderen ten voorbeeld en tot steun mogen zijn. Daarin wordt de nestor-figuur op een hoger plan gehandhaafd, omdat het hierin gaat om datgene wat blijft, ondanks de maatschappelijke verschuivingen. God geve ons veel zulke bejaarden en Hij verlene ze veel geestelijk gezag bij het opgroeiend geslacht, want daarin mag de trouw aan het Woord van oud naar jong worden voortgezet.
Het terugzien heeft ook gevaren, vooral als het licht van de Heilige Geest daarbij niet de leiding heeft. Vaak zit er achter een zekere ontevredenheid met het heden. Men is door het leven op een zijspoor gezet, naar de mening van de bejaarde wordt niet meer gevraagd en als hij al eens zijn mening kenbaar maakt, wordt het schouderophalend aangehoord. De leiding berust bij degenen, die men vroeger op schoot had. Het valt niet mee om zich daarbij neer te leggen. Gemakkelijk kan dan het zich verdiepen in het verleden een soort wraakneming op het heden worden. Het verleden wordt dan beter, dan het concreet ooit geweest is en de eigen rol er in wordt sterk overschat. Tegenover de eigen onbelangrijkheid van nu wordt het verleden dan gemaakt tot het duidelijk bewijs van zijn belangrijkheid. Het terugzien is dan een vrucht van het gekwektste zelfgevoel, een afreageren van wat men in het heden niet voetstoots aanvaarden kan. Men geeft zich over aan egoïstische mijmeringen en is daarmee vaak de anderen tot een last. Met nadruk wordt dan gesproken van , , de goede, oude tijd", waartegenover de huidige tijd als een stuk degeneratie wordt getekend. Er wordt dan sterk gewerkt met het wit-zwart schema en de conflicten tussen de generaties worden er door in de hand gewerkt.
Het gevaar hiervan is des te groter, omdat bij het verval van de hersenen de laatste indrukken het eerst worden uitgewist. Men neemt niet zo gemakkelijk meer iets nieuws op mensen, die men pas ontmoette, vergeet men weer, maar de jeugdervaringen komen helderder naar voren. Daardoor komen oude mensen op hun praatstoel als ze het verleden op kunnen halen. Hoe nodig is dan de tucht des Geestes, opdat men voor egoïsme wordt bewaard. Die alleen kan de genade schenken om niet van de eigen voortreffelijkheid, maar van de daden des Heeren te gewagen. Anders wordt men steeds meer verstrikt in het eigen garen.
De ouderdom is het verval van de vermogens, niet alleen lichamelijk, maar ook psychisch. De mogelijkheid om het contact met de buitenwereld te onderhouden wordt steeds kleiner. Men past zich niet meer zo gemakkelijk aan nieuwe dingen aan en laat het vaak maar langs zich heen gaan. Daardoor raakt men steeds meer geïsoleerd op het kleine terrein van het eigen leven. Vandaar dat een oude van dagen vaak zeer breed kan verhalen over de verschijnselen van eigen lichamelijk verval, zodat het wel lijkt alsof er ter wereld geen belangrijker dingen meer zijn dan die bepaalde kwaal, waarvan hij de ongemakken ondervindt. Daar zit vaak een zeker zelfbehagen achter, maar het kan ook heel simpel voortkomen uit het feit, dat de andere dingen van het leven zo ver weg zijn komen te liggen, dat ze de oudere niet meer kunnen bezig houden. Het gevaar hiervan is toch wel heel sterk, dat de oudere zichzelf met zijn kwalen veel belangrijker gaat achten, dan alles wat er verder nog zou kunnen plaats vinden en daar dus ook alle aandacht van de omstanders voor opeist. Dat kunnen , , lastige oudjes" worden, die verwachten dat ieder altijd voor ze klaar staat en dat alle zorg zich om hen zal concentreren. Ongetrouwde dochters kunnen dan geheel door zo'n oudere worden uitgebuit.
Het gevoel van achteruitgezet worden en de toenemende vereenzaming, waarin men zich vergeten voelt, kan met zich meebrengen een zekere wraakneming op deze vereenzaming door nu in de ziekte te vluchten. De kwaal wordt dan het wapen, waardoor men zich de eenzaamheid zolang mogelijk van het lijf probeert te houden. Door middel van de kwaal bewaart men dan nog het contact met de buitenwereld. Daarom is het ook belangrijk, dat onze ouderen die liefde zullen ontmoeten, waardoor ze zich niet vergeten zullen voelen. Voor ieder, die met de zorg voor de bejaarden is belast, ligt hier een schone en zware taak.
Voorts is de ouderdom wel genoemd de tijd van het demasqué, dat wil zeggen, dat dan het masker afvalt. Een mens draagt vaak een masker, waardoor hij zijn minder fraaie eigenschappen voor de anderen (en ook voor zichzelf !) verbergt. Wanneer de vermogens minder worden, wordt ook dit vermogen minder. Men geeft zich dan meer, zoals men in werkelijkheid is. De zelfzucht wordt minder verholen getoond. Er zijn mensen, die hun leven gaven voor allerlei kerkelijk en maatschappelijk werk, maar die na hun pensionering geladen zijn met kritiek, omdat ze vinden dat niemand het goed doet. Daaruit blijkt, dat de zelfopofferende overgave van vroeger niet anders was dan een uiting van eigen voortreffelijkheid en onmisbaarheid. Vaak zien wij óok, dat in de ouderdom de belangstelling voor de stoffelijke dingen (b.v. geld en eten) sterk toeneemt, zodat dan pas duidelijk blijkt een hoe grote rol deze dingen in hun leven hebben gespeeld. Daaraan is het spreekwoord ontleend : hoe ouder, hoe harder. En het getuigt van grote levenswijsheid als de Prediker spreekt van de kwade dagen, waarin men er geen lust meer in heeft de Heere te zoeken en te dienen. Men krijgt soms wel eens de indruk, dat bij het ouder worden de grens van het heden der genade wordt gepasseerd al vóór het sterven, zodat de verharding de ziel in een toestand van verstijving brengt. Daarom lezen wij in Prediker: gedenk aan uw Schepper in de dagen van uw jongelingschap, eer die kwade dagen komen. De oude dag is ook nog in een andere zin dan die van de aftakeling , , de kwade dag". Het is een begeerlijker goed om oud te worden, dan om oud te zijn. Het kan er soms sterk op lijken, alsof een oudere zozeer alleen zichzelf overhield, dat de ernst van de eeuwigheid géén weerklank meer kan vinden. Bij het ouder worden neemt vaak de begeerte naar het stoffelijke eerder toe dan af. Daar kunnen de omstanders zich dan over verbazen, omdat de schaduw van de eeuwigheid al zo merkbaar naderbij komt.
Zo lezen wij van de jonge Izaak, dat hij biddende was in het veld, maar de oude Izaak vinden wij achter het wildbraad. De jonge Lot kennen wij als een, wijfelende figuur, maar toen hij oud was in Zoar, werd het nog veel erger. Bij Salomo was in de ouderdom de droom van de jeugd vervangen door een ergerlijke zinnelijkheid en in de plaats van de beslistheid van het begin, was een verregaand relativisme getreden..
De Schrift wijst ons herhaaldelijk op de gevaren van de oude dag. Vooral dat relativisme treffen we telkens aan. Wij denken aan mensen, die vroeger wel oog hadden voor de taak van een christen op politiek terrein, maar in de ouderdom stemmen op de P.v.d.A., vanwege het belang van het dagelijks brood. Het lijkt wel alsof dan de grenzen zijn uitgewist, in elk geval niet meer zo scherp worden gezien. En wat betreft de zinnelijkheid, denken wij aan Farel, die (zeer tot misnoegen van Calvijn), op 70jarige leeftijd trouwde met een meisje van 18 jaar. Men spreekt dan tekenend van een , , december-mei huwelijk", een ergerlijk teken van verval. Men komt wel tot de gedachte, dat veel ouderen vlak voor het einde zich nog des te heftiger vastklemmen aan het leven, alsof ze daar vlak voor de storm nog haastig de oogst van willen binnenhalen. Men zegt dan met nadruk, dat men nog zo vitaal is en dat men nog zoveel presteren kan. Wij kunnen dan toch niet spreken van een , , gezegende ouderdom", eerder van het tegenovergestelde.
Een gezegende ouderdom zien wij bij die ouden van dagen, die uit de verwachting mogen leven, omdat ze weten, dat zij hun kroning tegemoet gaan. Hun pelgrimstocht loopt ten einde, maar zij spreken daarvan met blijdschap, zoals Paulus het ergens heeft over de volbrachte loop en de weggelegde kroon. Deze verwachting is een meerder sieraad dan de grijsheid en zulke ouden dragen vlak voor het einde nog vruchten, groen en fris. De beklimming van de berg is welhaast volbracht. Ook zij zien terug, dankbaar en ootmoedig. Maar dan zien ze vooruit en hun ogen zien een vergelegen land. Die toekomst boeit ze méér dan het verleden en het heden bij elkaar. Het is ook om hen heen wel stil geworden, maar het is vooral het stil zijn tot God en het wachten op Zijn komst. Ze hebben de weg afgelegd en zeker, die weg was lang en zwaar en het laatste stuk is voorzeker niet het lichtste, maar nu staan hun voeten reeds in uw poorten, o Jeruzalem!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's