ANNA MARIA VAN SCHURMAN
II
We besloten vorig maal met de betuiging, dat Anna Maria tot de overtuigde christenen gerekend werd, ook al eer ze overging tot de Labadisten. Dat komt daarin uit, dat ze zich reeds toen niet vinden kon in een algemene christelijkheid of kerkelijkheid, maar zich aansloot bij de groep, die zich vooral om Voetius, Van Lodenstein c.s. schaarde en die nogal eens het verwijt van , , puriteinse preciesheid" te horen kreeg.
Na wat we pas onlangs over de genoemden mededeelden, gaan we dat niet herhalen. We zeggen er alleen nog van, dat het hierbij om mensen gaat, volop orthodox in de gereformeerde leer, maar die juist in die lijn een beleefd en praktisch christenzijn bepleiten, zo goed naar binnen als naar buiten.
Willens en wetens sloot Anna Maria zich bij hen aan en we begrijpen licht, dat zij, waar ze zoveel , , uiterlijks" bedreef, wel alle moeite moet gehad hebben om zo het innerlijke niet kwijt te raken. De afloop doet ons vermoeden dat er bij haar toch wel degelijk allerlei spanningen zijn opgewekt gevolg van zelfkritiek en schaamte, die ten slotte brachten tot die radicale breuk, waarvan we aanstonds gaan verhalen.
In de kring der 17e eeuwse Voetianen was het stellig ongebruikelijk, dat de vrouw studeerde. We hebben er op gewezen dat de cultuurwaardering er zeer gebroken was, wat dan wel betekenen moet, dat men de vrouw zeker niet voor de aangewezen persoon hield, om deze terreinen, vol voetangels en klemmen, te betreden. Maar Anna Maria was de eerste de beste niet en zo werd voor haar in dezen een uitzondering gemaakt. Ze haakte ernaar, bij Voetius college te lopen. Dat had dan z'n eigenaardige bezwaren, die op een ook wat eigenaardige wijze werden ondervangen. In de wand van de collegezaal werd een gepaste opening gemaakt, die intussen wèl voorzien werd van tralies, zo in de trant van leeuwen- of vogelkooi. Mogelijk waren ze althans verguld. Een gordijn verhinderde het binnendringen van ongewenste blikken, zonder dat zo de stem van de docerende hoogleraar werd buitengesloten. Een paar dienstmaagden completeren een tafereel, dat we wel hoogst eigenaardig, maar solide moeten noemen.
Zo werd Anna Maria een Voetiane, een strenge christin, één, die men , , piëtiste" noemde, waarmee de bewondering iets heroieks uitdrukt, maar de laster licht iets uitgestrekens en farizees meent te moeten weergeven.
Daarmee leek ze voor die tijd wel aan de grens van het mogelijke te zijn gekomen. En toch zou haar leven nog een wondere wending nemen en tot een heel nieuw begin komen.
In de kring van Voetius is de bekering een stuk, dat gedurig overdenking en gesprek vindt. Wel; Anna Maria zou een bekering beleven, dieper gaand dan zelfs de meesten daar nodig en mogelijk keurden.
Mogelijk is het al een inleiding daartoe geweest, dat zé twee oude, zieke tantes in huis nam en die met liefde verpleegde. Te haren behoeve verhuisde ze zelfs naar Leksmond, (Weet iemand daar soms of er nog een oud huis als huis van Anna Maria van Schurman wordt aangewezen ? )
Dat betekende een afscheid van Utrecht en van de brilliante kring, waarmee ze daar verkeerde en ook, dat ze de beoefening van kunsten en wetenschappen liet rusten, om zich aan huishoudelijke bezigheden te wijden. Dat afzien van de vererende bezoeken van vorsten en geleerden, dat moedwillig zich in vergetelheid doen raken, heeft haar stellig strijd gekost en dwingt ons respect af. En we vinden het zeer fijn en diep gevoeld, dat deze begaafde vrouw, als het tot een conflict van belangen in haar leven komt, het in de eerste plaats op haar weg liggende kiest en het tweederangse, hoe wettig het mocht zijn op z'n tijd en plaats, achteruit zet.
We hebben sterk het gevoel, dat dit een nog veel dieper grijpend vervolg heeft ingeluid.
Zoals we zeiden, was ze een Voetiane, dus één van de , , puriteinse preciesen". In die Utrechtse kring heerst spanning en zelfs zekere opwinding, als de beroemde Jean de Labadie, tot dusver predikant in Geneve, het beroep naar de Waalse gemeente van Middelburg aanneemt. Ook De Labadie moet een piëtist heten, want hij legt, tegenover sleur, traditie en misbruik, sterke nadruk op een innerlijk, geestelijk, radicaal christendom, dat wel in de wereld woont en nochtans klaarlijk niet van de wereld is'. Op zijn doorreis naar Middelburg, doet De Labadie ook Utrecht aan en preekt er in de Waalse Pieterskerk. De kerk is overvol en velen zijn enthousiast. Neen : niet allen. In de kring vlak om Voetius, deze oude mensenkenner, heen leeft duidelijke teleurstelling. Ook alweer geen wonder: er waren zulke enorme verwachtingen op De Labadie gevestigd, dat het daarom eigenlijk alleen maar kon tegenvallen. Dwaze gemeenten, die aan dominees-bewieroking meedoen, want ze doen er grote schade mee aan Gods zaak. De wat nuchterder Voetianen vonden het (terecht) vreemd, dat De Labadie zo geestelijk, zo , , ascetisch" preekte, maar intussen zo zwierig-werelds gekleed ging. En misschien voorvoelden ze al iets van de explosies, die een zo overspannen geestelijkheid wel moest hebben.
Maar Anna Maria, als ze De Labadie hoort, beleeft, wat ze noemt: een tweede (echte) bekering. Ze voelt spontaan, dat dit de leidsman is, die ze nodig heeft, om radicaal los te komen van zichzelf en haar eerzucht en zoveel wereld om en in zich. Ze begreep, dat deze man, nóg radicaler dan Voetius, haar harde dokter zou kunnen zijn, om haar ook werkelijk te genezen. Daarom volgt ze De Labadie ook. naar Middelburg en, als hij daar al vrij spoedig wordt afgezet, naar Amsterdam, waar de van de wereld gesepareerde huisgemeente haar kortstondige bloeitijd beleeft. Ze verkoopt have en goed en laat zich door raadgevers noch lasteraars er van afhouden, naar Amsterdam te gaan en daar zelfs intrek te nemen in het huis van De Labadie.
Dat heeft vooral Voetius, haar vertrouwde, diep moeten krenken. Maar zij meende, dat ze niet anders kon en mocht. En ze gaf er ook royaal rekenschap van. Haar naam Maria, maar ook haar liefde tot Christus, brengt haar in de buurt van de bekende bijbelse Maria. Van haar zei de Heere Jezus immers, dat ze, wat anderen er ook van zeggen mochten, het goede deel had uitgekozen ? Welnu: ook daarin weet Anna Maria zich met haar verbonden.
Ze schrijft een boekje, getiteld Eucleria ofte Verkiezinghe van het beste deel. Een indrukwekkend boekje, een parel. Ze biecht daar op haar verborgen eerzucht, haar falen en verlangen, haar breuk met het verleden. Dit boekje doet sterk denken aan Augustinus' Belijdenissen en maakte dan ook een indruk, die aan die van dat geschrift herinnert.
Als De Labadie het land verlaat en in Duitsland en Denemarken gaat wonen (Herford en Altona) dan gaat Anna Maria mee. In Altona sterft De Labadie (1674), dan neemt het aanzien van Anna Maria nog toe. Tenslotte keren ze weer naar Friesland, waar ze bij het dorp Wieuwerd het Waltha-slot betrekken. Men is wat trots op haar en vooral voor de leiding, die van haar uitgaat. Daarom : het is een te harde slag voor de kring der Labadisten, als in 1678 Anna Maria in Wieuwerd overlijdt, 71 jaar oud. Ze wenste een eenvoudige begrafenis en kreeg die ook. Maar deze eenvoud was toch juist waarheid.
Bij haar graf ontbraken de vorsten en de geleerden, die haar vroeger bezocht en geëerd hadden. Een mens, ook een beroemd mens, is in onze wereld vol sensatielust spoedig vergeten !
Om haar graf stonden wel de Labadisten, die zich verweesde kinderen voelden. Ze schreiden er, niet om haar, die nu thuis was, maar om zich zelf, die nu zonder haar verder moesten. Ze is dan ook zeer gemist: al spoedig na haar heengaan namen de verschijnselen van verval toe en binnen de 50 jaar na haar sterfdag hadden de Labadisten als groep opgehouden te bestaan.
Zover het leven van deze bijzondere, begenadigde vrouw. Ze vocht voor de rechten van de vrouw op allerlei terrein, ook op dat van kunst en wetenschap. Ze heeft altijd volgehouden, dat dat haar en elk, die er aanleg en gave toe bezit, geoorloofd is. Maar welsprekend en veelzeggend, dat zelfs zij in de praktijk niet toekwam aan wat ze in de theorie zo verdedigde en tenslotte veel meer nog uitblonk in het gewone vrouwelijke werk, dan in het ongewone.
Misschien zegt dat iets voor de een of andere van onze lezeressen. Want we menen te weten dat er wel menige vrouw is, die dat conflict, dat Anna Maria zo dapper heeft uitgevochten, evenzeer kent. Het valt niet mee, als je zo verlangen kunt naar een stapel aantrekkelijke, opbouwende lectuur, een stapel verstel- en stopwerk de weg er heen barricadeert. Wij dachten te kunnen zeggen, dat liefde vindingrijk is en dat, waar een wil bestaat, ook nog wel wegen zijn te vinden.
Maar als het toch nooit lukt, zoals we het eigenlijk zouden wensen, dan moeten we vooral niet verzuimen, ons aan Anna Maria te spiegelen. Ze had een plaats als een kleine koningin in het rijk van kunsten en wetenschappen. Zó'n plaats nemen wij niet licht in. Maar ze heeft dat allemaal graag prijs gegeven, om Gods wille en om Christus' wille, om liever dienares te zijn van die oude blinde tantes, van die ongeachte kring van de Labadisten en zo van Koning Jezus Christus. Ze daalde zonder de roem der mensen in een klein dorp ten grave, maar heeft zich nooit beklaagd. Want ze vond volkomen bevrediging in het echt vrouwelijke, waarin voor haar tevens het echt christelijke lag. En 't wist, tot aan haar einde : Dat is, wat ook eens Maria koos en kreeg. Dat is : de verkiezing van het beste deel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's