De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

INGEZONDEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

INGEZONDEN

8 minuten leestijd

De Vereniging van christelijke onderwijzers richtte zich dezer dagen tot de besturen van de christelijke scholen in Nederland, met de volgende brief, die wij om het belang der zaak overnemen.

L.S.,

Het zal u wellicht enigszins vreemd aandoen, dat een onderwijzersorganisatie zich met een schrijven als dit tot u richt. Toch menen ondergetekenden, dat daar alle reden voor is.  Wie geen vreemdeling is op het terrein van het christelijk onderwijs in ons vaderland, weet, dat zich daar inzonderheid de laatste tijd zeer belangrijke wijzigingen hebben voltrokken en nog steeds voltrekken. We bedoelen hiermee de z.g. , , doorbraak"-gedachte, die in steeds sneller tempo bezig is onze scholen binnen te dringen en die het bestaansrecht van die scholen tot in haar fundamenten aantast. Naar onze mening vormt ze een ernstige bedreiging voor de positie en ook voor de toekomst van het christelijk onderwijs. Het proces van de doorbraakinftitratie is sinds 1945 in volle gang en indien schoolbesturen en onderwijzers hier niet met kracht ingrijpen, vrezen we, dat dit proces niet meer te stuiten zal zijn en dat de zegen van de schoolstrijd, die met zoveel moeite werd behaald, ons weer uit de handen glippen, mogelijk nog niet in materieel, maar dan toch wel in principieel opzicht.

Nu blijkt het ons telkens weer, dat er zoveel leden van schoolbesturen zijn, die nauwelijks weten, welke grote belangen vandaag op het spel staan. Mogelijk zijn ze enkele jaren geleden even opgeschrikt door de zaken rondom de kwestie-Hardegarijp, maar het ontgaat hen, dat deze kwestie maar een symptoom was van het boven genoemde proces en dat de doorbraak-infiltratie sindsdien niet heeft stilgestaan, maar een legale plaats heeft veroverd in de kring van het christelijk onderwijs. Wat voor enkele jaren bijna onmogelijk werd geacht, is thans al héél gewoon geworden : leden van de P.v.d.A. hebben zelfs vooraanstaande functies in de leiding van het christelijk onderwijs. Het moet ons van het hart, dat de meeste van onze voormannen, die zelf niets van de doorbraak moeten hebben, en deze ook een groot gevaar achten, over deze dingen maar al te veel zwijgen en dat ook onze christelijke dagbladpers onvoldoende leiding geeft, waardoor de leden van de schoolbesturen vaak onkundig blijven van de grote gevaren, die ons christelijk onderwijs vandaag bedreigen.

't Is daarom, dat wij ons thans tot u richten, om u van voorlichting te dienen aangaande de gebeurtenissen, die de laatste tijd in de grote organisatie van chr. onderwijzers zijn voorgevallen. Uiteraard moet dit beknopt geschieden, maar wij hopen toch dat ge hierdoor zult inzien dat in de strijd tegen de voortschrijdende doorbraak in onze gelederen, ook voor u eens taak is weggelegd en dat ge dit schrijven niet vrijblijvend naast u kunt neerleggen. We doen daarom een dringend beroep op u om deze zaken in uw bestuursvergaderingen en ook met uw personeel ernstig te bespreken. Mogelijk kunt u hieraan eens een aparte gecombineerde bestuurs- en personeelsvergadering wijden. De zaak, waarvoor wij uw aandacht vragen, is het meer dan waard.

Om u een indruk te geven van de grote wijzigingen, die zich de laatste jaren bij het chr. onderwijs hebben voltrokken, willen we u wijzen op:

Drie belangrijke jaren.

Men zou ook kunnen spreken van drie aanvallen op de positie van het chr. onderwijs. Wij bedoelen hiermee de gebeurtenissen in de jaren 1947/48, in 1951 en in 1954/'55.

Eerst dus 1947/48. In de kring van de vereniging van chr. onderwijzers, de , , Grote", kwam enige onrust, daar gebleken was, dat verschillende leden zich hadden aangesloten bij de P. v. d. A. Hieronder waren zelfs enkele leidinggevende figuren. Eerst werden geen scherpe maatregelen genomen, omdat men geloofde in een tijdelijk deraillement, toen echter deze beweging grotere afmetingen begon aan te nemen, diende deze zaak op de vergaderingen van 1947 te Leeuwarden en op die van 1948 te Amsterdam. Op deze laatste vergadering werd een motie aangenomen, luidende aldus :

, , De vereniging, enz., spreekt uit, dat de aansluiting bij iedere politieke partij, die Gods Woord niet erkent als uitgangspunt voor al het denken en handelen - ook al bedoelt men de zaak van godsdienst en vrijheid te dienen — gezien moet worden als steun aan beginselen, die de grondslagen der vereniging in hun wortel aantasten ; dringt mitsdien bij al haar leden, welke zich aangesloten hebben bij zodanige partij, ten ernstigste er op aan, zich daaruit terug te trekken".

Deze motie gaf een doelgerichte beginseluitspraak en was o.i. niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Ze werd aangenomen met 66 vóór en 6 tegen (bij deze 6 tegenstemmers waren er minstens 4, die een nog scherpere uitspraak verlangden) . Zó was dus de situatie nog in 1948. Door de aanneming van deze motie keerde de rust weer terug, omdat men meende van het hoofdbestuur van deze vereniging te mogen verwachten, dat deze uitspraak ten volle auserieux zou worden genomen en dat men daarnaar ook zou handelen. In 1954 verklaarde de toenmalige voorz. van de , , Grote" echter, dat de motie niet anders dan een slag in de lucht was geweest. De gewone leden van de vereniging hebben evenwel van 1948 tot 1954 in de mening verkeerd, dat het H.B. ten volle achter de motie stond.

Toen kwam 1951, het jaar van Hardegarijp. Wij achten, dat deze kwestie door de veelvuldige publicaties genoegzaam bekend is bij onze bestuursleden. Prof. van Nlftrik beweerde op de bekende vergadering in Utrecht (december 1951). dat uit het advies van de Herv. Raad voor Kerk en School aan de kerkeraad van Hardegarljp, duidelijk gebleken was, welke gedachten in de leidinggevende organen van de Ned. Herv. kerk leefden. Dit is Inmiddels nog te meer duidelijk geworden uit het bekende Herderlijk Schrijven.

Opgemerkt dient te worden, dat de gehele christelijke pers (tot , , De Spiegel" toe) In 1951 nog in actie kwam, omdat het signaal op onveilig stond. In 1954/'55, toen de doorbraak in de kring van de chr. onderwijzers officieel werd gesanctionneerd, kwam er in „Trouw" nog even een protest, maar verder zweeg men in alle talen. Ook onze voormannen. Maar daarover nog nader.

Drie jaren later, in 1954, kwam de derde aanval, naar onze mening ook de gevaarlijkste, hoewel ze niet als zodanig is onderkend. In oktober van dat jaar werd in geforceerd tempo een fusie doorgedreven van de „Grote" met de „Unie van chr. onderwijzers". De voorzitter van deze Unie was overtuigd lid van de P.v.d.A., en met hem nog vele Unie-leden. Voor deze leden was de motie-Amsterdam een steen des aanstoots op de weg naar de fusie, vandaar dat deze motie aan de kant moest worden gezet. De Unie-voorzitter werd 2e voorzitter van de gefuseerde vereniging, de P(rotestants) C(hristelljke) 0(nderwljzers) V(ereniglng), en lid van de redactie van het orgaan van deze vereniging. In zijn orgaan , , De Christelijke Onderwijzer" van 5 nov. 1954, schreef hij : „Of Iemand lid is van de P.v.d.A. doet er niets toe". Met deze woorden trad hij en met hem vele anderen de P.C.O.V. binnen. Pogingen om de fusie op deze basis tegen te houden, mislukten. In een gehouden Referendum werd met 4144 tegen 1141 stemmen beslist, dat de fusie, ondanks alle bezwaren, door moest gaan. Men oordeelde de éénheld(!!) van alle chr. onderwijzers van groter gewicht, dan de handhaving van het be­ginsel De doorbraak deed haar officiële Intrede in de kring van de chr. onderwijzers, ze kreeg zelfs een wettige plaats aan de bestuurstafel. De motie-Amsterdam van 1948 was ingeruld voor de officiële santionnering van de P.v.d.A.leden in 1954. Dit alles gebeurde in het korte tijdsbestek van 6 jaren. Zo kan men dus spreken van een

radicale koersverandering.

Wilt ge daarvoor nog meer bewijzen ? Lees dan de volgende citaten :

, , Zonder een chr. opvoeding blijft er voor een politiek, die buigt voor het Woord Gods, geen plaats in verstand en hart. Zonder een chr. politiek is er geen plaats voor een vrije school, d.l. de school met de bijbel. Beiden behoren bijeen in gedurige wisselwerking. En alleen als die band blijft bewaard, kan de chr. onderwijzer zeker zijn van de veilige rust voor zijn rijke arbeid. De chr. politiek bouwt een veilige muur om de vrije school".

Aldus schreef het a.r. Kamerlid, de heer A. Zijlstra, in het Gedenkboek van de „Grote" in het jaar 1929. Lijnrecht daartegenover :

„Of Iemand een kunstgebit heeft, bruine schoenen draagt, verzot is op zuurkool met spek, tot , , art. 31" behoort, lid is van de P.v.d.A., doet er niets toe: de statuten sluiten niemand uit".

Aldus de heer T. C. Bos, 2e voorzitter van de P.C.O.V. In „De Christelijke • Onderwijzer" van 5 november 1954.

Grotere tegenstelling is nauwelijks denkbaar. Geen enkel H.B.-lld van de P.C.O.V. protesteert. Dat kan ook niet, want in de nieuwe vereniging kan niet meer over politiek worden gesproken, sinds een deel harer leden het bestaansrecht van de chr. politiek niet meer erkent.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

INGEZONDEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's