De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERZOENING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERZOENING

10 minuten leestijd

Enige tijd geleden werd door ons opgemerkt, dat de hoofdstelling van prof. Barth omtrent zijn opvatting Van de gegevens der Heilige Schrift aangaande de Heere Jezus Christus en daarmede in verband zijn verkiezingsleer, haar invloed laat gelden op de leer der rechtvaardigmaking, heiligmaking, enz.

Thans willen wij daarop nader ingaan en beginnen bij Barth's leer der verzoening, ook al weer aan de hand van het boek van prof. Berkouwer : De triomf der genade. (Vgl. 'blz, 116 v.v.).

Berkouwer vangt aan met de opmerking, dat wij van een triomf der verzoening kunnen spreken in onlosmakelijk verband met de triomf der schepping en der verkiezing.

Wie onze artikelen heeft gevolgd, zal zich over dat , , onlosmakelijk" verband niet behoeven , te verwonderen. De triomf der schepping en der verkiezing zijn evenals de triomf der verzoening, aspecten van de a priori gestelde triomf der genade.

De nadruk valt hierbij alweer op het door Barth gestelde: in de mens Jezus Christus gaat het om God Zelf als Goddelijk Subject in het werk van Jezus Christus.

Wij raken daarmede het centrum van Barth's verzoeningsleer. , , Aan dit , , God Zelf" hangt voor Barth de waarheid van de ganse dogmatiek", zegt Berkouwer. Dat mag zo zijn in de dogmatiek van Barth, maar vooronderstellingen en consequenties van het Barthiaanse standpunt roepen toch ernstige bedenkingen op bij degenen, die uit het , , overgeleverd geloof" leven. Die bedenkingen blijven bovendien ook in gevallen waarin Barth zulke consequenties zegt niet te aanvaarden, zoals ten aanzien van, wat wij hier uitdrukken als een algemene verzoening. Ook in de onderhavige paragraaf zal een en ander weer ter sprake komen.

Ons grootste bezwaar echter gaat tegen de hoofdstelling, waaruit alle bedenkingen voortkomen, n.l. de stelling, die door Berkouwer als de ganse dogmatiek van Barth beheersende— zonder twijfel op een voortreffelijke wijze— is getekend : de triomf der genade.

Karl Barth tekent ons in zijn geestdriftige, sprankelende, altijd weer voort rollende rede een beeld van de kerkelijke dogmatiek, zoals hij zijn hoofdwerk betitelt, onder het aspect van de triomf der genade, in meer dan één opzicht groots en magistraal, doch ten enenmale een geniale mistekening is van het dogma der kerk.

Of zij mede daardoor voor velen aantrekkelijk is, die met de orthodoxe leer op gespannen voet staan, lijkt mij geen gewaagde onderstelling. Zeker is, dat de theologie van Barth in verschillend opzicht tegemoet komt of schijnt tegemoet te komen aan bezwaren tegen traditionele leerstukken, welke de eeuwen door weerstanden hebben gewekt, zoals b.v. het leerstuk der praedestinatie.

En dat Barth zijn dogmatiek op zijn eigen wijze als triomf der genade kan uitwerken dankt hij niet het minst aan de waardering, welke hij aan Gods openbaring in de Heere Jezus Christus wil verbinden, om niet te zeggen, aan de beperking, welke hij aan de Godsopenbaring oplegt.

Het misleidende daarbij is, dat Schriftuurlijke waarheid en menselijke interpretatie door elkander gemengd worden, op een wijze, welke vaak de indruk wekt van een ja en neen tegelijk. Men moet de op de Schrift gegronde uitspraak, waarmede Barth werkt, toegeven, maar de wijze, waarop hij haar hanteert, wekt bedenking en weerstand.

Bepalen wij ons bij boven aangehaalde zinsnede van Berkouwer over Barth's christologie : , , Want in de mens Jezus gaat het om God Zelf als Goddelijk Subject in het werk van Jezus Christus". (Blz. 116).

Let op dit , , God Zelf".

Het Schriftuurlijke hierin kan gemakkelijk worden aangewezen door ons de woorden van de apostel Paulus voor de geest te roepen : , , Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende, en heeft het Woord der verzoening in ons gelegd". (2 Cor. 5-: 19). Verder vers 21 : , , Want dien, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem". (Men vergelijke ook 1 Petrus 2 : 22-24 ; Gal. 3 : 13; Rom. 8:2).

God zelf goddelijk subject in Christus:

a. God verzoent in Christus de wereld met Zichzelven.

b. God rekent de zonde niet toe. .

c. God legt het Woord der verzcening in de Zijnen.

d. God heeft Christus tot zonde gemaakt.

Dat alles doet God in de zending van Zijn Zoon en in het door Christus volbrachte Middelaarschap.

God Zelf doet dat, want dit werk is een werk van de drieënige God. Tot zover en in deze Schriftuurlijke zin beamen wij, dat God Zelf het goddelijk subject is in Christus, niet alleen in het werk der verzoening, maar in alle werken Gods.

Schenk nu echter ook aandacht aan Berkouwers formulering, die naar wij menen, de bedoeling van Barth duidelijk tracht weer te geven, in het bijzonder aan de woorden: , , in de mens Jezus Christus".

In de mens Jezus Christus gaat het om God Zelf als Goddelijk Subject. Om die nadruk gaat het.

God Zelf handelt in de mens Christus. Jezus

Iemand merkt op, dat de Zoon van God de mens aangedaan heeft, vlees geworden is; waarachtig God en waarachtig mens in de enigheid van Zijn goddelijke Persoon, zodat het nogal duidelijk is, dat God in Jezus Christus handelt.

Dat kan moeilijk weersproken worden, maar waarvoor dan zo bijzondere nadruk op dat , , God Zelf" in de mens Jezus Christus ?

Is die mens misschien een beetje bjjkomstig ?

Berkouwer wil het wat dichter hij ons brengen door op te merken : , , In het handelen van Jezus Christus komen we niet in aanraking met een van Gods handelen isoleerbaar handelen van de mens Jezus Christus.

Ook dit kan moeilijk anders gesteld worden. Het menselijk handelen (en ondergaan) kan van het goddelijk handelen in Jezus Christus niet worden losgemaakt, want in Jezus Christus is het de Tweede Persoon van het goddelijk Wezen, die handelt als Gods Zoon en als de Zoon des mensen.

Niettemin maakt de Heilige Schrift toch onderscheid tussen Zijn menselijk en Zijn goddelijk handelen, als zij verklaart, dat het Woord is vlees geworden, en dat Hij ons in alles is gelijk geworden, uitgenomen de zonde.

Als de Schrift dan ook getuigt, dat Jezus Christus toenam in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de mensen (Lukas 2 : 52), kan dat moeilijk op God zelf slaan, maar heeft dat kennelijk betrekking op de Zoon des mensen.

Op gelijke wijze, als de Schrift ons dus Christus op aarde tekent in de zwakheden van ons schepselmatig bestaan : Hij sliep, Hem hongerde. Hem dorstte, enz.

Nog een ander voorbeeld. De Schrift leert, dat Hij gehoorzaamheid leerde uit Zijn lijden.

De ingang van de Zoon des Allerhoogsten in de schepselmatigheid. Zijn doorleven en doormaken van het schepselmatige in de werkelijkheid van het waarachtig mens zijn, dat Hij door Zijn geboorte uit ons geslacht heeft aangedaan, behoort toch bij het werk der verzoening, dat God in en door Christus heeft gewrocht.

Wil Barth met zijn nadruk op het , , God Zelf" nu zeggen, dat , , God Zelf" honger en dorst leed, sliep, weende, geslagen en aan het kruis genageld werd ? Bedoelt hij met dat , , 'God Zelf" meer dan de Zoon, de Tweede Persoon ? Men krijgt soms waarlijk de indruk van ja, als heeft hij het oog op het volle goddelijke Wezen en als ware dat de ware kennis van de almacht des Heeren, dat Hij in de nederigheid en de onmacht van het schepsel kon ingaan.

Het zou in ieder geval onschriftuurlijk wezen, indien Barth zover bedoelde te gaan met zijn nadruk op , , God Zelf".-

De Vader is niet in het vlees gekomen, en de Vader is niet de lijdensweg gegaan, maar de Zoon. De Heilige Geest is niet geworden uit een vrouw en de Heilige Geest is niet gekruisigd, maar de Zoon.

Christus zelf ook onderscheid zich van de Vader, al getuigt Hij, met de Vader één te zijn, want Hij zegt, dat Zij], i Vader altijd werkt en dat Hij zelf ook werkt, dat Hij van de Vader gezonden is en wederom tot de Vader opvaart.

Zo kan ook de Zoon geen gehoorzaamheid geleerd hebben uit Zijn lijden, want Hij zelf getuigt: , , Want Ik ben uit de hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil Desgenen, die Mij gezonden heeft. (Joh. 6 vers 38).

Barth kan dus wel de nadruk leggen op , , God Zelf", in de mens Jezus Christus handelend, maar dat kan toch slechts gelden van God zelf in de Tweede Persoon.

En zo kan Barth op het Subject , , God- Zelf" in de mens Jezus Christus wijzen, in de nederigheid en onmacht, waarvan hij gewaagt, maar dat kan slechts zien op de nederigheid van God Zelf als de Zoon in het vlees.

Dat geeft ons derhalve een beeld van de goedertierenheid Gods, die, schoon Hij de Schepper is van hemel en aarde, in de nederigheid en onmacht van Zijn schepsel kan en 'wil afdalen.

Het God-Zelf van Barth mag echter niet zo absoluut gesteld worden als hij doet. Hij zegt b.v. — wij moeten daarbij nog nader stil staan — God Zelf plaatst zich onder het gericht en draagt de vloek des doods.

In Christus Jezus, in de Zoon, die ook de Zoon des mensen is geworden, heeft God zich onder het gericht en de vloek geplaatst, zou men nog kunnen verdedigen met het oog op de Godheid van Christus.

't Is een vrije daad van de Zoon, zich in de plaats van de mens, die onder de vloek Gods verkeert, te stellen en die vloek, dat gericht, op zich te nemen.

Zo kan men zeggen, dat God zich onder het gericht plaatst, doch niet, omdat er in God iets te veroordelen of te vonnissen zou zijn, als ware er tweespalt en conflict in God.

O, neen, zegt Barth, geen conflict in God. Hoe echter kan hij daaraan ontkomen, als hij het zo absoluut stelt: God zelf plaatst zich onder het gericht. En hij gebruikt daarbij uitdrukkingen, die moeilijk wat anders kunnen betekenen, zoals wij zullen zien.

Berkouwer wijst er op, dat Barth met deze nadruk op het , , God Zelf" de strijd wil aanbinden tegen een , , absoluut verstane goddelijke almacht", (blz. 117).

Dit zou dus een strijd betekenen tegen een wijsgerig Godsbegrip. In zoverre kan hij in goed gezelschap zijn, want ook Calvijn heeft er reeds op gewezen, dat een idee, welke in de hersenen van de filosofen rondzweeft, niets met de ware God van doen heeft.

Maar Barth vecht niet alleen tegen een , .natuurlijke theologie", hij gaat ook in tegen de belijdenis der kerk omtrent een algemene openbaring, een openbarende daad Gods, die tot alle mensen doorgaat.

Rom. 1 VS. 18 en 2 vs. 14, 15, spreekt daarvan heel duidelijk, als men eenvoudig leest, wat er staat.

En Barth heeft ook bezwaar tegen de apostolische geloofsbelijdenis, welke eerst belijdt het geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde, en eerst dan het geloof in de Zoon.

Gij vraagt, of dan de patriarchen en de profeten, ja, het gehele Oude Testament niet van de ware God hebben getuigd?

En gij wijst er op, dat het oude volk menigvuldig en telkens weer werd bepaald bij God, de Schepper van hemel en aarde !

Dat is ook zo, en dat is ook juist.

Zo ziet gij dus, dat er achter de boven aangehaalde zinsnede van Barth en dat , , God Zelf" meer steekt dan men oppervlakkig zou denken. Wij willen een en ander nader onderzoeken en aan de Hei­lige Schrift toetsen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERZOENING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's