BIJ DE WISSELING DES JAARS
Wisseling des jaars ! Bij sommigen is , de lust om te lezen reeds weg. Wat ouderwets : des jaars. Waarom niet van het jaar?
Waarom wel van het jaar in de plaats van dat deftige des jaars ?
Ik houd wel van zo'n klassieke vorm en het past ook wel bij een onderwerp als dit. Het geeft er wat plechtigs aan.
Het is wel heel gewoon, dat de jaren wisselen, het, éne jaar komt, het andere gaat, het oude vliedt daarheen en het nieuwe komt in het zicht. Dat is toch met alles zo, heel gewoon.
De Prediker ziet een altoos weerkerende gang in alle dingen, tot vermoeiens toe. En het is zeer vermoeiend, als wij alles alleen maar zien in zijn zo-gewoon-zijn.
Men kan trouwens tegenover dat gewone, dat afmattende in de gang der dingen, met evenveel recht wijzen op het altijd nieuwe in de dingen, die zo gewoon zijn. Geen twee zomers gelijk, geen twee avondstonden gelijk, geen twee Hollandse luchten boven de zee, of boven de groene weiden gelijk. Geen twee jaren ook gelijk.
De eeuwigdurende cirkelgang in de loop der dingen is de heidense voorstelling. Een heidense filosofie leert, dat de hele wereldgeschiedenis in een cirkelgang verloopt, opkomende uit de oorden, vanwaar zij die gang in een wereldbrand heeft geëindigd, om hetzelfde lot te ondergaan, nadat zij alle momenten van de vooraf gaande wereldperiode nauwkeurig heeft herhaald volgens een ijzeren wet van noodwendigheid bepaald.
Dat is een hopeloos pessimisme, een geschiedenis zonder verwachting.
Het is reeds anders bij hen, die oog hebben voor de wisseling der momenten in haar grote verscheidenheid, die de bijzondere dingen niet laten ten ondergaan in de sleur van het algemene. Voor hen komt er tinteling in het leven. De warmte van het persoonlijke gaat er over en geeft een gloed van belangstelling en vreugde.
Ook dat kan eenzijdig worden en ongegrond optimisme doen koesteren, hetwelk tegen de teleurstellingen, die het leven brengt, niet bestand is.
Toch is het zo, dat het nieuwe jaar weer anders zal zijn dan het voorbijgegane, gelijk 1956 zijn geheel eigen karakter heeft gehad.
Zelfs de wisseling des jaars is verschillend. Denk maar eens aan de droeve bezettingsjaren, aan die Kerstdagen vol van heimwee naar vrede, terwijl de wereld zuchtte onder het oorlogsleed, toen wij allen de stille vraag bij ons droegen : zal het nieuwe jaar vrede brengen?
Hoe namen in de laatste maanden de spanningen toe in de wereld. Welk een verwarring. Welk een vreselijke tyrannie, tegenover bewonderenswaardige moed. Welk een verschrikkingen. Ontstellende beelden rijzen voor ons oog, als wij de verbeelding laten gaan en indenken, onder welke ellendige en beklagenswaardige omstandigheden velen Kerstfeest en jaarswisseling zullen gedenken.
Wat zal het nieuwe jaar ons brengen in de zuchtende duisternis van onze tijd?
Als wij dat gaan vragen, komt de plechtige ernst van de wisseling des jaars dichter bij.
Het stervend jaar was ons jaar, ik wil zeggen, het was onze tijd, tijd, ons gegeven en daarom tijd van ons. Doch let wèl: tijd ons gegeven!
We verwachten wellicht het nieuwe jaar weer te mogen ingaan. Of we het ook weer geheel mogen medemakén ?
Zal het ons gegeven worden ? Zal 1957 ook een jaar voor ons wezen ?
Ziet, als het om de toekomst gaat, worden wij onzeker. Onzekerheid, heeft dat iets uit te staan met afhankelijkheid?
De wisseling des jaars te mogen beleven, het nieuwe jaar weer te mogen ingaan ; weer een spanne tijds bij de onze te mogen voegen, is dus een kwestie van leven of dood.
Onzeker de toekomst, omdat de tijd niet tijd van ons is.
Onze tijd is gegeven goed, door Gód gegeven goed.
Een goed ? Noemt gij dat een goed ? Wis en zeker. He'bt gij niet gelezen, dat verlenging onzer dagen een zegen des Heeren is ? Denk maar eens aan het gebod rnet een belofte ! Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere, uw God, geeft. (Exodus 20 : 12).
De tijd is Gods tijd. Hoe zou het anders ?
Wij praten wel van onze tijd, en dan bedoelen wij de tijd, waarin wij leven. Zo waarlijk het leven een gave Gods is, zo waarlijk is de tijd een gave Gods en wel een genade-gave, omdat wij ons leven hébben verzondigd en verbeurd.
Daarom ook is de toekomst onzeker voor ons, wijl wij het leven hebben verbeurd. Daarom ook trekken wij de dingen altijd weer scheef en spreken wij van onze tijd. Wederrechtelijk, zoals wij zien.
Daarom ook zijn wij God rekenschap . schuldig over de wijze, waarop wij Zijn tijd, de tijd, die Hij ons gegeven heeft, hébben ontvangen en gebruikt.
De wisseling des jaars bepaalt er ons bij, dat de tijd voorbij gaat, dat hij een einde heeft, ja, voor ons persoonlijk een einde heeft.
Ziedaar het persoonlijke, dat in de jaarswisseling op ons aankomt. Gods tijd, genadetijd, voorbijgaande tijd, voor ons persoonlijk naar het einde snellende tijd.
Is dat persoonlijk betrokken zijn bij de voortsnellende tijd, niet het eigenlijk weemoedige van oude jaarsavond-stemming ? Moet dat in het tempo van onze tijd, van wat wij van onze tijd maken, niet nog weemoediger worden ? Of gaat ook het weemoedige, het ouderwetse echt oudejaarsavond-stemmige er af, omdat wij ons zelf voorbijleven in de snelle vlucht, of, omdat wij achter de feiten aansukkelen, die over ons heersen?
Slaven van onze moderne techniek, worden wij wel genoemd. Met hetzelfde recht kunnen wij zeggen: slaven van onze moderne tijd.
En dat voortsnellende door onrustbarende dreigingen stormvlagen, naar een onzekere toekomst.
Hoe wij daaraan kunnen ontkomen ? Daaruit verlost worden?
Door op één allesbeheersend heel, heel ouderwets te worden. punt
Niets voor de tegenwoordige mens ?
Wat weet gij er van, aan wie en aan welke mens het is gegeven in te zien, dat de tijd een gave Gods is, een genade-gave van de God van leven en dood ?
Het valt jonge mensen evenzeer te beurt als ouderen. Het is ook genade-gave en heeft met dat vreemde begrip „ouderwets" niets uit te staan, omdat de genade-gave Gods eeuwig is.
De tijd van God. Het leven in Gods hand. Dan moet de verlossing daarin gelegen zijn, dat wij niet ons zelf meer leven en geleerd hebben uit Gods hand te leven.
Aangezien het aardse leven een gave Gods is en verlenging onzer dagen een zegen des Heeren, houdt de jaarswisseling ook voor degenen, die het Woord Gods als een kracht Gods tot zaligheid mogen verstaan, iets van weemoed.
Wij zijn immers door zovele tedere banden aan deze aardse samenleving verbonden. Doch het is anders geworden, wijl een eeuwige toekomst zich heeft geopend in de Heere Jezus Christus.
Immers achter de wisseling der tijden op aarde ligt de wisseling van tijd en eeuwigheid.
Voor het geloof wordt de tijd doorzichtig. Eeuwigheidslicht schijnt er door. Die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven. Dat geloof geeft rust in de wisseling der aardse dingen, en werkt een levende hope, die niet beschamen zal in eeuwigheid.
Dat geloof verwacht een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. Het beluistert met de apostel in de zuchting der tijden een kreet van geboortewee van die nieuwe orde en ziet reikhalzend uit naar de dag van de toekomst des Heeren, welke iedere wisseling des jaars nader bij komt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's