DE VERZOENENDE GOD I
Wij doen Barth geenszins onrecht, als wij spreken van de verzoenende God in Jezus Christus. Met nadruk verdedigt hij, dat Jezus Christus de verkiezende God is, en in het voorafgaande kan men hebben opgemerkt, dat Barth in betrekking met de verzoening niet minder nadruk legt op het handelen Gods in het werk der verzoening in Jezus Christus, als het eigen handelen Gods. Wij herinneren aan het , , God-zelf" uit het vorige artikel.
Als daartegen op het eerste gezicht geen bezwaar kan zijn, zal men toch bij nader inzicht moeten bekennen, dat de achtergrond, waaruit deze Barthiaanse stellingen opkomen, niet zo onschuldig is, doch ernstige bedenkingen oproept.
In de K. D. IV. 1, blz. 200, treft men de zinsnede aan : , , Is God niet waarachtig en geheel in Christus, wat heeft het dan voor zin, van de in Hem geschiede verzoening der wereld met God te spreken".
Wij gevoelen, dat deze zinsnede een onuitgesproken beroep doet op het woord van de apostel Paulus (2 Cor. 5 : 19) ; God was in Christus de wereld met zich zelven verzoenende,
Barth bedoelt dus, als God niet zelf het werk der verzoening doet, de wereld , met zich in Christus verzoent, dan is die wereld niet met God verzoend.
Dat is ook zo, merkt iemand op, want wij belijden toch, dat Christus de Zoon van God is en Hij heeft dat ook zelf getuigd. Niemand zal tegenspreken, dat de verzoening een werk Gods in Christus is.
En toch is daarmede niet alles gezegd, want God , , waarachtig en geheel" in Christus, geeft te denken en heeft nog iets anders te zeggen. Over het , , waarachtig" is geen verschil. Wij belijden, dat Christus waarachtig God en waarnchtig mens is.
Maar dat geheel God geheel in Christus ! Hoe moeten wij dat verstaan, vraagt gij : Wil dat zeggen, dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in Christus zijn ?
Wij hebben reeds eerder aanleiding gehad om op te merken, dat de Zoon is vleesgeworden en niet de Vader of de Heilige Geest.
En toch hedoelt Barth niet, dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in Christus zijn.
In verband met de verkiezing echter, hébben wij ook kunnen opmerken, dat Barth's opvatting aangaande Christus de verkiezende God een andere is dan de traditionele : welke er van uitgaat, dat Christus als de Tweede Persoon in het goddelijk Wezen deel heeft aan alle werken Gods'en derhalve ook aan de verkiezing.
Christus , , geheel" God, is een uitdrukking, welke met die afwijkende opvatting samenhangt. Want Barth heeft andere voorstellingen omtrent de Drieëenheid Gods. Hij wil niet drie Personen onderscheiden, maar drie zijnswijzen, zoals hij het noemt. , , De ene persoonlijkheid" van God, het éne handelende en sprekende goddelijke Ik is Vader, Zoon en Heilige Geest". (K. D. IV, 1, blz. 224).
Zeg niet, dat Barth modalist is, want dat wijst hij beslist af, niettemin leert hij drie modi, d.i. zijnswijzen, wijzen van zijn der één-persoonlijke godheid.
Het modalisme heeft in de kerkgeschiedenis verschillende vormen aangenomen.. Wij hebben wellicht gehoord van Sabellius. Zijn onderscheiding van wijzen kwam neer op een onderstelling van verschillende openbaringsvormen of zijnswijzen Gods, niet gelijktijdig, maar in verschillende phasen.
Wat Barth leert lijkt meer op een gelijktijdig modalisme.
In geen geval wil hij van drie Personen weten, want hij vindt het ten enenmale duidelijk, dat wij dan van drie goden zouden spreken.
Daarom wil hij slechts van één goddelijke Persoon weten en Vader, Zoon en Heilige Geest zijnswijzen noemen. Op die wijze wil hij plausibel maken dat God geheel, de ganse godheid, het goddelijk Ik, handelt in de werken der zijnswijzen van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest.
De verzoening geschiedt in de zijnswijze van de Zoon, maar nochtans zó, dat God waarachtig en geheel in Christus is, ja, in de mens Jezus Christus is.
Men kan thans wel begrijpen, dat Barth over de verkiezende God in Christus handelend, wat anders op het oog heeft dan dat Christus als de Tweede Persoon deel heeft aan de verkiezing, en dat hij deze voorstelling afwijst. Hij wil van geen Tweede Persoon weten.
De verkiezende God in Christus ziet hij als het handelen van God , , waarachtig en geheel" in de Zoon als zijnswijize.
Barth erkent alzo slechts één goddelijk Ik, dat handelt in de Vader, in de Zoon en in de Heilige Geest, één handelende Persoon in de drie zijnswijzen.
Dat moeten wij dus verstaan uit het begrip geheel, want Barth meent, dat God uiteen zou vallen, wanneer men niet van zijnswijzen, maar van Personen spreekt.
Wij menen, dat dit onder de mensen het geval is. Wij allen hebben deel aan één wezen : de mens naar Gods beeld geschapen. Dat éne wezen openbaart zich in een grote veelheid van personen, die uiteengaan, twist maken en oorlog voeren. De eenheid van ons gemeenschappelijk wezen, het beeld Gods, is zodanig verwoest, dat God met Zijn wet tot ons komt om er ons aan te ontdekken, dat wij Hem verlaten hebben en zowel God als onze naasten haten.
De zonde deed de veelheid van personen, schoon één wezen deelachtig, uit elkander vallen.
En toch —er kunnen omstandigheden in het leven van ons, verdorven mensen, zijn, waarin de gemeenschap machtiger is dan alle scheiding makende krachten, zodat de veelheid van personen in ongestoorde harmonie kan handelen en door èèn geest wordt geleid.
Het moge in ons menselijk leven slechts gedurende ogenblikken zo kunnen zijn, doch wie kan onderstellen, dat het in het heilige Wezen Gods anders zou zijn dan een eeuwige harmonie ?
De drie Personen vallen in God niet uiteen. Het Wezen Gods valt niet door conflict of strijd uiteen en de eenheid Gods wordt niet verbroken door de drieheid der Personen. Wie dat vreest, wordt te zeer bepaald door de aanblik van ons verbroken mensenleven.
Bovendien neemt de man, die van zijnswijzen Gods gaat spreken, met het persoonlijke ook het eigen karakter der zelfstandigheid weg, dat in de Heilige Schrift zo duidelijk op de voorgrond springt. Het goddelijk deugdenbeeld komt stellig zowel de Zoon, en de Geest als de Vader toe. Het is aan de drie Personen eigen. Zij delen maar - niet alleen in de volheid Gods, maar de volheid Gods is de volheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, zoals de Persoonlijkheid Gods in een eeuwige harmonie der drie Personen is.
De Zoon is volkomen God, de Heilige Geest is volkomen God, zoals ook de Vader volkomen God is, want zij zijn ongescheiden,
Wij behoeven daarom de sprekende (en Schriftuurlijke) persoonsonderscheiding niet los te laten om te 'belijden, dat God geheel in Christus is, want de Zoon is volkomen God, het uitgedrukte beeld der goddelijke zelfstandigheid (Hebr. 1:3).
In Hem woont de volheid Gods lichamelijk. (Col. 2:9).
Die volheid Gods verlaat Hem zelfs niet in het lichaam, maar het is genoeg om er op te wijzen, hoe de Schrift getuigt dat de volheid Gods in de Zoon woont.-
Er is geen enkele reden om aan te nemen, dat de volheid Gods niet in de Vader zou wonen. Ook niet, dat de volheid Gods niet in de Heilige Geest zou wonen.
Dezelfde Schrift, die de volheid aan de Zoon toeschrijft, stelt die Zoon op duidelijke wijze voor als een Persoon, die Zijn Ik uitspreekt nevens de Vader. Ik en de Vader zijn èèn. (Joh. 10 : 30). Ik zoek de wil des Vaders (Joh. 5 : 30). Niet Mijn Wil, maar Uw Wil. (Lukas 22 : 42). Terecht hebben de oude theologen van een goddelijke huishouding gesproken. Denk eens, hoe de Christus met eigen mond spreekt: De Heilige Geest, die de Vader zenden zal in Mijn Naam, die zal u alles leren, en zal u indachtig maken allesi, wat Ik u gezegd heb. (Joh. 14:26).
Welk een klaar beeld van persoonsrelaties en denk nu eens bij zulk een tekst aan zijnswijzen : God in de zijnswijze als Vader zal God in de zijnswijze van de Heilige Geest zenden in de naam van de zijnswijze, des Zoons.
Zijnswijzen kunnen onderlinge betrekkingen hebben. Spinoza maakte de gehele wereld tot zijnswijzen van de substantie, welke hij tot zijn God maakte, maar de idee der persoonlijkheid ging verloren, het leven van de wil paste niet in het mechanisch bestel.
Het kan dan ook volmaakt overbodig heten, afgezien van de zoeven genoemde bezwaren, de zijnswijzen in te voeren om te verdedigen, dat God , , waarachtig en geheel" in Christus woont.
De boven aangehaalde tekst. God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, zou dan in Barthiaanset trant overgezet, moeten luiden: God was in de zijnswijze van het Woord of van de Zoon, de wereld met Zichzelven verzoenende.
Dat gaat dan over de verzoening, maar schepping en verkiezing vallen eigenlijk ook al onder de zijnswijze van het Woord of van de Zoon.
De Zoon wordt dan de enige zijnswijze, met welke wij van doen hebben, althans de enige goddelijke zijnswijze, die wij kennen en waarin wij God kennen. Onze Godskennis zou opgaan in de kennis van de zijnswijze van het Woord, en wel van het vleesgeworden Woord. Wij hebben immers gezien, dat Barth het Woord van den beginne in verband met de mens, men zou haast zeggen: menselijk verbonden, wil zien. Jezus Christus is het Woord, dat in den beginne was.
Dat komt alles overeen met de stelling van Barth omtrent de Godsopenbaring. Hij erkent immers geen andere openbaring dan de openbaring in Jezus Christus. Geen kennis van God, dan alleen in en door Jezus Christus. Geen kennis van God buiten Jezus Christus, buiten het vleesgeworden Woord, om.
Let vooral op dit laatste, want wij belijden gaarne, dat er geen Godskennis is buiten de Christus om, maar dat is toch wat anders dan wat Barth bedoelt.
Wij hebben het oog op de Christus, die ook vóór Zijn vleeswording als de Gezalfde des Heeren, inzonderheid als onze hoogste Profeet en Leraar, achter de Schrift staat. Wij denken hierbij b.v. aan Hebr. 1:1: God voortijds vele malen gesproken hebbende (dat is toch het Woord) door de profeten etc, heeft in deze laatste dagen gesproken door de Zoon. (Hierbij wordt dan aan het vlees geworden Woord gedacht).
Barth echter wil alleen in Jezus Christus Godsopenbaring zien en niet anders. Jezus Christus is de Godsopenbaring, de openbaring van de ware God.
Hoever hij daarin gaat, hopen wij een volgende keer uiteen te zetten.
Nu nog alleen de opmerking, dat in dit standpunt de verklaring moet worden gezocht, waarom hij van geen algemene openbaring wil weten en die eenvoudig — en ten onrechte — als natuurlijke theologie verwerpt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's