De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GUILIELMUS SALDENUS II

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GUILIELMUS SALDENUS II

11 minuten leestijd

We beginnen er ditmaal maar meteen mee, aan Saldenus het woord te geven. Daarna kunnen we er dan altijd nog wel een slotbeschouwing aan toevoegen.

We geven de inhoud weer van dit boekje, dat we al noemden : De droevigste staat eens christens, bestaande in de doodigheid tot ongevoeligheid zijns harten omtrent geestelijke dingen. We nemen aan, dat dit boekje ontstaan is uit een reeks preken, die later omgewerkt zijn tot een verhandeling.

Het boekje behandelt de geestelijke doodsheid, die in Saldenus' tijd in kerken en harten al evenzeer was te vinden als in de onze. Van die kant is het zeker onjuist, van een goede, oude tijd te spreken.

Hij begint met die geestelijke doodsheid te belichten naar niet minder dan 29 kanten. Hij doet dat, beginnend Jesaja 40 aan te halen. Hij wil een trooster zijn, brenger van goede tijding. Wat leeft er veel schadelijke kleinmoedigheid ! Die is toch niet anders dan gebrek, terwijl er toch hemels brood in overvloed is. Als dat zo is dan moet ieder-de schuld 'bij zichzelf Z'oeken en niet bij God of bij de predikanten.

De opmerkingen, die Saldenus maakt, zijn kostelijk. Ze verenigen een heilzame nuchterheid met hartelijke warmte. Opdat de troost effectief zij, is het nodig, de kwaal goed te peilen. Maar dat moet toch weer niet zó gebeuren, dat we steeds over onze ellende spreken. Belangrijker is ten slotte, hoe we er uit komen. Daartoe kan het goed zijn, zich eerlijk uit te spreken tegenover een ander, b.v. z'n dominee. Maar dan moeten we die ander dan ook eerder geloven dan onszelf ! En tenslotte ook aan geen predikant blijven hangen, maar bij de Heere zelf uitkomen.

Het gaat zo om troostwoorden, maar nog meer om troostgronden. Dus moeten we raad halen bij mensen, die de grond kennen, zonder hem intussen te verafgoden of hem de eer toe te kennen die Gode alleen toebehoort.

Het moet dan eerst om de hoofdzaak gaan, daarna om de bijzaken. De hoofdzaak is: 'Gods eer, de heiligmaking. De rest is toegift. Snedig voegt Saldenus er aan toe, dat tering meer haast doet maken dan hoofdpijn. Afleiding, dus werelds vermaak, is natuurlijk, nooit medicijn.

Wanneer satan ons dan aanvalt, moeten we vooral geen partij voor hem kiezen. Laat Baäl voor zichzelf spreken ! Ook is het geestdrijverij, aan elke opwelling maar geloof te schenken. Laat uw hart redenen aanvoeren !

Rust op bedriegelijke gronden stelt altijd teleur. Maar we moeten niet altijd alleen op rust en troost uit zijn. Nodig is troost en verbrijzeling. Altijd honig eten staat spoedig tegen. En genade, dié heiligt, is meer dan die troost. Als wij die orde zo vaak omkeren, wordt God jaloers !

Eenzaamheid is goed, maar alle teveel schaadt. Zoek. liever opgeruimd (geestelijk) gezelschap ! En als ge beduusd zijt, loop dan niet nog verder van Hem af, maar naar Hem toe, want Hij alleen is vrede. En beoordeelt Gods liefde niet naar bepaalde feiten in uw leven, maar naar Zijn Woord, want God is niet altijd zó gezind als Hij lijkt, maar Hij is altijd zo, als Hij beloofd heeft. Dat betekent dus : uw ontsteltenissen zijn niet zoveel kruisen, waaronder ge bukken moet, maar zoveel zonden, waartegen ge strijden moet.

Zoek genezing, niet maar verlichting. Wees niet te spoedig ontroerd en niet te snel getroost! En haal geen oud zeer op ! Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

Inzake de kenmerken van geloof moet ge voorzichtig zijn. Ge moogt niet zeggen : Dit bepaalde mis ik, dus mis ik alles. Want dat is niet zo. Christus is meer dan alle kenmerken, de Werker meer dan het werk en de zon meer dan de stralen. Dus kentekenen mogen vooral niet van Christus en het geloof afleiden !

We moeten op Christus zien uit de eerste, niet uit de tweede hand. Daarbij is het fout, de hoogste trap in de kenmerken te willen beklimmen. Het kleinste is óok al echt! Het kleinste drupje is óok al de zaak !

In droefheid ziet ge de verhoudingen onzuiver. Houd dus maat! Ook moet ge niet alles willen hebben. Als een zaak drie kenmerken heeft, wees dan ook met één ervan tevreden! Als ge het ene mist, houd u dan aan het andere vast, want ze hangen immer samen ! Ge ziet ze niet licht allemaal tegelijk.

En als alle kenmerken ontbreken ? Dan niet meteen het ergste denken en het oordeel liever opschorten. Dan maar blindelings naar Christus looen ! Want die geen tekenen zien, zal Hij evenmin verwerpen, als die ze zagen.

Zo stelt Saldenus zich voor, z'n stof te behandelen. Hij zal wel niet alle mensen tevreden stellen, vooral de vleselijke niet. Toch wil hij pogen te troosten zo goed het kan.

Zover de inleiding van het boekje. We zullen wel toestemmen, dat hier een man aan 't woord is, die de tong eens geleerden heeft ontvangen, om met de moede een woord op zijn tijd te spreken ! Als we op Saldenus' spreekwijze letten, lijkt ons die in z'n puntigheid weinig Nederlands. De meeste van onze theologen zijn zo geestig niet.

Wanneer Saldenus niet zo'n bekwaam man was, zouden we willen opperen, dat hij mogelijk nog al wat ontleend heeft aan de Schotse schrijvers, die in dat genoemde de vaderlandse auteurs vaak 'n stuk vóór zijn. We denken aan Hugh Binning, Thomas Sheppard, Love, Dyke en dgl. Het zou ons nóg niet verbazen, wanneer Saldenus veel in hen gelezen had. We hebben er al ettelijke malen op gewezen, dat die puriteinse Schotse en Engelse auteurs hier erg veel gelezen zijn.

Saldenus begint nu met z'n eigenlijke boek. Hij knoopt aan bij Romeinen 7, een hoofdstuk, dat bij al onze auteurs zo'n grote rol speelt. Paulus klaagt daar, dat hij zich zo'n ellendig mens weet. Daarin volgen hem alle oprechten. De oorzaak ervan is vooral: twijfelmoedigheid, de kracht der zonde, de machteloosheid er tegen, de doodsheid van het harte, dat wel van steen lijkt. Over dat laatste wil Saldenus handelen ; het gebeurde vóór hem te weinig.

Wat wordt er nu mee bedoeld ? Dit, dat de tot God bekeerde niet zo gevoelig leeft als dat passen zou. Het is vaak om te schrikken ! Letterlijk alles kan zo koud laten : Gods toorn en genade, het Heilig Avondmaal. Een zo boze kwaal moet goed gepeild worden. Die doodsheid der ziel heeft allerlei gevolgen. Een dode ziel is een verwarde ziel, is daarom ongelukkig. En hoe zou ze zo vruchtbaar zijn ? Ze wordt onzeker, ongestadig en vreesachtig. Het gaat onzeker en struikelend voort. Zo'n mens zoekt de eenzaamheid op en eet a.h.w. z'n hart op, durft geen mensen te ontmoeten. Daarbij bestookt hen twijfelmoedigheid ; ze durven niet tot Christus de toeheid : ze durven niet tot Christus de toevlucht te nemen. En toch is Hij juist nabij aan het verbroken hart! De aandacht verslapt zo, ze worden vergeetachtig, want niets raakt diep genoeg. Zo schaamt men zich voor zichzelf, mijdt juist hen, die gevoeliger en levendiger !zijn en missen ook nog de troost van het gebed.

Hoe komt dat nu ? Saldenus zou een ondiep gereformeerd man zijn, als hij niet met de Heere God begon. Die kan zo'n dorre tijd, zo'n verstokking wel toelaten en zelfs zenden, vooral door de genade van de Heilige Geest te weerhouden. Daarnaast is satan altijd actief. Hij zit vol streken en listen. Hij maakt vooral bang voor ontdekking. Uiterlijke voorspoed kan ook heel veel kwaad doen en slordigheid in het heilige bedroeft de Geest. Een verward, te algemeen gehouden onderricht zonder persoonlijke toepassing, doet even goed  kwaad. Als we de onderlinge vermaning verzuimen of als de preekdienst geesteloos is, als we afstompen, dan krijgen we a.h.w. eelt op het hart.

Dat zijn zo de oorzaken van buiten. Die vinden ondersteuning bij vijanden binnen de poort. B.v. ons vlees, de zorgvuldigheden van het leven, ongetemperde droefheid, die afstompt, een hardnekkige karakteraanleg, lichamelijke ziekelijkheid, gewoontezonden, zielverwoestende grote zonden, geestelijke gemakzucht, gebrek aan oefening in Woord en Sacrament.

U merkt bij de lezing van dit korte overzicht wel, hoe praktisch Saldenus te werk gaat. Om die reden noemt men hem en zijn geestverwanten : praktizijns. In het algemeen blinken onze vaderlandse stichtelijke schrijvers daarin niet bepaald uit; de al eerder genoemde Schotten zijn ons daarin ver de baas geweest.

Saldenus is intussen nog niet tot z'n doel gekomen. Hij wil de kwaal nog meer in détail ontdekken en daarna troost en raad bieden. Hij komt daartoe eerst tot enkele , , gewetensgevallen". Dat woord is ons bekend sinds Amesius en Voetius, maar zal toch nog wel enige toelichting behoeven. Men verstaat daar onder, dat men verschillende gevallen — voorvallen, echt gebeurde of denkbare — uiteenzet en dan vraagt: Is dat een christen geoorloofd ; kan hij dat met zijn geweten overeenbrengen ? Zo wordt het geweten dan geoefend, om te beproeven, wat de wil van God is in allerlei levensomstandigheden.

Met een vreemd woord noemt men dit ook wel: casuïstiek (casus betekent geval, voorval) ; casuïstiek dus : hoe men zich in voorvallende dingen gedraagt. Men heeft er dan wel op gewezen, dat deze casuïstiek ook wordt gevonden bij de Jezuïeten en men aarzelt soms niet, de gereformeerde casuïstiek er van te verdenken, met dat Jezuïtische gif te zijn besmet. Laten we daarop antwoorden, dat naar de vorm hier zeker iets overeenkomstigs leeft. Dat zowel de Jezuïeten als hun gereformeerde tegenstanders de levenspractijk, meer. dan de theorie, op het oog hebben en zo hun mensen scholen in het toetsen van de geesten. Maar wie ook maar iets weet van de achtergrond, waartegen zich dat afspeelt bij de genoemde groepen, kan toch alleen zeggen, dat het in de uitwerking iets heel anders wordt. Bij de Jezuïeten is de slaafse gehoorzaamheid aan de superieur („gehoorzaam als een lijk") en de wettische-splinterige uitwerking van die gewetensgevallen een totaal andere, dan die bij de gereformeerden, dien het ging om gehoorzaamheid aan God, naar Zijn Wet, maar toch vooral niet wettisch, maar eerder volop evangelisch. En dan merken we tenslotte nog op, hoe „Joods" de casuïstiek van de Jezuïeten doorgaans te werk ging, n.l. niet om Gods gebod zo breed en zo diep mogelijk te beleven, maar eerder, om er op z'n tijd, als het lastig blijkt, zo goed mogelijk aan te ontsnappen. Dat laatste zal men de gereformeerden stellig niet ten laste kunnen leggen en daarom is, wat naar de vorm op elkaar lijkt, naar inhoud toch zeer verschillend.

Welnu, ook Saldenus begeeft zich dus op dat gebied van de casuïstiek. Hij houdt nogal maat, want hij bepaalt zich tot maar een vijftal gewetensvragen. De eerste is, of die geestelijke doodsheid wel kan voorkomen in een echt gelovig en bekeerd mens. Hij antwoordt daarop : Ja ! Zie de discipelen maar, denk aan Sardes, aan het Hooglied. Denk aan zoveel pilaren in Gods Kerk, als David, Asaf, Augustinus, vele martelaars, Bernard van Clairvaux. Want onze oude aard blijft, ook in de bekering, en de oude Wortel loopt weer uit. Maar daaruit leidt Saldenus af, dat dus wedergeboren zijn niet betekent, dat men altijd geestelijk op peil leeft, naar gevoel en besef. Het betekent alleen, dat het anker vastligt, dat de diepste levensrichting toch is omgekeerd. Ook als het gevoel niet spreekt, kan de wedergeboorte er zeer goed zijn. Denk aan een boom in de winter: we merken geen levenstekenen en het leven is er toch. Dus : gevoeligheid gaat vaak met de wedergeboorte gepaard, maar behoort niet tot het wezen ervan. In onze slaap hebben we evenmin gevoel en toch leven we ook dan. Zo kan daarom een gelovige zich doods en leeg voelen en het toch in werkelijkheid niet zijn.

De tweede vraag, die Saldenus stelt, is : Hoe ver kan die doodsheid in het christenleven gaan ? Hij antwoordt: Vrij ver ! Maar er blijft een grens : het komt niet tot een gehele uitdoving van het leven. Hij haalt uit het Hooglied dat merkwaardige woord aan: Ik sliep, maar mijn hart waakte. Die doodsheid is er ook niet gedurig. Daarom wekt ze harde zelfaanklachten, die tot bekering drijven. In David kan men dat in alle levendigheid zien getekend.

Een derde vraag sluit zich nu aanstonds hierbij aan: Is die dodigheid altijd zonde te achten? Saldenus wil hier onderscheiden. Hij antwoordt ja, wanneer verstoktheid en luiheid er de oorzaak van zijn. Maar hij durft neen zeggen, als God er de oorzaak van is, wanneer de kwaal natuurlijke oorzaken heeft. Wel blijft deze doodsheid altijd een moeilijk kruis.

Vierde probleem is : wat onderscheidt deze doodsheid van vleselijke zorgeloosheid? Daarop valt vooral te antwoorden, dat de eerstgenoemde vooral veel breder en dieper grijpt en dat in haar vruchten ook wel toont.

Tenslotte : Wat is het verschil tussen die geestelijke doodsheid en de geestelijke rust des gemoeds, die immers het leven ook stil en geborgen maakt ? Saldenus stelt ze tegenover elkaar als resp. kwaad en goed, met kwade en goede oorzaak, met onbekende en bekende gi< ond (de Heilige Geest!), terwijl ze tenslotte tegengesteld blijken daarin, dat de eerste onbekwaam maakt om God te dienen, de tweede daartoe bekwaamt.

In een slotartikel geven we weer, wat Saldenus aan troost en raad heeft te bieden in een zaak, die zo troosteloos en radeloos kan maken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GUILIELMUS SALDENUS II

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's