GUILIELMUS SALDENUS III
De kwaal der geestelijke ingezonkenheid is nu breed en diep verkend en onderkend en scherp gesteld door een onderzoek van de verschillende vragen, die ze aan het christelijke geweten stelt.
Het treft Saldenus, hoevelen hier klagen. Bernard v. Clairvaux, een middeleeuws vroom man, bekend vooral door een vurige uitleg van het Hooglied, moet klagen, dat z'n hart, dat soms branden kan, ook wel hard en koud kan zijn als een molensteen.
Maar de Schrift heeft medicijn tegen alle kwalen. Heel Gods Kerk kent immers, wat de profeet Jesaja de Heere vraagt: Waarom verstokt Gij ons hart, zodat wij U niet vrezen? Die beker schenkt God soms in en dat met Zijn goede redenen. En juist die klacht doet het gevoelen, dat men er van weet. Dodigheid is daarom iets anders dan dóód zijn.
En die klacht wijst op schuldbesef, op het hebben gebroken van Gods gebod. De oprechten, juist de oprechten, komen er mee tot God terug.
Saldenus hoort van verschillende kanten de verzuchting : Och, was ik toch meer gevoelig. Maar hij waarschuwt er tegen, op het gevoel te leven en zegt: De zaak is meer dan de graad. Hij voegt erbij de opmerking, dat de klacht over ongevoeligheid immers wel degelijk gevoel verraadt? Maar het is Gods gewone wijze van doen het soms in het leven dor te maken om het daarna weer heerlijk te doen uitbotten.
We hebben de indruk, als we Saldenus zo lezen, dat het gevoel bij hem een groter rol speelt dan bij de figuren uit de Nadere Reformatie, die we tot nu toe behandelden. In de volgende eeuw zal dat nog weer sterker worden en in overgevoeligheid, sentimentaliteit ontaarden. Intussen heeft een geoorloofde aandacht, ook voor de gevoelskant van het geloofsleven, van den beginne af ook bij Calvijn sterk geleefd, zodat we bij Saldenus toch werkelijk niet met iets zozeer nieuws zouden hebben te maken. En hij blijkt het gevaar van ontsporing, van een overgevoeligheid, die alle maat doet verliezen, heel goed te beseffen, als hij daar nog van zegt, dat niet de mate van onze geestelijke gevoeligheid ons behoudt, maar alleen de genade van de Heere Jezus Christus. Dus daaraan moeten we onze werkelijke staat niet afmeten. Zelfs op het sterfbed is niet aan ieder ten volle licht beloofd : de Heere Jezus zelf ging bestreden en moeilijk heen.
Dat wekt een tegenwerping. Deze: Kan een christen dan onverzoend sterven ? Het antwoord luidt, dat zaligheid meer is dan zekerheid. En : God brengt het licht voort uit de duisternis. Zo kunt ge dus weten, hoe een hefborene er voor staat. En dan moet ge toezien, dat ge God liever dankt, dan dat ge murmureert. Dit leert u ook, niet teveel aan gevoel en gevoeligheid te hangen, want het geestelijke is geestelijk en wil zo verstaan en beleefd zijn. Het geloof gaat zeker met gevoel gepaard, maar het steunt daar niet op. Werkelijk steunen kan het alleen op Gods beloften. Wie het gevoel overspant, is als iemand, die op valse krukken steunt. De ware stok en staf, waarop te leunen valt, is Christus. En daarop leunend, leren we waarderen alles, wat God schenkt.
Maar, zo oppert de hier toegesprokene : Als ik deze troost nu toch niet voel ? Antwoord : Die geloven, haasten niet. Dan komt dat wel wat later. Maar in geen geval moet ge uw staat naar het gevoel afmeten. Want het Woord van God, het Woord der genade, dóét alles, wat Hem behaagt.
Zo spreekt Saldenus, de , , praktizijn". Het wil ons lijken, dat hij hierin uitblinkt. Niet vaak vinden we heilzame nuchterheid, onderlegdheid en geestelijke warmte zo fraai verenigd.
Maar zelfs hij kan niet hopen, nu alle bezorgdheden te hebben gebannen. Er worden nog verschillende tegenwerpingen gemaakt, waarop hij weer ingaat. Men vraagt: Is in de Bijbel onbekeerd en verstokt 't zelfde? Antwoord : Neen, verstokt is veel erger. Is ongevoeligheid eigenlijk niet heidens ? Ja, dat is ze. Maar ze komt nochtans zelfs in de gelovigen voor. Maar strijdt deze geestelijke ongevoeligheid niet tegen de gedachte van de krachtdadige roeping? Naar de idee, wél, antwoord Saldenus, maar in de praktijk kunnen ze toch door elkaar heen lopen. Maar: kan die ongevoeligheid en het , , hart van vlees", dat God belooft aan Zijn kinderen, wel samengaan ? Alweer is het antwoord: Dat moest elkaar uitsluiten, maar in deze onvolkomene bedeling is dat niet het geval.
Tenslotte : Als iemand te klagen heeft over ongevoeligheid tegenover zijn zonden, tegenover de troost der genade, de smaak in de beoefening der godzaligheid en tegenover de goddelijke oordelen, dan drukt het hem pijnlijk, dat gelovigen immers mensen van een verslagen hart, van een verbroken en verbrijzelde-geest heten ! Hoe kunnen ze dan, zo hard zijnde, hopen toch tot de christenen te behoren ?
Saldenus moet wéér antwoorden, dat deze tegensprakige, onmogelijke toestand voortkomt uit de onvolmaaktheid van deze bedeling. Maar weer legt hij er de nadruk op, dat de droefheid naar God niet bestaat in de roering van het gevoel. Hij komt zelfs tot de wat harde uitspraak, dat het gevoel maar iets oppervlakkigs, iets dierlijks is. Dus daar ligt de kern der zaak en des levens zeker niet in. Met de Engelse praktizijn Hildersham zegt Saldenus : Als de Heere ons werkelijk en helemaal alles liet zien en gevoelen, dan zou het ons verteren. Als de Heere God dus zekere maat houdt, moeten wij dat niet verzaken. En buiten ons wanhopige zelf, dus bij Christus hulp zoeken.
Hierboven werd gesproken over de ongevoeligheid tegenover de zonde. Maar ook komt immers voor ongevoeligheid tegenover de vertroostingen van het Evangelie. Begrijpelijk verbazen en verontrusten zij, die deze klacht voortbrengen, zich juist daarover. Maar Saldenus herhaalt, wat hij zoeven al zei: Gevoel is een toevoegsel en niet de kern der genade. Er is onderscheid tussen wortel en vrucht. Wij zijn (te) begerig, naar de vrucht alleen, d.w.z. naar onze lust en gevoel en smaak. Maar de wortel, waar het om gaat is toch : Hoe ben ik een heilig onderdaan van de Heere Jezus Christus ? Daarin hebben we alleen door de H. Geest de rust des gemoeds. Saldenus wijst in verband daarmee op de , , hebbelijke" naast de , , dadelijke" bekering, dus op de bekering, zoals God ze ons in de diepste levensrichting schenkt en die bekering, zover ze (onvolkomen) uit die verborgen diepte naar bulten treedt in de daad. Dat achterblijven kan de troost verduisteren. De blijdschap ten allen tijd, waartoe Paulus oproept, heeft stellig zijn onderbrekingen. Onze ondankbaarheid spreekt daarin sterk mee.
Ongevoeligheid betreffende de geestelijke oefeningen is ook alweer een bron van onvoldaanheid. Hoe ver liggen leer en leven, Gods eis en onze gesteidheid vaak uit elkaar ! Maar Saldenus voert daartegen weer aan, dat er verschil blijft bestaan in de smaak, die een zaak oproept en die de uitvoering van die zaak geeft. Dan moeten we dus meer op onze plicht, dan op de smaak letten. Maar, zo wordt nog geopperd : Godsdienst roept bij mij zelfs wel afkeer op. Ja, is het antwoord, maar het feit, dat u dit opbiecht, houdt al een sterke zelfveroordeling in. De pas bekeerde is het levendigste en gevoeligste, daarna pleegt het te bekoelen. En Saldenus beeldt dat zeer plastisch en gemoedelijk uit: De Heere God doet hierin zoals de schoolmeester het in het heel kleine beoefent, als hij trage leerlingen met premies en prijzen opwekt, om smaak in de zaak te krijgen. De beste leerlingen hebben dat niet nodig en krijgen die extratj es niet.
Is er ongevoeligheid tegenover Gods oordelen, dan wil Saldenus toch opwekken die niet te verwarren met kloekmoedigheid onder Gods oordelen. Dit is toch heel wat anders als verharding onder het oordeel! De eerste is goed en uit God — de tweede is onkruid van de Boze.
Dit ten besluite : na de troostgronden en de raadgevingen : de middelen, om het gesignaleerde kwaad te bestrijden. Het eerste daarvan is : vermijd de aangewezen oorzaken ! Vraag tijdig raad, eer de kwaal aangroeit. Onderzoek uzelf, sta naar zelfkennis. Blijf dicht bij de Heere, want Hij is alleen, in Christus, uw leven. Ga om met mensen die meer dan gij, in de ruimte staan, want zulke omgang werkt aanstekelijk. En vraag de voorbede van hen, die begrip hebben voor uw kwaal.
Als iemand zich verhard voelt tegenover de zonde, dien raadt Saldenus te staan naar onderscheidenlijke kennis van zonde, die dan tevens een praktische, actuele moge zijn. En hij raadt: Zoek Christus en grijp Hem aan. Dat geeft evangelische zondekennis. Juist een christen weet van zonde. Meditatie over het lijden van Christus en over de vraag, wie het toch zijn, die Hem hebben doorstoken. (Zacharia 12).
Bij koudheid tegenover de plichten, wil hij aanbevelen, tot de kern door te dringen, toch te volharden en gehoorzaamheid en trouw als hoofdzaak te beschouwen.
Bij hardheid onder de oordelen acht Saldenus het geneesmiddel : Verklein het oordeel vooral niet. Proef Gods gramschap, zoals ge die vooral in Christus ziet. Maar toch blijft het waar, dat God toornt in Zijn liefde. Hij haat de zonde, niet de zondaar. Zo moet onze medeschuld worden beleden en gedragen.
Een reeks middelen heeft Saldenus aanbevolen. Laat men ze gebruiken, hoeveel gebrek met dit alles gepaard blijve. God ziet niet naar volmaaktheid, maar naar oprechtheid. Middelen zijn tenslotte maar middelen. We moeten dus altijd hogerop. En het komt er op aan, door het onmogelijk lijkende door te breken. Zou dat een wonder zijn? Maar God is immers de God, die wonderen doet?
Maar — laatste tegenwerping — : als ik nu onder al die middelen nóg , , stokachtiger" word, wat dan toch ? Antwoord : Ge moet door het onmogelijke doorbreken ! God is getrouw, die u niet zal laten verzocht worden boven wat gij kunt dragen, maar Hij zal met de verzoeking óok de uitkomst geven, opdat gij ze kunt dragen.
Daar hebt u Saldenus aangehoord. Hij heeft het zich niet gemakkelijk gemaakt ! We kunnen het aan de ene kant wel begrijpen, dat de meeste kerken en richtingen in ons land de door hem gebaande weg niet gaan en èrg bang zijn voor een , , woelen in eigen ingewand", een maar-niet-loskomen van onszelf en een niet komen tot de heerlijkheid van de vrijheid der kinderen Gods.
Saldenus heeft, met zijn geestverwanten, deze bezwaren heel goed onderkend en niet geaarzeld, een ziekteproces aan te wijzen, waar dat moest geconstateerd worden.
De kerken en , , zielszorgers", die dit ingaan op zeer persoonlijke geloofs- en gewetensvragen schuwen en liever , , de vastigheden des Verbonds" laten gelden, de verkondiging van Gods genade en haar beloften, met voorbijgaan van een ingaan op de mens en van alles, wat des mensen is, hebben het zeker heel wat gemakkelijker dan zij, die in meerdere of mindere mate nog de methode van Saldenus toepassen. Maar laten ze zich niet vergissen. In alle kringen en kerken leven mensen, die de boven getekende moeilijkheden kennen en die nog verder verkommeren, omdat er geen mens is die zich bekommert om die mens-in-een-doolhof. Het verschrompelen vooral van de oude Confessionelen en van de Kohlbruggianen heeft zeker meerdere oorzaken, maar stellig ook dit, dat men er lijdt aan een overmaat van objectiviteit, maar aan een gebrek aan ingaan op het subjectieve in het geloofsleven, dat nog iets heel anders dan subjectivisme is. Dat dit ook een scheidslijn trekt binnen de , , Gereformeerde Gezindheid", kan aan niemand een geheim zijn en het maant tot waken en bidden.
Saldenus leefde wel ruim 300 jaar geleden, maar hij is nog altijd actueel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's