Dordtse Leerregels
Deze verkiezing is een onveranderlijk voornemen Gods, door hetwelk Hij vóór de grondlegging der wereld een zekere menigte van mensen, niet beter of waardiger zijnde dan anderen, maar in de gemene ellende met anderen liggende, uit het gehele menselijk geslacht, van de eerste rechtheid door hun eigen schuld vervallen in de zonde en het verderf, naar het vrije welbehagen Zijns wils, tot de zaligheid, louter uit genade, uitverkoren heeft in Christus
Hoofdstuk I. Artikel 7.
God heeft de mens recht geschapen. Daarvan maakt ook art. 7 melding, zeggende van de uitverkorenen, dat zij zijn , , van de eerste rechtheid door hun eigen schuld vervallen".
Dat mag in deze tijd wel onderstreept worden. Immers, de man, die velen willen voorstellen als een nieuwe Luther en een verbeterde Calvijn, meent, dat we niet van een zondeval moeten spreken. De zonde is, volgens hem, reeds met de schepping gegeven. , , Adams val is geen oorzaak, maar eerste werking, een aanschouwelijk worden van de boventijdelijke, voortijdelijke val, een werkzaam worden van de transcendentale dispositie. De zondeval zou dus door God in de schepping zijn ingebouwd.
Het zal voor onze lezers wel niet nodig zijn, uitvoerig te gaan betogen dat de H. Schrift van een ingeschapen zondeval niet spreekt. Daarentegen zegt Rom. 5 VS. 12 duidelijk, dat de zonde door één mens in de wereld is gekomen. Zij is niet door God ingekomen, doch door een mens. God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen. De zonde is in de historie ontstaan. Daar lag de mens. In de staat der rechtheid liep hij God tegemoet, als Deze tot hem naderde. Doch op het eerste ritselen van de nadering Gods na de val verborg de mens zich. Hij was geheel veranderd. Toen God vóór de grondlegging der wereld Zijn voornemen koesterde, had Hij de hele mensheid voor zich als in een gevallen staat. Uit deze mensheid heeft Hij sommigen uitverkoren tot zaligheid. Hoe lagen zij daar ? Zag God hen, als roepende om genade ? Dat was niet denkbaar, want de uitverkorenen lagen met de anderen in de gemene ellende. Wat is de gemene ellende ? Dat is o.a. de doodstaat. In Efeze 1 wordt onder de geestelijke zegeningen vermeld, dat God de gemeente heeft uitverkoren in Christus vóór de grondlegging der wereld. Hoofdstuk 2 begint met de vermelding van de zegen, die uit deze verkiezing voortvloeide.
Zij, n.l. de uitverkorenen, waren levend gemaakt. Wat waren zij dan eerst ? Zij waren dood. De uitverkiezing heeft vele bestrijders. Maar ik vraag mij af, welke mogelijkheden zij toch in de mens zien, waardoor de verkiezing Gods van zijn kracht beroofd moet worden, om alles te zetten op de verkiezing des mensen.
Het is immers duidelijk, dat één van twee de beslissende instantie moet zijn. Wat kan men nu verwachten van doden? Laten de bestrijders der uitverkiezing het eens proberen om een hele dag op een kerkhof te gaan staan roepen. Daar zal niet één dode opstaan en antwoorden. Wat verwacht men dan van de dode kerkgangers ? Men krijgt van die zijde nooit duidelijk bescheid. Het zou anders erg leerzaam zijn als men van middenorthodoxe kant eens een bevattelijke dogmatiek uitgaf, die op alle vragen inging. Dan kan men eens zien, welke krachten zij nog in de mens vinden. Of óok, welke krachten zij toeschrijven aan de Doop, aan de prediking, aan de algemene werking des Geestes. Volgens Efeze 2 waren de gelovigen uit Efeze eerst dood. Zij leefden in de zonde, doch waren dood voor God. En toen heeft God ze levend gemaakt. De dood was dus de gemene ellende. Wie zijn er levend gemaakt ? De uitverkorenen uit Efeze 1 VS. 4, en niet alle heidenen. Over die doodstaat spreekt ook de Heere Jezus, als Hij zegt: Laat de doden hun doden begraven. (Matth. 8 vs. 22), In Joh. 5 VS. 25 heten alle mensen zonder meer doden, totdat de roepstem van Christus hen treft. Dat vinden wij ook in Ef. 5 VS. 14 : , , Ontwaakt, gij die slaapt en staat op uit de doden". De doodstaat is de gemene ellende. Er is een wonder Gods voor nodig om doden levend te maken.
Worden alle mensen levend gemaakt? Neen, de poort is eng en de weg is nauw, die naar het leven leidt en weinigen zijn er, die hem vinden.
Het gaat in deze omschrijving der uitverkiezing om één ding, n.l. om uitdrukkelijk vast te leggen, dat de mens niet de beslissende instantie is in het zalig worden. Efeze 2 vs. 8 zegt het met nadruk : Het is niet uit u. , , Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave. Niet uit de werken, opdat niemand roeme". God heeft het gedaan, doch er was eerst een voornemen Gods om het te doen. Waar komen de uitverkorenen vandaan ? Komen zij uit één volk, of uit één kerk, of uit één werelddeel, of uit één stand? Zij komen uit het gehele menselijk geslacht. Daarom hoeft geen kerk of stand of land of werelddeel zich te verheffen. De monniken hebben niet allen en niet alleen het voorrecht der uitverkieizing, maar ook de Nederlanders niet of de Europeanen of de mindere stand. God heeft zich een volk uitverkoren uit het gehele menselijk geslacht.
Zou dan de ene mens voorbijgegaan zijn in dat voornemen en de ander er in opgenomen? Staat het wel eens in de Bijbel, dat God zo'n onderscheid maakt ? Wie zal dit kunnen ontkennen? In Psalm 147 VS. 19 lezen we : , , Hij maakte Jacob Zijn woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten. Alzo heeft Hij geen volk gedaan". Israël wel, andere volken niet. Die zijn voorbijgegaan. De vele geslachten dier volken, die voor de prediking van Christus in hun midden leefden, zijn voorbijgegaan, Wat een onderscheid betuigt de H. Schrift tussen Jacob en Ezau. Een onderscheid, dat God te voren reeds bepaald had. Aan Ezau ging God voorbij. In de Engelenzang, zoals deze oorspronkelijk geluid moet hebben, zien we reeds het onderscheid. De vrede op aarde zal zijn , , in de mensen van het welbehagen". Dat zijn niet alle mensen, maar dat is een bepaald volk, welke de blijdschap wezen zal. In de Bijbel is het ten diepste niet zó, dat de mensen de beslissing in handen hebben. Dit wil heel niet zeggen, dat zij vrijgelaten worden. De gereformeerde prediking laat de mens heel niet vrij. Zij eist ontzaglijk veel. Zij eist in de eerste plaats de volkomen onderhouding van de gehele wet Gods. De gereformeerde prediking handhaaft de eis. Soms wordt haar dit kwalijk genomen. Zij is zo wettisch, zegt men. Niets is minder waar dan dit. Van wettisch mag men spreken als ergens gepredikt wordt dat 's mensen werken of geloven of welk doen ook, hem de zaligheid doet verkrijgen. Maar in de gereformeerde prediking kan zelfs het geloof niet een stuk van onze gerechtigheid voor God zijn. Doch hoewel gespeend aan alle wettischheid, als zouden onze werken onze gerechtigheid voor God kunnen zijn, nochtans wordt de eis der wet ten volle gehandhaafd, zoals de Heere Jezus dat ook heeft gedaan in de Bergrede. Doch evenzeer wordt de eis van het geloof in Christus gehandhaafd. Mag er hier en daar verslapping gekomen zijn, in de laatste tijd wordt zeer de nadruk gelegd op de noodzakelijkheid van het geloof in Christus. Daarnaast wordt een trouwe kerkgang, een stipte viering van de dag des Heeren, een afgescheiden leven van de zonde en de wereld van zondag tot zondag aan de gemeente voorgehouden.
De gereformeerde prediking laat de mens heel niet vrij. Dat is het merkwaardige. Hoewel ten volle instemmende met de belijdenis, dat God beslist en dat Gods Raad is van vóór de grondlegging der wereld, predikt zij toch niet deze verborgen dingen. Zij predikt het Woord Gods, zijnde Wet en Evangelie.
Maar nu kan men hiermee twee kanten uit. Als men de wet met eis en vloek aan de gemeente heeft voorgehouden en het Evangelie met zijn nodiging en belofte gepredikt, dan kan men menen, dat nu de beslissing bij de mens ligt.
Zo schijnt het toch buiten de gereformeerde prediking gesteld te worden. Dat kan men op verschillende manieren denken. Men kan het zich zó voorstellen, dat de mens van zichzelf wijsheid en krachten heeft voor een goede beslissing. Men kan het zich ook zó denken, dat God aan hen, die gedoopt zijn of de prediking horen of iets dergelijks, krachten mededeelt en inzicht, waarvan dan de mens een goed gebruik moet maken. Dan blijft dus alles algemeen en de mens beslist. Nu kan het ook andersom. Dat is de manier van de Bijbel. Men kan belijden dat het Gods gave is als door de prediking iemand tot het geloof komt. Gods gave in bijzondere zin. In Hand. 13 VS. 48 staat: , , Er geloofden er zoveel als er verordineerd waren tot het eeuwige leven". Dat schijnt in laatste instantie weinig met het overwegen van de menselijke beslissing te maken te hebben. De apostel schrijft niet: God heeft alle mensen levend gemaakt. Hij schrijft: „U heeft Hij mede levend gemaakt". De Heere Jezus zei tot Zijn discipelen : „Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods". De anderen was het niet gegeven. Dus de prediking alléén brengt niet het geloof. , , Niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn dan door de Heilige Geest". En als iemand dan eens lust krijgt om de voorgestelde genade deelachtig te worden, wat moet hij dan? Om Gods genade bidden. Maar als hij dan niet uitverkoren is, krijgt hij ze dan? Dan krijgt hij ze. Wie bidt ontvangt. Maar hoe is dit te rijmen ? Zo, dat nog nooit een niet-uitverkorene in waarheid om Gods genade heeft gebeden. Ene zucht om genade is genade. Hoedemaker maakt in zijn Jakob-Israël hierover deze aardige opmerking. Uit Genesis 32 VS. 3 is duidelijk, dat Ezau in Seïr woonde buiten het land Kanaan. , , Indien hij in geestesgemeenschap met Abraham en Izaak had gestaan, zou hij zich onmogelijk uit het land hebben kunnen verwijderen, waarvan God tot Abraham gezegd had : , , Ik zal het u geven en aan uw zaad in eeuwigheid"- De Heere is dus bezig geweest Zijn Raad ten aanzien van Jacob en Ezau te volvoeren ; maar Hij heeft dit gedaan door tussenkomst van Ezau zelf. Van hem kan gezegd worden, wat de apostel Johannes zeide van hen, die zich van de gemeente hadden afgezonderd : , , Zij zijn van ons uitgegaan, omdat zij van ons niet waren". Ieder mens gaat , , naar z'n eigen plaats". De onbekeerde wil niet bekeerd wezen; en de verlorenen zouden het in de hemel niet kunnen uithouden. Maar zó vat de ongelovige de zaak niet op. De wereldling maakt zich druk over het besluit der verkiezing, en vindt het hard, onrechtvaardig en wat niet al, dat de hemel niet voor alle mensen zou openstaan ; en dat de bijzondere werken des Geestes niet aan alle mensen ten deel vallen. Hij vergeet echter, dat hem geschiedt en geschieden zal naar zijn eigen verlangen.
Tot ieder die zich bezig houdt met de vraag : , , Zou ik wel uitverkoren zijn ? ", kan gezegd worden : , , Wat gij in waarheid begeert, zult gij erlangen".
Is het u om de verzoening met God werkelijk te doen; zijt gij waarlijk bevreesd te worden uitgesloten van , , de erve der heiligen in het licht", dan hebt ge daarin een bewijs, of laat ons zeggen een goede grond van hope, dat de Heere u zal brengen, waar ge wezen moet en wezen wilt; en indien gij dit verlangen niet in uzelven vindt, welnu, dan hebt ge ook met de , .verkiezing" niets te maken".
Daar is dus een algemene ellende, waarin allen liggen. Tot hen, die daarin liggen, wordt het Evangelie gepredikt. Niemand van de doden stelt daar belang in, werkelijk echt belang- Hoe nu verder ? Bij ons is er geen verder. Doch bij God wél. Hij doet door Zijn Geest in de harten der uitverkorenen het gepredikte Woord doordringen. De wet wordt hen een tuchtmeester. De apostel zegt: , , De wet kwam in". Dat is een gebeurtenis in het leven van de uitverkorene als de wet inkomt. Doet God dit bij alle mensen ? Neen, zegt de Heilige Schrift. Alleen die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij geroepen. Waarom niet bij allen ? Dat weten wij niet. God heeft Zijn volk uitverkoren , , naar het vrije welbehagen van Zijn wil". Is dit willekeur ? Neen, bij God is geen willekeur. Hij heeft voor alles. Zijn goede, wijze en rechtvaardige redenen. Maar die zijn ons onbekend. De Heere kiest, dien Hij wil en laat liggen, dien Hij wil. Dat kiezen is niet gegrond in iets van de mens. Vandaar nog eens de uitdrukking , , louter uit genade". Dus zo staat het. Uit ons komt niemand. Al zouden alle predikers 1000 jaar achtereen voor dezelfde man preken, hij zou er niet door bewogen worden. Maar God heeft een grote Raad. Daarin is besloten om een volk tot eer van God te zaligen. Dat volk heeft God bij name zich voorgesteld en deze uitverkiezing beslist. Daar zal .er niet éen achterblijven al spartelt deze of gene nog zo tegen. De Heere maakt al Zijn uitverkorenen gewillig. Ik zou wel eens willen weten waarom sommige dominees en professoren en ouderlingen, die toch de Schrift behoren te kennen, zo tegen de leer der uitverkiezing zijn. Het is de enige troost voor een arm zondaar, dat er eeuwige liefde Gods is voor ellendigen, armen, blinden, naakten en dat de Heere zulken zaligt en zeker binnen in de stad der heerlijkheid brengt. Hoe moet er anders ooit één komen ? Daar kan toch zeker niet één professor zalig worden, tenzij God hem in het hart grijpt en anders blijft hij toch zeker, met al zijn theologie en zijn dikke boeken een vijand van God. De mens doet toch zeker niets dan tegenwerken, al is het een dominee, die alle avonden in een week preekt. Ja maar, dat maakt God uit, wie zijn vijandschap en tegenstand zal opgeven en de mens niet. Ge hebt gelijk : God verkiest uit Zijn vijanden, wie Hij vrij zal maken van de macht van satan. En zult u als God zijn en zelf kiezen ? Het is beter, dat ge de Heere te voet valt en om genade bidt.
Nog twee belangrijke vragen bleven liggen. Is de uitverkiezing tot zaligheid of tot dienst ? Wat betekent: uitverkoren in Christus ? Tot de volgende keer, zo God wil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's