DE VERZOENENDE GOD II
Vader, Zoon en Heilige Geest geen Personen, maar zijnswijzen, zo hebben wij van Barth vernomen.
Dan — als dat zo is — en God openbaart Zich alleen in en door de Heere Jezus Christus, zoals Barth aanneemt, dan kunnen wij slechts één zijnswijze van God kennen, n.l. die van het Woord of de Zoon, en dan nog wel in het vlees.
Dat moet de onmiddellijke consequentie wezen van het standpunt van Barth, Om de zijnswijze des Vaders te kennen, zou God Zich in deze zijnswijze moeten openbaren. Evenzeer is dat zo ten aanzien van de Heilige Geest. Om gekend te worden, zou Hij Zich ook in Zijn zijnswijze moeten openbaren. Doch God openbaart Zich volgens Barth alleen in en door Jezus Christus, zodat Hij alleen in deze zijnswijze gekend kan worden.
Zelfs moeten wij ons afvragen, of men in dit geval eigenlijk niet zou moeten zeggen : dat God alleen gekend wordt in de menselijke zijnswijze van het vlees geworden Woord. En het heeft er waarlijk veel van, dat zulks in de beschouwing van Barth ook zo is.
Bij wie onze redenering vanuit Barth's voorstellingen heeft gevolgd, moet de vraag rijzen : Hoe kan Barth dan weten van drie goddelijke , , zijns wijzen" : Vader, Zoon en Heilige Geest ?
Hij zou toch slechts van de zijnswijze des Zoons kunnen weten.
Welbeschouwd, nog niet eens. Indien wij God alleen kenden in de zijnswijze des Zoons, zouden wij ook van deze zijnswijze niet spreken, omdat er geen onderscheiding zou zijn.
Het moet ons derhalve bevreemden, dat Barth nochtans van drie zijnswijzen spreekt. Wat kan hij eigenlijk van de Vader en van de Heilige Geest weten ? Ja, zegt iemand, maar Christus spreekt toch over Zijn Vader en ook over de Heilige Geest.
Volkomen juist.
Daarmede kennen wij echter God niet in de , , zijnswijze" des Vaders. Men kan toch niet aannemen, dat voor Barth de zijnswijzen van de Vader en van de Zoon gelijk zijn. Dan zou heel het begrip zijnswijze niets meer betekenen.
En nóg eens, het is zeer de vraag, of er in de grond der zaak nog wel sprake kan zijn van enige goddelijke zijnswijize, en of het openbaringsbegrip van Barth niet moet insluiten, dat wij God alleen kennen in de zijnswijze van het vleesgeworden Woord — d.i. in een menselijke zijnswijze.
Hoe Barth dan toch over de Drieëenheid schrijft, en kritiek oefent op de algemene leer der Kerk, welke belijdt een Drieënig God : Vader, Zoon en Heilige Geest ?
Omdat Barth put uit de schatten, welke de Kerk door de eeuwen heen heeft voortgebracht, als zij in de strijd met allerlei geesten zich bezonnen heeft over de Godsopenbaring, waaruit zij leefde en over het geloof, waarin zij de goddelijke waarheid des Woords beleefde.
In die strijd ontstonden de belijdenisgeschriften der Kerk en werd haar theologie geboren. De theologie komt uit de Kerk op en men kan aan de Kerk geen theologie opleggen, zoals sommigen schijnen te geloven. Echte theologie is kerkelijke theologie, omdat zij uit de Kerk opkomt.
Daarom — aangezien Barth op zulke fundamentele stukken, als de Drieëenheid, de verkiezing, de zonde, de verzoening en zoveel meer van de traditionele kerkelijke theologie afwijkt, gelijk hij welbewust doet, staat het derhalve zó : Als Barth gelijk heeft, heeft de Kerk der eeuwen zich vergist, en als deze gelijk heeft, is Barth in het ongelijk.
Barth zou van , , zijnswijzen" van Vader, Zoon en Heilige Geest nooit gesproken hebben, als hij de , , Personen" in de belijdenis der Kerk niet had gevonden.
Behalve overwegingen van wijsgerige aard, die Barth tot zijn kritiek uitdrijven, staat ook een andere Schriftbeschouwing tussen Barth en de kerkelijke traditie.
Om nog eens terug te komen op de zo sprekende, reeds vroeger aangehaalde tekst: , , De Heilige Geest, welke de Vader zenden zal in Mijn Naam", etc, en een andere: deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde, in welke Ik Mijn welbehagen heb. (Matth. 3 vs. 17). Dat alles is zo persoonlijk en kan niet worden omgezet in zijnswijzen.
Wie de Heilige Schrift als Gods Woord ontvangt, zoals Calvijn ergens zegt : , , evenalsof de levende stemmen Gods uit de hemel gehoord werden", m.a w. als men geloven mag, dat God zo gesproken heeft, dan kan men niet aan zijnswijzen denken.
En dat zijn waarlijk niet de enige teksten, maar de werkingen van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest worden ons in de Schrift altijd persoonlijk voorgesteld.
Enige bladzijden verder (K. D, IV, blz. 227), schrijft Barth de Zoon op aarde, alsof dat zo heel eenvoudig ware, een menselijke persoonlijkheid toe. Het is wel mogelijk, dat hij zulks doet onder de drang van getuigenissen, als zoeven genoemd.
Intussen is dit een merkwaardig vreemde structuur. Volgens deze voorstelling zou men Christus, het vleesgeworden Woord, moeten zien als een goddelijke zijnswijze (verhuld achter een menselijke zijnswijze) — met een menselijke persoonlijkheid.
Precies andersoim als de Kerk der eeuwen belijdt: De tweede Persoon van het goddelijk Wezen, een goddelijk Persoon, die de menselijke natuur aannam. Men zou kunnen zeggen : een goddelijke Persoon in een menselijke zijnswijze !
Dat is nog al een belangrijk onderscheid.
De vraag rijst thans, hoe men dat moet voorstellen in verband met de Godsbeschouwing van Barth : Eén goddelij Ik in drie zijnswijzen: Vader, Zoon en Heilige Geest ?
Dat goddelijke Ik handelt volgens deze visie in en achter de drie , , zijnswijizen", alzo ook in de zijnswijze des Woords, welke op zich zelf, als zodanig geen Ik is. Het vleesgeworden Woord verschijnt dan in menselijke zijnswijze. {de goddelijke zijnswijze is verborgen) — en heeft in deze zijnswijze een menselijk ik
God , , waarachtig en geheel" in de mens Jezus Christus, zo hébben wij van Barth gehoord.
Welk Ik spreekt en handelt nu in Jezus Christus ?
Het goddelijke heeft Barth met nadruk gezegd.
Welnu : Twee vragen.
Is dan niet het éne handelende goddelijke Ik ook het éne lijdende en stervende Ik in de mens Jezus Christus?
Zo ja, dan hebben zij toch wel enig recht, die zeggen, dat in deze constructies de Vader lijdt.
Men moet alleen iets nauwkeuriger zijn en zeggen, dat in zulk een voorstelling de conclusie voor de hand ligt, dat Vader, Zoon en Heilige Geest in het gemeenschappelijke, enige, goddelijke Ik lijden.
De andere vraag : Gaat het menselijk ik, de menselijke persoonlijkheid niet geheel verloren, wordt die althans niet geheel veronachtzaamd, en blijft er van de vleeswording wel enig ander belang over dan, dat God zich openbaart in deze bepaalde menselijke , .zijnswijze", die Jezus Christus wordt genoemd ?
Op die wijze zou God derhalve alleen in deze menselijke zijnswijze gekend worden.
Waar moeten wij dan heen met de uitspraak van Christus; God is Geest, en die Hem aanbidden, aanbidden Hem in Geest en waarheid.
Hoe dan de belijdenis van Petrus te verstaan in Christus' woord : Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, doch Mijn Vader, die in de hemel is. (Matth. 16 VS. 17).
Nog moet er de aandacht op worden gevestigd, dat Barth niet alleen een menselijke persoonlijkheid aan het vleesgeworden Woord toeschrijft, maar hij voegt er aan toe, dat Jezus Christus in Zijn menselijke persoonlijkheid het Rijk Gods is en dat het Rijk Gods vlees is geworden.
Het Rijk Gods vlees geworden — deze zinsnede stelt derhalve het Woord gelijk met het Rijk Gods.
Jezus Christus het Rijk Gods !
Het , Zoonsbegrip" — Barth spreekt van een , , Zoonsbegrip" — leent er zich klaarblijkelijk toe om zonder meer met het begrip , , Rijk Gods" op één lijn gesteld te worden.
Of dat door de beugel kan?
Gij bedoelt van , .Zoonsbegrip" te spreken ?
Inderdaad uit een oogpunt van geloof en zelfs ook van theologie moet men zich stoten aan zo'n uitdrukking begrip. De Zoon is voor het geloof geen begrip, maar persoonlijke geestelijke werkelijkheid. Zo is ook het Rijk Gods maar niet een begrip.
Het ligt echter voor de hand, dat men met een begrip, zelfs aangaande de Zoon, intussen reeds tot een begrip zijnswijze omgefilosofeerd, ook wel zo kan opereren, dat het vervangen kan worden door een begrip Rijk Gods.
De Schrift leert intussen nergens, dat de Zoon het Rijk Gods is. De Koning is trouwens niet het Rijk. Deze hemelse Koning brengt echter wel de vervuUing van het Koninkrijk Gods. Barth maakt Koning én Rijk volkomen ident door te zeggen, dat het Rijk is vlees geworden.
Ook hier hebben wij van doen met een structuur van Barth, welke saamhangt met de opzet van zijn theologie. Herinneren wij ons slechts, hoe hij in Jezus Christus de verkiezende God en de verkorene mens wil zien. Schepper en schepsel, verzoenende God en verzoende mens. In dit kader schijnt het volkomen te passen in Hem tegelijk Koning en onderdaan te zien. Hij vindt in Hem de heerlijkheid van de Koning en in Zijn nederige gehoorzaamheid ziet hij de onderdaan.
Zó kan het ons toeschijnen of het enige zin had. Dit wordt echter moeilijker vol te houden naar gelang men zich rekenschap geeft van Barth's redeneringen.
Immers alle nadruk valt op het goddelijk subject van die gehoorzaamheid.
Het goddelijke Ik handelt immers in de mens Jezus Christus, n.l. het Ik van de Drieënige God, het enige goddelijke Ik. Dat volbrengt ook de gehoorzaamheid in de mens Jezus Christus.
Aan wien ? vraagt gij.
God openbaart Zich aizo in de mens Jezus Christus. Hij kan zich zodanig vernederen. Hij kan gehoorzaamheid brengen.
Maar aan wie dan ? Brengt het goddelijk Ik gehoorzaamheid aan Zichzelf ? (Godzelf aan Godzelf ?
Dat nu moet het eigenlijke, het geheel bijzondere zijn in de openbaring van de Verzoenende God.
Hoe Barth dat beredeneert, hopen wij bij een volgende gelegenheid uiteen te zetten.
Daarbij zal het blijken, dat niet alleen het Zoonsbegrip, maar ook bet Godsbegrip een rol speelt, waarbij Barth bezwaarlijk kan ontkomen aan de indruk te maken, dat de verzoening saamhangt met een conflict in God zelf, hoewel hij dit ontkent.
Overigens kan het tot een Schriftuurlijke leer der verzoening bij Barth niet komen, omdat hij de Schriftuurlijke leer van de zonde en van de val des mensen niet aanvaardt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's