KRONIEK
Een nieuw jaar — „Wachter wat is er van de nacht" — Uit twee synodezittingen — De „Oproep tot bezinning' niet ingetrokken — Opdracht gegeven aan de Raad van Kerk en Theologie — „Tractementssynode" — Over jeugdwerk en jeugddiensten — Hillegersberg en Utrecht — 2 Petrus 1, slot.
We schrijven januari 1957. Een nieuw jaar zijn wij ingetreden, maar wat is er eigenlijk nieuw van dit pasbegonnen jaar, wanneer wij het vergelijken met 1956. Niet heel veel. Wat in 1956 aan moeite en zorg en verdriet en onopgeloste problemen op ons rustte, hebben we meegedragen het nieuwe jaar in. En zo is het uitzicht der dingen triest en somber.
Natuurlijk wij hebben elkaar het goede toegewenst, van harte en welgemeend. Zoals er nationaal en internationaal met kerstmis vele boodschappen de wereld zijn ingezonden, zo hebben ook met de jaarswisseling velen op nationaal en internationaal gebied hun beschouwingen en perspectieven gehouden, , , Die Stützen der Gesellschafft", om met Ibsen te spreken, de steunpilaren der samenleving, hebben allen 't hunne gedaan om ons een riem onder het hart te steken en van het goede te gewagen. Maar er was te weinig in van wat wij lezen als antwoord, waanneer op de vraag van de psalmist „Wie zal ons het goede doen zien", hij het hoofd omhoog heft en zegt : „Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere". Zo zijn wij eigenlijk nog midden in de nacht der verschrikkingen en komt onwillekeurig de vraag van de profeet Jesaja in ons hart leven, de vraag in zoveel wereldnachten herhaald: „Wachter, wat is er van de nacht? " En het is waar — het Kerstwonder was er de bezegeling van, , , de morgenstond is gekomen", maar evenzeer geldt: , , het is nog nacht".
In het laatst van december j.l. heeft de generale synode der Ned. Herv. Kerk haar slotzitting gehouden, welke grotendeels gewijd was aan de reacties der kerk inzake de bekende , , Oproep" betreffende Nieuw-Guinea. Dr. Lekkerkerker heeft in aflevering) 4 van , , Kerk en Theologie" in zijn , , kroniek" met dankbaarheid geconstateerd, dat de Oproep tot bezinning , , wel dit goede heeft gehad, dat de , , grondvergaderingen der kerk", de classes-vergaderingen, zich meer en intenser met de zaken der kerk hebben bezig gehouden dan voorheen wel geschiedde. Inderdaad dat is een winstpunt". Voor zover wij de verslagen van de synode-zitting hebben kunnen lezen, is van die meerdere belangstelling der classes wel het een en ander ter vergadering naar voren gekomen. Daaronder moet in de eerste plaats genoemd worden het moedige voorstel van ds. Smit uit Genderen, die daarin de synode wilde bewegen, om haar „Oproep tot bezinning" in te trekken. Wij noemden dit een moedig voorstel, want hij kon wellicht, gehoord de besprekingen, wel verwachten dat het niet zou worden aangenomen. Het is dan ook met een overweldigende meerderheid verworpen. Slechts 5 stemmen waren er vóór. Maar ds. Smit heeft het gewaagd, desnoods alléén te staan.
De synode is dus niet geworden een , .synode van, retractationes", d.w.z. een synode, die tot, , intrekkingen" wilde komen. De uiterste concessie, die ze wilde doen, was deze, dat de ver'houding Overheid en Kerk nader zal bestudeerd worden door de raad voor , , Kerk en Theologie". Het dagblad „Trouw" heeft in één der laatste nummers van 1956 er op gezinspeeld, dat daarbij art. 36 der N.(ed.} G. B. wel een integrerend deel der besprekingen zou worden. En het deed zulks op 'n wijze, waarin de redactie wei liet doorschemeren, dat ze daar niet al te veel vertrouwen in zag. Natuurlijk ligt hierin wel een zinspeling, al werd dat met zoveel woorden niet gezegd, op de oplossing, die de synode der Geref. kerken, in 1905 in Utrecht gehouden, heeft gegeven. Maar ook in de Geref. kerken zijn er wel meerderen, die voelen dat met de schrapping van de bekende woorden, het probleem niet is opgelost.
Hoe dat ook zij, we hopen van harte dat de raad voor , , Kerk en Theologie" het probleem, gelijk de H. Schrift ons dat voorlegt, fundamenteel zal bestuderen. En wanneer men theologen die over deze materie hebben geschreven, gaat raadplegen, vergete men niet, indien ongevraagd advies geoorloofd moge zijn, het werk van dr. H. Visscher , , Artikel 36 der Ned. Geloofs Belijdenis". Het is onzes inziens nog altijd actueel. Evenals wat prof. dr. J. Severijn, over artikel 36 heeft gepubliceerd, naar wij menen in , , A.R. Staatkunde".
De. generale synode is niet ingegaan op de nadere vragen, welke het comité van bezwaarden haar heeft gesteld.
Dit is wel te betreuren. *)
Wij hadden het over de laatste zitting onzer synode in 1956. De zitting, daaraan voorafgaande, heeft grondig de zaak der predikantstractementen behandeld en deze herzien. Zelfs in die mate, dat „De Hervormde Kerk", naar Ik meen in één van haar nummers van oktober of november, een artikel gaf, waarboven het opschrift stond „Tractements-synode". In dat artikel proefde ik iets van een verontschuldiging, alsof het eigenlijk niet met de waardigheid van deze hoge vergadering zou overeenkomen, deze zeer materiële zaak zo diengaand te behandelen. Maar van excuus, ook al werd dit woord helemaal niet genoemd, behoeft hier allerminst sprake te zijn. Waarom zou een synode een zaak als 't levensonderhoud van de dienaren des Woords, waar de H. Schrift toch telkens op wijst — men denke aan de uitspraak : Die het altaar bedient, zal van het altaar leven — niet mogen behandelen? We hadden 't over Schriftuurlijke fundering van het levensonderhoud der predikanten. In 1922 heeft ds. I. Kievit in de toen door 't hoofdbestuur van de Geref. Bond ingestelde commissie van advies betreffende het reglement op de predikantstractementen, een referaat gehouden, later als brochure uitgegeven (die altijd nog lezenswaardig is) waarin hij de Schriftgegevens over wat de gemeente voor haar dienaren moet doen, opdat die zich onbezorgd aan hun ambt kunnen wijden, alsmede de gegevens dienaangaande in de D.K.O., op de hem eigen wijze in het licht heeft gesteld. Zijn pleidooi heeft bij de toenmalige leiding van de Geref. Bond niet veel weerklank gevonden. Het was de enige Schriftuurlijke oplossing van het toen ook nijpende probleem van de predikantstractementen. Sindsdien is men van synode-wege in dezelfde lijn doorgegaan en wij aanvaarden die allen en wij geven ons eigenlijk geen rekenschap, dat dit systeem meer werelds, dan kerkelijk is. We gaan allen in de lijn van wat de oude Latijnen noemden': „primum vivere, deinde phlosiphari", d.w.z. het komt er allereerst op aan, dat we leven en dan zullen wij er ons wel eens op bezinnen. Zo komen de beginselen in gedrang, tot schade van het kerkelijk leven. Dit is niet uitsluitend te wijten aan de generale synode. De kerk in haar geheel heeft hier schuld en niet het minst de Herv. Geref. groepering in haar, gelijk wij hierboven reeds hebben aangehaald. Meer zeggen wij er in dit verband niet van.
Ongeveer terzelfder tijd dat „De Hervormde Kerk" over de tractementen schreef, verschenen er in dat Gezinsblad twee artikelen, getiteld: „Herinneringen aan de eerste jeugddienst" en „De jeugddienst nu", (nr. d.d. 10-ll-'56). In het eerste gaf N. G. J. v. Schouwenburg historische herinneringen over het begin van een soort jeugddiensten in de Zuiderkerk te Amsterdam. Ze werden voornamelijk geleid door ds. L. C. Schuller tot Peursum, die daarvoor, naar het schijnt, een eigen charisma had. Ik herinner mij nog, dat van de hand van deze predikant een bundel , , jeugdpreken" verscheen, getiteld : In de Zuiderkerk. Deze historische herinnering van V. S. is op zichzelf interessant om te lezen. Het brengt weer in herinnering iets, wat men jaren geleden zelf op een afstand heeft meegemaakt. Van heel andere aard is het tweede artikel van de hand van H. A. V. Hij zegt daarin o.a., dat z.i. de jeugddiensten in veel opzichten hun tijd gehad hebben. Hij motiveert dit op de volgende gronden: , , allereerst hebben veel jeugddiensten niet meer een typisch jeugdkarakter". V. zou ze willen noemen „diensten voor iedereen". Vervolgens, omdat de dominees anders zijn gaan preken, zodat de jeugd in de gewone diensten niet meer de kost krijgt „die ze niet kan verstouwen". En in de derde plaats omdat veel meer dan vroeger de jeugd in de gewone dienst wordt ingeschakeld. De schrijver van dat artikel ziet nog wel heil in een dienst van gans andere inrichting, meer visueel, de voorganger niet in toga, het vertoonde wat toelichtend, terwijl misschien gelegenheid gegeven om vragen te stellen, soms ook de zaak zou kunnen dienen. Voor zulk een dienst is geen voorziening in , , Het Dienstboek". De bundel Psalmen en Gezangen, zoals die aan de Herv. Kerk is aangeboden, voldoet z.i. voor dergelijke diensten niet. Er zou wat anders op gevonden moeten worden. De Psalmen schijnen de jeugd, die V. op het oog heeft, helemaal niet aan te spreken. Dat is wel héél erg. Heeft daar ook niet toe meegewerkt het grote aantal aangeboden Gezangen, die ondanks hun veelheid en verscheidenheid, het bij de jeugd ook niet schijnen te doen ? Dat zal voor de commissie, die de bundel voonbereidde, wel een minder aangename ervaring zijn. Misschien is het voor haar nog een zekere troost, dat de Geref. kerken in die bundel nog wèl vinden, wat van haar gading is, want van de 30 nieuw aangeboden Gezangen aan die kerken, zijn er naar onlangs de N. R. Crt. wist te vertellen 29 ontleend aan de Herv. bundel. Het blad uitte daarover z'n blijdschap omdat daarin toch iets van een zeker eenheidsstreven tussen beide kerken zou blijken.
Ds. Visser had het in het bovenstaande artikel over een zekere onvolledigheid in het de Hervormde Kerk aangeboden Dienstboek. De vrijzinnigen in Hillegersberg zijn van eenzelfde mening. De uit hun kring benoemde ambtsdragers wilden voor hun bevestiging geen genoegen nemen met één van de daartoe dienende formulieren van het Dienstboek. De kerkeraad van Hillegersberg schijnt daarvoor begrip te hebben gehad. Hij heeft althans goedgevonden dat bedoelde ambtsdragers zouden bevestigd worden met een formulier, dat voor die plechtigheid in vrijzinnige kringen gebruikelijk is. Dat is van de kerkeraad tegenover de vrijzinnige sector in de Herv. gemeente van Hillegersberg wel heel royaal. Of dit in overeenstemming is met de kerkorde, waaronder wij sinds mei 1951 leven, schijnt mij een open vraag te zijn. Deze geste van die kerkeraad schijnt mij helemaal niet in overeenstemming met de pressie, indertijd op de Herv, Geref. predikant in Hillegersberg uitgeoefend, toen men hem wilde noodzaken in zijn diensten een bepaalde , , orde van dienst" te gebruiken. De dingen kunnen in de kerk wonderlijk gaan. Indertijd was prof. Severijn ouderling in Utrecht. Toen hij herkozen was en de wens te kennen gaf, door de predikant, in wiens wijk hij diende, bevestigd te worden, heeft de kerkeraad hem dat verzoek niet ingewilligd. Alle pogingen om herziening van dat besluit te krijgen, hebben toen gefaald. Het resultaat van alles is toen geweest dat prof. Severijn voor de herbenoeming heeft bedankt. Nu kan men zeggen : de gevallen zijn niet gelijk. Het zij zo. Dit moet toch even onderstreept, dat men in Hillegersberg welwillender tegenover de vrijzinnigen is, dan men indertijd in Utrecht tegenover de Herv. geref. was. Is hierin niet iets te zien van de mentaliteit, die in ons kerkelijk leven van vandaag meermalen aan de dag treedt ?
De aanhef van deze Kroniek was niet helemaal juist. Die had moeten luiden : Wij schrijven januari A. D. 1957. Want 1957 is ook Atmus Domini het jaar des Heeren. Juist dit geeft aan het jaar, dat wij zijn ingetreden, het nieuwe tegenover het jaar, dat is afgesloten. Wij zien dit nu nog niet, maar het nieuwe is er, want God schept altijd iets nieuws, d.w.z. iets, dat er voorheen niet was. Wat wij nu zien, dat is donkerheid, verwarring en onzekerheid. Het doet mij denken aan 2 Petr. 1 slot, waar gesproken wordt van een , , duistere plaats", d.w.z. een plaats, als in de oerwouden veel gevonden wordt, waar bomen, takken en twijgen zo ineengegroeid en samengestrengeld zijn, dat er geen licht te ontdekken is. Maar bij dit trieste gezicht is één ding verblijdend. In , , de duistere plaats", waarvan Petrus spreekt, schijnt en straalt het licht des Woords. De apostel zegt immers : „Wij hebben, het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wél, dat ge daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats".
Wij kunnen alleen getroost en gesterkt voorttrekken, als wij op dat licht des Woords acht geven. Zo zal het zijn, als door de genade des Heiligen Geestes dat Woord ons heeft, zó, dat wij in afhankelijkheid op dat' kompas voorttrekken. Dan geldt ook ons wat de Psalmist zegt: , , Mijne tijden zijn in Uwe hand".
*) De reacties op dit alles zijn niet uitgebleven. Een ervan is het bedanken van prof. Prins te Leiden als lid van < Je centrale kerkeraad der Herv. Gem. aldaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's