De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

11 minuten leestijd

Zie, Deze wordt gezet tot een val en een opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat wedersproken zal worden. Lukas 2 vers 34.

Het is merkwaardig, hoe verscheiden de uitwerking is van de zon op de voorwerpen, waarop het schijnt. Immers de zon maakt was zacht, maar tegelijk de klei hard. Het licht van de zon is weldadig voor het oog van de éen, maar verblindt het oog van de andere. Zo is. het ook met het vuur. Het verbrandt de doornen en distelen, maar loutert het goud en het zilver.

Zo is het in het bijzonder met het Evangelie van de Heere Christus, ja, met Christus Zelf. Niemand minder dan Simeon — vol van de Heilige Geest — heeft het geprofeteerd. Zie hem staan met het Kind in de armen, „God lovende". Het is te begrijpen, dat Maria en Jozef zich verwonderden over alles wat van hun Kind gezegd werd. Machtige dingen waren er door Simeon gesproken. Dit Kind was Simeons heil en zaligheid. Maar niet alleen voor hem. Immers Hij zou uitgeroepen en voor het aangezicht van alle volkeren gesteld worden. Hij zou het Licht tot verlichting van de heidenen zijn en de heerlijkheid van 's Heeren volk, Israël. Daarbij had Simeon het gezegend, d.w.z. de zegen erkend, die God in dit Kind gaf, en de zegen toegebeden.

Maar nu richt hij zich in het bijzonder tot de moeder des Heeren, tot Maria. Veel zal er in haar omgegaan zijn. Het ene onbegrijpelijke en het andere was haar over dit Kind gezegd. Het ging haar van verwondering tot verwondering. Maar dat zou zo niet blijven. Zie, zegt Simeon, Deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël, en tot een teken, dat wedersprofcen zal Worden.

Was dat nu hier de plaats om een sluier te werpen op de geloofsweelde van Maria? Gods Woord is eerlijk en waarachtig. Mensen maken hun plannen en idealen, dromen van een gouden eeuw zonder leed en moeite. Of, zij zijn één en al droefheid, wanneer de ballon van hun toekomstdromen uiteenspat. Zo is het óok met de mens in het Koninkrijk Gods. Meester, zo roept er een opgetogen uit, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat! Hoor het eerlijke antwoord : De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des Mensen heeft niets, waarop Hij het hoofd kan neerleggen.

Niemand, die pas door de Heere getrokken wordt, weet welke moeite en strijd er aan verbonden is de Heere te volgen. Alle tijdgelovigen stellen zich met Christus alleen maar voorspoed voor, en vallen af, wanneer de strijd in volle zwaarte ontbrandt. Daarvoor wil Simeon Maria bewaren. Zie, zo zegt hij. Deze wordt gezet tot een val en een opstanding van velen in Israël. Daarmee neemt hij geen woord terug van zijn lofzang van straks. Integendeel. Terwijl de Messias aan de volkeren wordt voor ogen geschilderd, terwijl Hij het Licht der wereld is, terwijl Hij de heerlijkheid van Zijn volk Israël is, is Hij gezet tot een val en een opstanding en tot een teken, dat wedersproken zal worden.

Hij zal dus niet alleen een Licht en een Heerlijkheid zijn, wanneer Hij in majesteit voor aller oog wordt geopenbaard, maar ook onderweg, nu Hij zich in weerloze gestalte door de eeuwen heen beweegt naar Zijn toekomst. God heeft Zijn eniggeboren Kind uitgeleverd aan een wereld en een kerk, die Hem niet vol van vreugde begroeten, maar met alle macht tegenspreken. Zo in zijn uiterste weerloosheid, in zijn ontdaan zijn van elke vorm van heerlijkheid, ligt het Kind in de armen van Simeon, gaat het straks zijn weg als Kind, als jongeling, als man. Hij is niet gekomen om te strijden, maar om te lijden ; Hij is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen; Hij is niet gekomen om de vrede te brengen, maar het zwaard, ja, om vuur op de aarde te werpen. Hij is niet gekomen om de mensen naar de ogen te zien, maar om straks te zien op de wil van Zijn Vader. Hij sprak niet Zijn Woord, maar het Woord, dat Hij van de Vader gehoord had. Iedereen kwam Hem tegen, iedereen sprak Hem tegen, iedereen liep over Hem heen. Maar pas op. Hij laat wél iedereen over zich heenlopen, maar Hij blijft liggen. Hij laat wel toe dat ieder Hem tegenstaat, maar Hij blijft staan, waar Hij staat. Daartoe is Hij van God gezet. Achter deze ontluisterde Mens staat Gods Raad en het is Gods daad Hem zo te stellen, als Hij staat!

Hoor wat de Heere zegt: Zie, let daarop. Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, voor degenen, n.l. die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. Ieder, die op deze steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.

Niet alleen Simeon zegt het. De Heere zegt het ook Zelf. Hoor maar: Dit is het oordeel, dit is de crisis, dat het Licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.

Zie, hoe trouw Simeon Maria onderwijst. Hij wil haar wapenen tegen de grote verzoekingen en aanvechtingen, die aanstaande zijn. Immers het volk zou Hem verwerpen. Zo is het nóg. Nooit komt het zover, dat het grootste deel van de mensen Christus navolgt. Ja, in Israël zal Hij door de meesten verworpen worden.

Is het heden anders ? De leiders van het volk waren zijn meest verbitterde tegenstanders, de geestelijke leiders van die dagen waren schier alle blind en meenden te zien. Zo gaat Christus nog vaak als een Onbekende door kerk en wereld. Maar, zegt ge, is dan de verschijning van Christus niet om te redden ? Lezen wij niet, dat de Zoon des mensen niet is gekomen om de zielen der mensen te verderven, maar om ze te behouden? Jawel, dat hebt ge goed gelezen. Maar vanwaar is Hij dan tot een val ? Hebt gij wel eens gelezen Genesis 3 ? Het staat vóór in uw bijbel. Daar staat, dat wij gevallen zijn, helemaal van God afgevallen. Dat was geen ongeluk, maar een misdaad. Dat was niet gedwongen, maar vrijwillig. Dat was njet als bij verrassing of overmeestering, maar moedwillig. Vanaf die tijd zijn wij een en al vlees, verkeerd en verdraaid, helemaal van God af. Maar zie, nu is het Woord vlees geworden, het Kind in Simeons armen. Dat spreekt, dat Hij alleen Gods wil vervult en gaat helemaal in onze plaats staan. Hij vertolkt de uiterste armoede en veroordeelt in Zijn leven uw en mijn bestaan. Zijn prediking is er een van zelfverloochening, van een ingaan door de enge poort, van bespotting, hoon en vervolging, van een afhouwen van hand en voeten, van een uittrekken van ogen, van een verachten van de wereld en haar begeerlijkheden, van een niet zoeken van de eer van de mensen van een volmaakte liefde tot de naaste. Hij veroordeelt al uw lopen en drijven en zegt: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke. Hij veroordeelt alle eigenwillige godsdienst en zegt: Tenzij dat iemand wederomgeboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. Hij verkondigt: Zonder Mij kunt gij niets doen. Hij wil, dat wij in volstrekte zelfverloochening de onderste weg gaan, ontneemt ons alle eer en verwijst ons alleen naar een verkie- !zende God, naar een verzoenende Christus en naar een wederbarende Heilige Geest.

Verstaat gij dat?

Hij doet daar niets af!

Stel u voor, lezer(es), dat ge van de armsten der armen afstamt, ge loopt in vodden rond. Maar op een bepaalde dag hebt ge andere kleding gestolen. Wat gebeurt ? Ge ontmoet een familielid, in dezelfde lompen. Wat doet ge? Of u schamen over uw diefstal, óf met een afgewende blik langs hem heen lopen.

Zie, nu draagt Christus uw gewaad. Hij legde er Zijn heerlijkheid voor af! Hij was rijk en werd arm. Herkent ge Hem ? En herkent ge uzelf ?

In dit Zijn Woord staat Hij voor u. Hij komt zo op u af. Zijt ge voor Hem gevallen of óver Hem gevallen ? Een tussenweg is er niet. Ge hebt tot nu toe misschien een ingebeelde God gehad, een zelf uitgedachte Christus. Ge wilt zalig worden, maar : naar uw eigen inzicht of manier van denken; maar ge wilt niet uzelf en al het zichtbare loslaten. Een mens - wil liever omkomen zonder gerechtigheid, dan dat hij zou leven door het geloof.

Zijt ge er ooit door neergeworpen? Want denk er wèl aan : Christus blijft staan, waar Hij staat. Zijt ge ooit ontdekt aan de ontzettende tegenspraak van uw hart ? Bij nadere kennismaking met God en uzelf blijft er van uw gewilligheid niets, maar van des Heeren gewilligheid alles over.

Nu één van tweeën : óf ge rechtvaardigt God en valt als een schuldige aan Zijn voeten, óf ge valt eeuwig over deze Christus. Zo ge valt over deze Christus, zult ge eeuwig vallen in de onpeilbare diepten van de toom Gods.

Daarin heeft de Heere geen lust. Integendeel. Maar denk niet, dat ge in uw Christus versmading Gods Raad overhoop werpt, denk niet, dat ge de komst van Christus in de war stuurt, want Christus is daartoe gezet. Gode zij dank, zegt Paulus, die ons ten allen tijde doet triomferen in Christus, in degenen, die zalig worden en in degenen, die verloren gaan : dezen wel een reuk des doods ten dode; maar genen een reuk des levens ten leven.

De Raad Gods is zó hoog, dat de meest ontzettende uitbraak van de hel bij het kruis er toch niet bij kon. En die Raad zal zo hoog blijven, ook in onze tijd, dat de Heere bij nette en goddeloze verachting van Zijn Zoon zal zeggen : Deze is gezet tot een val en een opstanding van velen in Israël.

Maar, zegt ge : hoe is Hij dan tot opstanding ? Dat is de blijmare van het Evangelie. Blijft Christus onwrikbaar staan voor hen, die lopen, evenzeer is het waar, dat Christus zich neerbuigt over allen, die gevallen zijn. Immers, wat opstaat, ligt eerst terneer.

De geschiedenis verhaalt dat Napoleon, na afloop van een veldslag, het slagveld over liep temidden, doden, gewonden en stervenden. Als een magneet trok hij de ogen van die stervende stakkerds naar zich toe. Maar hij kon ze niet helpen.

Maar Christus wèl. Hij gaat langs de gevallenen, die neergeworpen zijn in hun strijd en vijandschap tegen God. Zij zijn gewond op het slagveld van het Evangelie en houden die dodelijke wond hun leven lang. Zie : tot een opstanding.

Let daarop. Hij zegt het ook in de stervende wereld van 1957 : Ik ben de Opstanding en het Leven, die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven. En een iegelijk, die leeft en in Mij gelooft, die zal niet sterven in der eeuwigheid. Christus haalt op uit de oorden des doods, redt van de afgrond van de verlorenheid en verlost van de vloek van de Wet, door die Zelf te dragen. Hij verwerft deze weldaden niet alleen, maar Hij past ze ook toe. Dit is nu genade, vrije genade, souvereine genade! Neen, de schuld ligt niet bij Hem, maar bij óns. Zie, nu gaat Hij uit. Niets staat Hem in de weg. Hij gaat door alles heen, Hij gaat verloren schapen zoeken. Hij vergadert ze.

Hoor, Hij roept ook nu : Hierheen tot Mij, allen die vermoeid en beladen zijt en Ik zal u rust geven. O, wantrouw Hem niet. Hij is er toe gezet van de Vader. Ja, zegt ge, maar die tegenspraak dan in mijn hart ? Ja, dat is waar! Die is ontzettend, nooit God te vertrouwen op Zijn Woord en toezegging ! Maar let er goed op, dat Hij eruit laat komen, wat er in zit. Hij betoont Zijn liefde aan vijanden, aan goddelozen. Niet uw gedachten over Christus deugen, maar Zijn gedachten over u zijn beslissend.

Wie God vreest, is de grootste der zondaren. Die liefde kan u hier op ditzelfde moment te sterk worden. De Heere overwint ons in Zijn liefde. Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat wij leven zouden door Hem. De Vader toont Hem uit het Evangelie. Zie, Hij is in het vlees gekomen. Hij heeft alles hersteld. Zie op Hem en wordt behouden. Ik ben de Opstanding en het Leven. Dat is Hij en dat blijft Hij. Paulus verlangde zeer Hem te kennen in de kracht van Zijn opstanding of hij enigszins mocht komen tot de wederopstanding der doden. En zo wordt het waar en zo alleen, wat Simeon zong : een Licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's