De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE VERZOENENDE GOD III

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VERZOENENDE GOD III

10 minuten leestijd

Naar aanleiding van Barth's uiteenzetting over, wat hij noemt, de zijnswijzen van God, hebben wij reeds opgemerkt, dat dit alles de indruk maakt, alsof hij eigenlijk van mening is, dat wij God alleen kennen in de menselijke zijnswijze, die Hij in de Zoon als het vleesgeworden Woord heeft aangenomen. In ieder geval geeft zijn redenering aanleiding tot zulke gedachten.

Nu zal er wel geen Christgelovige mens zijn, die niet erkent, dat de Heere God in de Heere Jezus Christus, die ons in de Evangeliën wordt voorgesteld, zeer dicht nabij is gekomen en onze zwakheid daarin te hulp komt, dat wij de hogen en verheven God, die een ontoegankelijk licht bewoont, in die nederige gestalte van de mensheid des Zoons mogen naderen.

De Christus zelf zegt: die Mij gezien heeft, heeft, heeft de Vader gezien. Daaruit mogen wij dus verstaan, dat de Heere Zich in deze Christus, d.w.z. in het vleesgeworden Woord openbaart.

Wij kunnen daarom met Barth meegaan, als hij zegt, dat God Zich in Christus openbaar't, maar wij kunnen niet met hem instemmen, dat het vleesgeworden Woord de enige Godsopenbaring is.

Dat gaat tegen de Schrift (en ook tegen de belijdenis) in, die ons leert, dat de Heere God voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken heeft. (Hebr. 1:1).

Doch ook de aanblik van de menselijke gestalte van het vleesgeworden Woord, doet Hem nog niet kennen als de Zoon van de levende God en de Christus. Men kan in de profeet van Nazareth zonder meer nog geen , , menselijke" zijnswijze van God ontdekken, omdat het aanzien der oogen nog geen Godsopenbaring is.

Hier hebben wij geen andere uitspraak nodig dan die van de Christus zelf, als Hij gevraagd heeft aan Zijn discipelen : , , Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben ? "

In de eerste plaats bewijst het antwoord op deze vraag de waarheid van het door ons gestelde, aangezien de mensen verschillende antwoorden geven, maar niet het enige juiste.

En dan de vraag aan de discipelen : , , Wie zegt gij, dat Ik ben" en het antwoord van Petrus : , , Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God". (Matth. 16 : 13 V.V.).

Wat zegt de Christus dan?

, , Vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is". (Matth. 16 : 18).

Ziedaar de daad van de Zich openbarende God, die de Christus in Zijn menselijke gestalte doet kennen als de Zoon van de levende God.

Wat dan ook de bedoeling van Barth moge zijn, zoveel is wel duidelijk door deze woorden, dat van een menselijke , , zijnswijze Gods" geen sprake kan zijn. Als het Woord is vleesgeworden, is dat wel een ingegaan zijn in onze mense'ijke zijnswijze (we hebben geen andere dan een menselijke zijnswijze), maar daarmede wordt deze , , menselijke" zijnswijze geen goddelijke, geen zijnswijze van God als behorende tot Zijn Wezen.

Of Barth dat dan beweert ?

Dat is de vraag, die ons nu moet bezighouden.

Wij hebben dergelijke situaties reeds meer ontmoet en gij ontmoet die in Barth's dogmatiek telkens weer.

En als gij antwoordt: ja, dat beweert Barth, en citeert, wat uw standpunt klaar en duidelijk schijnt te bevestigen — denk aan de leer der verkiezing, aan de modale structuur van de Triniteit — dan is het niet moeilijk om enige plaats te ontdekken, waar Barth u tegenkomt met zijn neen.

Dat zal wellicht in het onderhavig geval ook zo zijn en daarom houden wij ons maar aan de duidelijke uitspraak der Heilige Schrift.

Zonder beding doet Barth beweringen, die opkomen uit veronderstellingen omtrent het Wezen Gods, die de conclusie rechtvaardigen, dat volgens hem van een menselijke zijnswijze Gods kan gesproken worden.

Wij kunnen dit punt het best benaderen vanuit Barih's beschouwing omtrent de vleeswording des Woords, in verband met de vraag naar de mogelijkheid der vleeswording van Godswege. (Vgl. K. D. IV, I, blz. 200).

Dat is dus een andere vraag dan : „Waarom werd God mens ? " Waarom was dat nodig ? De zoëven gestelde gaat aan deze laatste vraag volgens Barth vooraf.

Moet men de vleeswording des Woords, het menszijn van God, nemen als een absolute paradox ? God is geen schepsel, geen mens en hoe kan Hij dan mens worden zonder Zijn Godheid te verloochenen, zonder derhalve met Zichzelf, met Zijn , , aard en natuur" in strijd te komen, zonder tegenover Zichzelf te komen staan, zich in de tegenstrijdigheid te zetten, waarin de mens zich tegen God bevindt?

De Alomtegenwoordige, almachtige, eeuwige heerlijke God, de onbetwistbaar heilige God der gerechtigheid, zou tegelijk de geheel andere zijn, niet alomtegenwoordig, niet eeuwig, maar aan tijd en plaats gebonden, niet almachtig, maar onmachtig, niet heerlijk, maar gering, en , , ook in Zijn heiligheid en gerechtigheid radicaal en totaal twijfelachtig".

De vleeswording zou dan in de korte formule kunnen worden uitgedrukt : „God tegen God". (Vgl. K. D. IV, I, blz. 201).

Barth heeft het zo wel heel scherp gesteld, al te scherp en overdreven, want zo is het nog door niemand bij mijn weten gesteld.

Het is waar, dat de door Barth aan de orde gestelde vraag naar de mogelijkheid der vleeswording van God uit, daardoor heel duidelijk op de voorgrond wordt gebracht.

De voorstelling, hier gegeven, gaat naar 't absurde. God wordt mens, wordt schepsel, dat is geheel anders dan God zelf, de eeuwige God, zet zich in de afhankelijkheid en beperktheid van het schepsel, gebonden aan ruimte en tijd. Hij verloochent Zijn Godheid. Eigenlijk moest het nog sterker uitgedrukt: Hij geeft Zijn Godheid prijs, om mens te worden, mens in zijn conflict met God, zodat God in de vleeswording met Zich­ zelf in conflict, ja tegen Zichzelf zou staan.

Het absurde van deze geprononceerde en overdreven voorstelling kan in het oog springen, als wij er op wijzen dat er bij zulk een vleeswording geen God meer zou zijn. God zou niet meer God zijn.

En hoe Hij dan schepsel kon zijn, en hoe de wereld zonder de alomtegenwoordige kracht Gods nog in stand zou blijven, kan eigenlijk geen vraag meer zijn.

Zulk een wijze van vleeswording zou het einde van God en de wereld betekenen en ook van een conflict God tegen God kon geen sprake zijn.

Wij willen dus maar onderstellen, dat Barth deze overdreven voorstelling te boek heeft gesteld om zijn vraag naar de mogelijkheid der vleeswording van Godswege te rechtvaardigen en zijn lezers daarbij te bepalen.

Het kernpunt ligt derhalve hierin, dat God in de vleeswording is geworden wat Hij niet was, n.l. de mens, en dat Hij is gebleven, wat Hij was, n.l. God.

Hoe dat bij God mogelijk was, mens worden en God blijven, ziedaar wat Barth in dit verband bezig houdt.

Iemand merkt op, dat het geloof in de Christus der Schriften geen behoefte heeft aan dergelijke vragen, die in de verborgenheid Gods willen indringen. Hoe zal ook een mens de mogelijkheden Gods bevroeden?

Uitstekend, dat zijn we met u eens, en wij zien zulke vragen ook niet als opgekomen uit de drang des geloofs, maar veeleer uit hoofd van een soort apostolaat, dat zich richt tot degenen, die aanstoot nemen aan de dogmatische voorstellingen — al of niet zuiver gesteld en verstaan — der traditie.

Deze onderstelling bedoelt echter noch een rechtvaardiging van de vraag, noch van de , .theologische" behandeling van de vraag te zijn, waarin Barth zich begeeft, en allerminst wil zij de nuttigheid van een en ander bepleiten.

Wie daarop ingaat, komt in de dwaalwegen van een nieuwe scholastiek, en wordt het pad der ware theologie bijster.

Waar Barth dan heen wil met de vraag naar de mogelijkheid der vleeswording bij God?

Naar een voorstelling, welke volgens zijn inzicht het , , God tegen God" wegneemt, m.a.w. waarbij naar zijn mening van een conflict in God geen sprake kan zijn, en waarhij God ook in de vleeswording God blijft.

Wel gaat de Zoon van God een weg in den vreemde, als Hij mens wordt, maar deze verandering, deze schepselwording, moet mogelijk zijn zonder verandering van Zijn Wezen. Hij handelt als Heer over het conflict, waarin de mens tegen God staat door zich daaraan te onderwerpen. (Vgl. K. D. IV. I, blz. 202).

Als Barth nader uiteen gaat zetten, in welke weg hij dit zoekt te verstaan, begint hij met er op te wijzen, dat de vleeswording niet met de naituur van God in strijd is. Hij wil de goddelijke natuur verstaan vanuit de Christus, het vleesgeworden Woord. Jezus Chpstus is immers de Godsopenbaring voor hem en de enige Godsopenbaring.

Zo zoekt hij het beeld van de Christus terug te werpen in de goddelijke natuur. En dan valt de nadruk op de gehoorzaamheid, die Christus gebracht heeft.

In de gehoorzaamheid schuilt het eigenlijke Middelaarswerk. Die gehoorzaamheid brengt Hij op , , goddelijke" wijze, niet als een soort van dwang, bij wijze van spreken, maar, omdat Hij niet anders kan.

Die gehoorzaamheid wordt alzo teruggebracht tot een relatie in God zelf en Barth wil niet, dat men er voor terugdeinst in God een zodanige relatie aan te nemen: in de ene God bij gelijke Godheid een en ook nog een ander, een eerste en een tweede, een in hoogheid regerende en gebiedende en een in dee-, moed gehoorzamende. De éne God is zowel deze als gene. Barth ziet hier op de door hem voorgestelde zijnswijzen in God en hoewel het vooral om de gebiedende en de gehoorzamende gaat, zoals wij begrijpen, noemt hij ook nog een derde. (K. D. IV, I, blz. 221 v.).

De schepping is volgens Barth oorspronkelijk, in het eerst, in eigenlijke zin niet het met God en tegenover God bestaande, neen, oorspronkelijk, in het eerst, in eigenlijke zin, is God dat alles Zelf. God had het andere (de andere) in Zich zelf. Barth wil niet aan twee goden gedacht hebben, geen splitsing in God, maar de ene God existeert als een eerste en als een tweede, een boven en onder, een eerder en later, zonder dat de eenheid Zijns Wezens gebroken wordt.

Terloops wijst hij op de schepping van de mens naar Gods beeld, man en vrouw schiep Hij hem, klaarblijkelijk met het oog op de twee-eenheid man en vrouw, welk beeld dan op God in zekere zin terug geworpen wordt. (Vgl. K. D. IV, I, blz. 220).

Door alzo de nederigheid en gehoorzaamheid van de Christus in het vlees te herleiden tot de goddelijke natuur, wil Barth een antwoord geven op de vraag naar de mogelijkheid der vleeswording van God uit, waarbij het conflict God tegen God, God met Zichzelf in tegenspraak en tegenstrijd, zou kunnen worden vermeden.

De menselijke gehoorzaamheid wordt goddelijke gehoorzaamheid. Barth spreekt van de , , weg van de Zoon in de vreemde", als hij op de vleeswording ziet. Dat vreemde is dan het schepsel zijn. Het heeft er echter veel van, dat hij om het goddelijke te behouden in de Middelaar, God menselijk maakt.

Dat hier nieuwe vragen rijzen, behoeft niet gezegd en dat de voorstelling van Barth de Heilige Schrift achter zich heeft, mag terecht worden betwijfeld.

Wij komen daarop nog terug.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE VERZOENENDE GOD III

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's