HERMAN WITSIUS II
Dat zeer bekende werk van Witsius : ook wel ongeveer zijn beste (De Twist des Heren met Zijn Wijngaard) is dus een werk, waarin ten strijde wordt geroepen. Is dat een voorteken en een aanduiding van het karakter van het werk van Witsius ? Men heeft soms de indruk, dat gereformeerd en strijdlustig gelijkluidend zijn en behoren te zijn. Is dat werkelijk zo ? Of staat het toch werkelijk anders ? We zouden willen antwoorden : Als gereformeerden zijn strijders voor de ere Gods, dan betekent dat, dat ze velerlei tegenstanders tegenover zich vinden en het zwaard (van de Geest!) nogal eens hebben te hanteren. Zeker zij worden gewaar, dat het Paradijs verloren is en strijd en vijandschap ons deel zijn. Maar het is toch onjuist, te menen, dat juist de gereformeerde auteurs met smaak en welgevallen deze moeilijke taak op hun schouders zouden nemen. De beste gereformeerde theologen waren de vredelievendste. Calvijn heeft zelden strijd uitgelokt, al ontweek hij ze niet, wanneer men dan bepaald niet anders wilde. Ook Voetius is helemaal niet strijdlustig van nature, hoewel de adel van zijn wachtersambt op de muren van Kerk en Theologie hem verplichtingen oplegde.
Franciscus Junius, een der sympathiekste gereformeerde theologen ten onzent schreef een boek met de veelzeggende titel: De vredelievende (paisibele) Christen. We hebben trouwens bij al de tot nu toe besproken figuren uit de Nadere Reformatie kunnen vaststellen, dat ze de troffel liever hadden dan het zwaard.
Daarin sluit Witsius zich geheel bij hen aan. We moeten hem vlak naast de genoemde Junius zetten, want ook hij is een man des vredes. Een jaar na zijn eerste werk komt een tweede uit, dat tot titel draagt Ernstige betuiginge aan de afgedwaalde kinderen der Kerke, tot wederlegginge van de gronden van J. de Labadie en de syne. (1670).
Die titel klinkt al heel anders dan de vroegere. En de inhoud is daarmee in overeenstemming. We zouden willen zeggen : de toon en inhoud van dit boek is echt pastoraal, herderlijk. Te meer te waarderen, waar Witsius pas 3 jaar pastor is. Hij moet dan wel een uitblinker zijn geweest.
Het onderwerp van dit boek is ons, na wat we bij diverse gelegenheden daarvan hebben moeten mededelen, niet meer zo onbekend. Het gaat over De Labadie, de separatist, de man die zich afscheidt van een Kerk, die hij een dode hoop en een knekelhuis vindt en die anderen opwekt, om hetzelfde te doen.
Evengoed als Koelman en Van Lodenstein en straks W. á Brakel, is ook Witsius vanzelfsprekend onder de indruk gekomen van dat program van Jean de Labadie. Noord-Holland mocht dan toen nog rechtzinnig zijn : daarmee was blijkbaar nog maar weinig gezegd. We moeten dan ook aannemen dat ook in zijn kring mensen waren die zich bedroefden en ergerden over de bloei van Babylon, midden in wat Sion genaamd wordt, en zo gemakkelijk in Labadistisch vaarwater verzeilden.
Witsius heeft dat ervaren en begrepen en toch niet goedgekeurd, vandaar die Ernstige betuiginge, die hij samen met een collega schrijft. Dat laatste is ook nog een fijn trekje: dat is vrij schaars, dat twee collega's (predikanten !) samen ergens de schouder onder zetten. Kribbige bijterij en zielige jalouzie is algemener. Witsius geeft daarin een lichtend voorbeeld, waarvan de navolging alleen zegenrijk kan heten.
Dan komen we tot een derde, groter, ook wel rijper, dogmatisch werk, dat ook wel Witsius' hoofdwerk moet heten. Het heeft een nogal uitvoerige latijnse titel, maar in vertaling heet het: Van de Verbonden Gods.
Vermoedelijk zegt menige lezer (es) : Dat riekt naar Coccejus ! Dat is in dit geval stellig waar, maar het zou ook wel heel anders kunnen zijn. Het is n.l. helemaal niet zó, dat Coccejus de Verbondstheologie of zelf het Verbond zou hebben ontdekt en naar voren gebracht, al denken dat sommigen blijkbaar. We staan hier bij een vrij teer punt, waarbij we maar zullen beginnen met te betuigen, dat de gereformeerden, bijzonder wij, hervormd-gereformeerden, hier helemaal geen stof tot roemen hebben. Het is zeker waar, dat bij Coccejus en bij zijn volgers het Verbond op de voorgrond is gekomen, op een wijze, die naar het gevoelen der gereformeerden op een onbijbelse beschouwing en praktijk uitliep. Het is goed en nodig, dat wij ons daarbij aansluiten, wanneer we maar niet het misbruik en het gebruik gelijkstellen en zo het kind met het badwater wegwerpen. Als er één stuk der Waarheid en der belijdenis onder ons tekort komt, dan zeker wel het Verbond. En we zetten ons dan licht met enig gemak en ook met veel reden af tegen de theologie van dr. Kuyper, die het Verbond, haast op „Coccejaanse" (toch wel anders !) manier ook zo overspannen heeft. Maar het is toch maar zó, dat Kuyper hier een zuiver bijbels en daarom gereformeerd leerstuk: (levensstuk) a. h. w. herontdekte, al heeft hij het, dunkt ons, helaas, zo ongezond en ongewenst ontwikkeld. Maar Kuyper kon doen, wat ook Coccejus niet verzuimde, n.l. wijzen op een „wolk van getuigen", van gereformeerde theologen, die vóór hem het Verbond hadden vooropgesteld. En ze konden beiden evengoed aanwijzen, hoe volop en diep bijbels het Verbond is.
Uit protest en reactie, eerst tegen Coccejus en daarna nog eens tegen Kuyper, is in de Gereformeerde Gezindte het Verbond Gods doorgaans buiten z'n baan geraakt, zodat het zijn heilzame invloed maar zo weinig heeft kunnen uitoefenen. Als wij in onze gemeenten zo tobben met b.v. het doen van belijdenis, met Heilige Doop en Heilig Avondmaal, dan staat daarachter onder andere onzekerheid, over, uitlopend op een zeer weinig gereformeerd-bijbelse Verbondsbeschouwing.
We zeggen met nadruk : onder anderen, want ook andere factoren werken hier mee. Een verwaterde Kerk, moet, ook bij een zuiverste Verbondsbeschouwing, zeer ernstige moeilijkheden inzake die genoemde pimten opleveren.
Maar dan zal het des te méér zaak zijn, dat wij in dezen naar de Schriftuurlijke en zo naar de gezond-gereformeerde Verbondsprediking vragen, opdat wij, bij alle nadruk op het zeer persoonlijke, „bevindelijke" van heil en geloof, niet belanden bij de vrome enkeling, maar vast te houden, dat dit zeer persoonlijke en intiem-geestelijke zich naar Gods wil voltrekt binnen de kring van Verbond en Kerk, die het dus mede bepalen en vullen.
In de Schrift en bij de klassieke gereformeerden zijn Verbond en Verkiezing geen tegenstelling, al staan ze in een bepaalde spanning, die dan ook blijven moet. In onze kring echter zijn ze al te veel tot tegenstelling gemaakt, zodat, uit reactie tegen elkaar, onder ons tweespalt dreigde, door eenzijdige Verbondsprediking uit te spelen tegen even eenzijdige Verkiezingsprediking. Wij hebben de hoop, die tevens een bede is, dat onze Gereformeerde Bond bezig is, deze tweespalt te overwinnen en het Verbond Gods zuiverder stelt dan in een vroegere periode. Maar bij ons kerkvolk ligt een groot wantrouwen tegen een Verbondsprediking, zelfs al mag die bijbels heten. Naar ons inzicht zal geen predikant voor die , , gemeentetheologie" op zij moeten gaan, maar hij moet ze evenmin uitdagen en oproepen. Laat hij op catechisatie, op de gemeente-avond, op huisbezoek z'n mensen pogen voor te lichten. En laat hij ze pogen te winnen voor een gezond bijbelse, gereformeerde persoonlijke, Verbondsprediking.
En : laat hij kennis nemen van de plaats, die het Verbond had en kreeg in de ontwikkeling van het gereformeerd Protestantisme. Daarin neemt Witsius een plaats in, na hem evenzo W. á Brakel en anderen. Naast hen moeten we zeker niet vergeten de Engelse en Schotse theologen, b.v. Thomas Boston, de Erskine's en dgl.
Bij Witsius en á Brakel kunnen we opmerken, dat zij al gevoeld hebben het ongezonde, dat de Coccejanen aan het Verbond en de Voetianen aan de Verkiezing genoeg meenden te hebben. Ze hebben daarom ondernomen, dat vergeten stuk van het Verbond ook bij de Voetianen weer in eer te brengen. We bewonderen daarin hun eerlijkheid en hun moed, want het kan hen aan critici en aan afkammen niet ontbroken hebben. Ze hebben hun goede naam en rechtzinnigheid intussen gaarne in de waagschaal gezet, wetende dat men God meer moet gehoorzaam zijn dan de mensen. En met dankbaarheid stellen we vast, dat hun pogen enigermate gelukt is. Witsius schrijft als Voetiaan dat boek over de Verbonden Gods en blijft het vertrouwen van het kerkvolk houden. En W. á Brakel schrijft z'n dogmatiek, z'n Redelijke Godsdienst, waarin het Verbond zo'n grote plaats inneemt en z'n werk beleeft een kapitaal aantal drukken. We zouden moeten vragen, hoe het komt, dat ondanks deze Verbondsprediking, toch , .onze mensen" in dezen niet geleerd hebben. We hebben het al aangeroerd: het moet wel zó zijn, dat Kuyper weer heeft doen verloren gaan, wat Witsius en á Brakel moeizaam hadden gewonnen. Dat is spijtiger en schadelijker, dan met woorden te zeggen valt. Het zal dus wel weer op een nieuwe „Witsius" en een nieuwe „Brakel" wachten, om nóg een keer ongedaan te maken de ongezonde ontwikkeling van een in wezen zo gezond stuk der Waarheid. Wijlen dr. Woelderink heeft dit, dunkt ons, bedoeld, maar niet bereikt. Naar ons inzicht óók, omdat hij, fel reagerend tegen bepaalde misbruiken en misstanden in het „doperse" en , , labadistische" kamp, uitkwam in het daaraan tegengestelde. Zo deden Witsius en á Brakel niet en op zulk een wijze wordt hun arbeid ook niet nóg eens gedaan.
Witsius en á Brakel hebben er zo toe meegewerkt, dat die diepe kloof tussen Voetianen en Coccejanen is overbrugd. Dat deden ze niet door te schipperen en te plooien, maar door wat bij Coccejus waar is, ook als waarheid te erkennen en evengoed wat bij de Voetianen ontspoord is, of te ontsporen dreigt, als zodanig te signaleren.
Dat is de betekenis van Herman Witsius' Van de Verbonden, waarover we een volgend maal nog wel iets meer zullen moeten zeggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's