De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BRIEVEN AAN MIJN VRIEND TE MEERSTAD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BRIEVEN AAN MIJN VRIEND TE MEERSTAD

7 minuten leestijd

Zuidstad, 21 januari 1957.

Beste Jan,

Zoals je weet pleegt aan hoogleraren bij een jubileum wel een bundel studiën te worden opgedragen, vervaardigd door leerlingen, vrienden en collega's.

Zo is het ook geschied bij het 25-jarig jubileum als hoogleraar in de theologie van prof. dr. J. Severijn. Dit boekwerk, getiteld Waarheid, Wijsheid en Leven, werd uitgegeven bij Kok in Kampen. Er staan verschillende interessante artikelen in. Sommige zijn wat moeilijk om te lezen, andere zijn gemakkelijker te lezen. Ik ben niet van plan je hier de inhoudsopgave te geven, trouwens deze heb je reeds elders kunnen lezen. Maar ik ben bijzonder geboeid door 'n artikel van Dr. H. Jonker uit Amsterdam, omdat het zulke duidelijke lichtstralen laat vallen over enige hedendaagse stromingen. Het is niet een gemakkelijk stuk, maar ik wil toch proberen je enige delen er uit weer te geven. Dit is natuurlijk niet bestemd voor geleerde lieden, die moeten het origineel maar lezen !

De titel luidt: Existentialiteit en Objectiviteit. Dit zijn al twee vreemde woorden om van te schrikken. Het gaat hier over wijsgerig en godsdienstig denken. Het objectieve, dat is het voorwerpelijke buiten de mens, althans buiten de geest van de mens. In het woord existentieel, zit het woord existeren, dat is bestaan. Nu is er een nieuwe denkwijze, die van oordeel is, dat de mens behoort te existeren, behoort , .zichzelf" te zijn in zijn keuze en beslissing, , .zichzelf" in zijn diepste innerlijkste zekerheidsgrond. Maar voor dit , , waarachtig exsisteren", voor dit , , eigenlijk zijn des mensen", is het objectieve als een harnas, dat hem belemmert in zijn bewegingen en dat daarom dient te worden uitgetrokken. En zo verzet deze existentialistische mens zich tegen de vertechnisering en verrationalisering van het menselijk leven, daar deze de mens vernedert tot een werktuigelijk onderdeel van het geheel, hem vastprikt tot een objectief gegeven, waardoor zijn innerlijk, persoonlijk-zijn wordt aangetast. Door deze denkers wordt ook het Schrift geloof als een belemmering voor het bestaan aangemerkt. Het zou de moderne mens in een keurslijf persen, waarin hij niet meer past. Het Woord Gods, zo zegt men, is maar niet een mededeling van objectieve waarheden, noch minder geeft het een , , leer", het is een spreken Gods in een bepaald concrete situatie.

Dit vindt men ook terug in de kerkelijke praktijk, waar men zich verzet tegen de „beginselen" van het Woord Gods, waar men gaarne spreekt van , , hier en nu".

Deze vlucht voor de objectiviteit wordt ook aangetroffen o.m. in het Herderlijk Schrijven: „Christen zijn in de Nederlandsche samenleving".' Christen zijn, zo deelt dit schrijven o.m. mede, , , is in de eerste plaats een manier van , , zijn", een wijze van bestaan. Het is niet het hebben van een beschouwing over de zin van leven en wereld". Ook hier worden , , zijn" en , , het hebben van een beschouwing", het beleven en het voorwerpelijke niet alleen onderscheiden, maar op een merkwaardige wijze gescheiden. Eenzelfde scheiding werd ook eenmaal toegepast in de discussie rondom artikel X van de kerkorde. De formulering , , in gemeenschap met" werd wegens zijn , .bevindelijke" tendens verkozen boven de formulering , , in overeenstemming met", die te verstandelijk geacht werd. Combinatie van beide formuleringen werd eveneens verworpen, waardoor ook hier existentialiteit gesteld werd boven objectiviteit.

Zo staat heden ten dage de objectiviteit op het spel en met de objectiviteit de geloofsinhoud der Kerk der hervorming. Er is een stil verzet tegen al wat naar objectiviteit zweemt. Het gezag van het beleden geloof van de Kerk wordt ondermijnd. De geloofsleer weet te veel en de geloofskennis is te zeker, dan dat deze met de ongrijpbaarheid der goddelijke waarheid in overeenstemming gebracht zou worden.

Hoezeer ook de onmogelijkheid van de mens uit om de goddelijke waarheid te grijpen, moet worden erkend, dit behoeft echter helemaal niet te betekenen, dat deze menselijke onmogelijkheid God in de weg staat zich in menselijke vormen en gestalten te openbaren. Van dit feit der goddelijke openbaring in het Woord gaat de openbaringsgelovige van te voren uit zonder naar objectieve garanties te vragen, , , omdat de Heilige Geest getuigenis in onze harten geeft en de kanonieke boeken het bewijs bij zichzelf hebben, dat ze van God zijn", (art. V, N.G.B.).

De schrijver gaat nu de invloed van verschillende wijsgeren na en hun kritiek op elkaar. Hij toont daarbij aan, dat de veel gesmade objectiviteit bij al deze denkers telkens weer door een achterdeur binnenkomt. Dit is wat moeilijk om te begrijpen, maar wel kan hier van ironie der geschiedenis worden gesproken. Niet één geloof kan zich zonder geloofsinhoud handhaven. Het gaat maar niet alleen om geloven, zonder meer, maar ook om wat men gelooft. Daarom is ook de scheiding en tegenstelling tussen , , het zijn" van de christen en „het hebben van een •wereldbeschouwing" op een geforceerde en aanvechtbare wijze tot uitdrukking gebracht in het herderlijk schrijven. Het is onverantwoord, deze onderscheiding tot zulk een scheiding en tegenstelling te verdiepen. Het Christen-zijn houdt in, het hebben van een wereld- en levensbeschouwing, welke dit zijn onder de heerschappij van Christus vanuit het Evangelie van Christus ontvangt. Ook de tegenstelling tussen de formuleringen , , in gemeenschap met" en „in overeenstemming met de belijdenis der vaderen" als een tegenstelling tussen , , bevindelijk geloof" en , , intellectualisme", is op een lichtvaardige wijze onder woorden gebracht. Ongetwijfeld is er het gevaar van een intellectualistisch object!visme (verstandelijke voorwerpelijkheid), maar 't betekent allerminst dat zij, die opkomen voor de geloofsinhoud van de Gereformeerde leer der Kerk, van tevoren van intellectualisme verdacht moeten worden uit naam van een , , bevindelijke" geloofsopvatting. Levend geloof behoeft in genen dele in spanning te staan met geloofsinhoud, ja, het heeft geloofsinhoud ten zeerste nodig. De mannen der , , nadere reformatie" hebben nooit de objectieve leer der Kerk onbelangrijk geacht, hoezeer zij zich ook beijverden voor een bevindelijk geloofsleven.

De Gereformeerde bevinding en de existentialistische bevindelijkheid raken elkaar in hun gemeenschappelijk verzet tegen het intellectualisme. Toen men na de reformatorische worsteling tevreden was met de zuivere nieuwontdekte gereformeerde leer en men zo­ doende tot een gereformeerd intellectualisme verviel, waren het de mannen der nadere reformatie, die opkwamen voor de bevindelijke kennis van het hart. De Gereformeerde bevinding kent de verwondering voor het mysterie, in het bijzonder voor het heilsmysterie, zij zoekt naar de zekerheid van eigen innerlijk-zijn en erkent de noodzaak van , , beleefde" openbaringswaarheid. Het Woord Gods is alleen voor de mens waar, als het door zijn diepste existentie is heengegaan. Het gaat om innerlijke keuze en innerlijke beslissing.

Prof. A. A. van Ruler wijst op het respect, dat de reformatorische bevinding steeds getoond heeft, ook in haar geloofsleven, voor de geschiedenis. De Geest en de geschiedenis zijn zeer nauw met elkaar verbonden. De Geest doet historische daden. De bevinding is betrokken op Jezus Christus, zijn geboorte, zijn kruis, zijn lichamelijke opstanding en zijn lichamelijke tegenwoordigheid in de hemel. God handelt in de historie met de mens.

Door het historisch aspect heeft de gereformeerde bevinding de gewoonmenselijke kenacte in haar bevindelijk benaderen van de geloofswaarheid behouden tegenover die in het existentialistisch denken. De objectiviteit, door de laatste in discrediet gebracht, blijft in de Gereformeerde bevinding als geopenbaarde dingen van de openbarende God gehandhaafd.

De openbaring wordt historisch gezien. God heeft Zich aan mensen en niet aan theologen of filosofen geopenbaard. Jezus, de profeten en de apostelen, spraken op de landwegen van Jud, a en GaUlea en in de straten van Jeruzalem tot „de massa". Deze openbaring kwam in menselijke woorden, in gestalten en vormen tot ons en nam intelligibele gestalte aan. Door de goddelijke openbaring wordt het denken in dienst genomen. Niet, dat het geloof in het denken opgaat, maar wèl, dat het geloof van het denken gebruik maakt, waardoor de mogelijkheid tot dogmatische afbeid gegeven wordt. Deze objectiviteit der openbaring wordt nu in' een bevindelijk geloofsleven op geestelijke wijze verstaan.

Hiermede heb ik getracht het belangrijkste uit het artikel van dr. Jonker weer te geven. Ik heb nu helaas geen gelegenheid meer om eens enige praktische conclusies te trekken, maar dat kan misschien later wel eens.

Intussen met hartelijke groeten,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

BRIEVEN AAN MIJN VRIEND TE MEERSTAD

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's