GEHOORZAAMHEID EEN GODDELIJK WERK
In het voorafgaande hebben wij kunnen opmerken, dat Barth gehoorzaamheid als een goddelijk werk bestempelt. Gehoorzaamheid kan dus alleen door God gebracht worden en daarom moest Barth er alle nadruk op leggen, dat God Zelf in Jezus Christus de gehoorzaamheid brengt. Wat de mens Jezus Christus doet, doet God. Wij kunnen dit alles ook orthodox, of wilt gij traditioneel verstaan, maar Barth bedoelt het niet orthodox of traditioneel en wil dat ook niet.
Wij hebben immers gezien, dat volgens Barth de Zoon niet anders kan dan gehoorzaam zijn, want dat is het kenmerkende, het origineel-goddelijke van het Zoon-zijn, dat Hij is de Tweede, de Latere, de Volgende, en daarom de Volgzame , maar desondanks de gelijke van en eenswezens met de Vader.
Evenzo beweert hij, dat het kenmerkende van de Vader Is de Eerste en de Gebieder te zijn.
De Zoon heeft Zijn gehele zijn daarin, dat Hij de Gehoorzame is. Daarin juist onderscheidt Hij zich van de creaturen in de hemel en op de aarde. (K. D. IV, I, blz. 228).
Deze laatste zinsnede vraagt onze bijbijzondere aandacht. Volgens hetgeen Barth hier zegt, is gehoorzaamheid derhalve een deugd, die bij het schepsel is uitgesloten. Daarin juist, dat Hij de Gehoorzame is, onderscheidt zich de Zoon van het schepsel in de hemel en op de aarde. Het schepsel is niet gehoorzaam en kan het niet zijn. Gehoorzaamheid ontbreekt de ganse wereld en zij kan het ook niet opbrengen, , , als schepsel niet en als zondig schepsel nog minder". (K. D. IV, I, blz. 228).
Eerder hebben wij kunnen opmerken, dat Barth aan de schepping naar Gods beeld naar aanleiding van het feit, dat God man en vrouw schiep, wil ontlenen, dat in God een twee-eenheid zou worden gevonden. Het is met zulk een analogische conceptie moeilijk overeen te brengen, dat de naar Gods beeld geschapen mens ook niet in een relatie der gehoorzaamheid zou staan, terwijl Barth die in God wil onderstellen.
Barth kent echter geen zodanige relatie aan het schepsel toe, zoals men ziet. Het schepsel als zodanig kan niet gehoorzaam zijn.
In dat licht worden alle geboden Gods onrechtvaardig. Hoe kan God gehoorzaamheid eisen, als het schepsel die toch niet vermag te brengen, louter en alleen reeds niet, omdat het schepsel is?
Onze Catechismus denkt er anders over : Doet dan God de mens geen onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan ?
Neen, Hij ; want God heeft de mens alzo geschapen, dat hij dat konde doen; maar de mens heeft zich zelve en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd. (Vr. en Antw. 9).
Aan deze dingen kan men bovendien bemerken, dat Barth een opvatting heeft omtrent de eerste hoofdstukken van Genesis, welke verre afwijkt van die der Kerk. En welk een vreemde opvatting! In het éne geval bouwt hij op de schepping van man en vrouw een opvatting aangaande een twee-eenheid in God, en in het andere geval negeert hij een duidelijk getuigenis aangaande de naar Gods beeld geschapen mens, die onder de eis der gehoorzaamheid wordt gesteld en overtreedt.
Vrij van willekeur is dat niet. Daar komt bij, dat de ganse Schrift voortgaat met de mens onder de eis der gehoorzaamheid te stellen en hem aan te spreken met het gebod.
Nergens leert de Heilige Schrift een symboliek van het huwelijk als afschaduwing van een twee-eenheid in God, maar wèl wijst zij telkens weer op de symbolische betekenis van het huwelijk ten aanzien van de gemeenschap tussen Christus en Zijn gemeente.
Intussen leert Barth een schepping, die niet gehoorzamen kan, omdat het schepsel-zijn en gehoorzaamheid elkander uitsluiten. Weliswaar zegt de Schrift, dat het vlees zich der Wet Gods niet onderwerpt, en zij voegt er aan toe : en het kan ook niet. Dat geldt van het gevallen schepsel. (Rom. 8:7).
Verder vermoedt iemand, die deze dingen leest, dat het met de leer der zonde bij Barth ook wat vreemd moet toegaan. Iets hebben wij daarvan in de eerste paragrafen van deze verhandeling reeds kunnen opmerken in verband met Barth's theorie over het nietige. Ook weer zo'n punt, waarmede Barth, ik weet niet wie, wil tegemoetkomen, hoewel gans overbodig, en wat erger is, zonder enige steun in de Heilige Schrift.
Ook in dat verband heeft hij leringen over God gegeven, die wellicht de philosophen bedoelen te bestrijden, misschien ook te winnen, maar die in de Heilige Schrift tevergeefs worden gezocht.
Deze en zovele andere verschilpunten zijn echter niet zo onschuldig. Men kan maar niet zeggen ; de Kerk denkt er zó over en Barth denkt er een beetje anders over ; wij gaan over tot de orde van de dag.
Het allervoornaamste stuk van verschil tussen wat Barth als , .kerkelijke" dogmatiek presenteert, en het geloof der Kerk, ligt in het feit, dat Barth een geheel andere waardering van de Heilige Schrift heeft dan de Kerk.
Het Oude Testament is getuigenis en het Nieuwe Testament is getuigenis van nu, laten wij zeggen, van Jezus Christus. Barth werkt steeds van uit het getuigenis van de Bijbel en van de Kerk. Maar het blijft menselijk getuigenis omtrent iets, dat men openbaring noemt. Het onmiddellijke en de direkte binding worden gemist.
Daarom gaat Barth een geheel eigen weg ook in de bewijsvoering van wat hij wil bewijzen, b.v. de Godheid van Christus. Wij kunnen dat uit het onderhavige stuk van zijn dogmatiek gemakkelijk aantonen. Men leze de aangehaalde plaats in K. D. IV, I, blz. 228, en men zal de volgende redenering vinden : Christus onderscheidt zich van alle creaturen daarin, dat Hij gehoorzaam is. Het creatuur kan dat niet, dus Christus gaat het creatuur in hemel en aarde te boven.
Daarin bewijst Hij zich de Middelaar tussen God en mensen te zijn. Daarin bewijst Hij zich Gods Zoon te zijn.
Merkwaardige redenering. Eerst brengt men de gehoorzaamheid van de Heere Jezus Christus terug tot een goddelijke categorie in de , , zijnswijze" Zoon, opdat God God blijve in de vernedering.
Dan beweert men, dat het creatuur niet bij machte is gehoorzaamheid te brengen.
Daarna wijst men nogmaals op de gehoorzaamheid van Christus en concludeert daaruit, dat Hij de Zoon is.
Met de praktijk des geloofs hebben al deze redeneringen en bewijsredenen niets te maken, omdat het geloof daarbij niet leeft, maar uit de levende Godsopenbaring : , , Vlees en bloed hebben dat u niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is". (Matth. 16 : 17).
De Kerk leeft waarlijk niet uit dergelijke bewijsvoeringen, omdat zij niet uit theologische beschouwingen, maar uit het Woord leeft. Dat moest reeds lang de les zijn geweest van de negentiende eeuw. Velen zelfs, die zeggen haar te willen leren, werken echter mede om onder de naam van vernieuwing de oude firma voort te zetten.
Wij hebben gelezen, dat Barth het vleesgeworden Woord vereenzelvigt met het vleesgeworden Koninkrijk Gods en Barth wil voorts, dat wij in de nederige gehoorzaamheid van Christus een openbaring van de Koninklijke heerlijkheid Gods zien bij wijze van paradox. Waar heerschappij is, moet gehoorzaamd worden, en omgekeerd. Waar gehoorzaamheid gebracht wordt, daar is heerschappij. God zelf kan alleen zó gehoorzamen en zó heersen. En dan volgt weer: Dat de zijnswijze Zoon in Zijn gehoorzaamheid evenbeeld van God en God is, goddelijke onderschikking, zoals de Vader op Zijn wijze goddelijke bovenschikking is. (K.D. IV, 1, blz. 228). Zeg echter niet, dat Barth modalist en een verdediger van de subordinatie in God is, want dat zal hij hardnekkig ontkennen. De Zoon is met de Vader Eén en gelijk in Wezen! zal hij zeggen.
Vindt iemand dat absurd?
Het heeft er heus veel van en eerlijk gezegd houd ik mij liever bij het gelovig omhelzen der vleeswording des Woords als een ondoorgrondelijk mysterie van Gods genade, dan vrede te vinden in deze menselijke — veroorloof mij een keer — al te menselijke beschouwingen.
't. is ook inderdaad onbegrijpelijk hoe de éne goddelijke zijnswijze gehoorzaamheid brengt aan de andere goddelijke zijnswijze, terwijl èèn Ik het Ik van de beide zijnswijzen is. Welke ook is de zelfstandigheid, de handelende zelfstandigheid, van de heerschende en gebiedende zijnswijze en die van de gehoorzamende zijnswijze, het is toch èèn en hetzelfde Ik. Eén en hetzelfde Ik gebiedt.
En wien anders geldt dat gebod dan dat zelfde Ik. Zeg dan, dat het goddelijk Ik gebiedt in de gebiedende zijnswijze en gehoorzaamt in de gehoorzamende zijnswijze, het blijft toch hetzelfde Ik, dat gebiedt en zichzelf gehoorzaamt.
Wij vragen verder : Hoe kan het ene goddelijke Ik tegelijkertijd boven- en ondergeschikt zijn? Tot verschillende orden behoren ?
De zijnswijzen Gods zijn immers volgens Barth zijnswijzen van de Eenpersoonlijke God.
En om nog eens op Barths argument voor een tweeëenheid in God terug te komen zoveel het onderhavige vraagstuk aangaat: „man en vrouw schiep Hij ze", men mag man en vrouw bij tweeërlei zijnswijze vergelijken, en wanneer ze gehuwd zijn een twee-eenheid noemen, zij blijven persoonlijkheden, twee ikken. Dit nu ontzegt Barth aan de zijnswijzen.
Wij gaan maar niet verder met vragen over deze eigenaardige proeve van verklaring en houden ons aan de belijdenis van ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof. Aangezien er maar een enig Goddelijk wezen is, waarom noemt gij de Vader de Zoon en de Heilige Geest?
Omdat God zich alzo in Zijn Woord geopenbaard heeft, dat deze drie onderscheidene Personen de enige, waarachtige en eeuwige God zijn.
Wij willen ons thans niet verder aan beschouwingen over Triniteit geven en aan de eigenlijke verzoening zijn wij nog niet toegekomen.
We weten nu het antwoord van Barth op de mogelijkheid der vleeswording van God uit, van Godswege, zoals hij het stelt. *
En nu de daarop volgens hem volgende vraag : , , Waarom moest God mens worden ? "
Zoals wij weten, heeft de Schrift daarop maar één antwoord : Vanwege de zonde!
Barth komt tot de gestelde vraag op blz. 232 van het meer aangehaalde deel en laat op die vraag een ander geluid horen, zij het ook onder vermaan, dat men het niet voor louter speculatie houde.
Hij begint n.l. met te antwoorden als volgt: , , Wij geven zeker geen verkeerd antwoord, wij noemen veeleer de achtergrond, tegen welke al het verdere kan verstaan worden, als wij eerst eenvoudig herhalen: Hij wil en doet het tot verwerkelijking naar buiten en tot openbaring van de ganse innerlijke rijkdom Zijner Godheid in haar hoogte en diepte, en Hij wil en doet het bijzonder daartoe, dat de door Hem geschapen wereld in de Zoon als het Evenbeeld des Vaders haar eigen Oerbeeld in haar midden hebbe en erkenne; Hij wil en doet het derhalve terwllle van Zijn eer in de wereld, tot verwerkelijking en bekendmaking van Zijn wil, om niet zonder haar een eenzame God te zijn". (K. D. IV, I, blz. 232).
Barth gaat nog verder, maar wij maken hier even halt. Dat God al Zijn werken doet tot Zijn eer, is van ouds door de Kerk beweerd en beleden en God zelf betuigt, dat Hij Zijn eer aan geen andere zal geven. (Jes. 42 : 8, 48 : 11). Alle knie zal zich voor Hem buigen. (Rom, 14 : 11). Hij heeft een volk tot Zijn lof bereid. (Jes. 43 : 21 ; Jeremia 13 : 11).
Dit kunnen wij gemakkelijk met Barth eens zijn.
Wij twijfelen er ook niet aan, of God heeft Zijn Christus in de wereld gezonden, opdat Hij Zijn recht en Zijn genade openbaren zou en opdat Hij in beide aan Zijn eer kome.
Barth voegt hieraan nog een dubbel motief toe : n.l. dat de wereld in de Zoon als het evenbeeld des Vaders haar eigen oerbeeld in haar midden hebbe en als openbaring van Zijn wil niet zonder de wereld een eenzame God te zijn.
De Zoon wordt hier enerzijds het Evenbeeld des Vaders genoemd en anderzijds het oerbeeld der wereld. God heeft de Zoon in de wereld gezonden, omdat Hij wilde dat zij (de wereld) haar oerbeeld (de Zoon) in haar midden zou hebben en alzo erkennen.
Dat de wereld haar oerbeeld in Christus heeft, zal wel een gedachte zijn, die steunt op plaatsen als Koloss. 1 : 16 v. Daarbij hebben wij reeds vroeger stil gestaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's