HERMAN WITSIUS IV
Het boekje van Witsius, dat we verkort weergeven, heet dus eigenlijk : Practicale Godgeleerdheid. Daaronder wordt niet verstaan, wat wij tegenwoordig met practische Theologie aanduiden, want die betreft prediking, huisbezoek, enz. Kortom de ambtelijke .vakken.
In Witsius' tijd verstaat men er onder, wat wij tegenwoordig de ethiek noemen, maar dan niet zonder de thans zeer op de achtergrond geraakte , , ascetiek", d. w. z. de , , bevindelijke", „mystieke" kant ervan, laat ons zeggen: de binnenkant en de binnenkamer, die achter het openbare leven moeten staan, wanneer die niet hol zullen zijn. Witsius gaat in deze nog de weg van Voetius en de zijnen, al lijkt ons de gloed wel wat gedoofd.
Ter inleiding van zijn ethiek-ascetiek geeft Witsius dan zijn Geestelijke printen van een onwedergeborene op syn beste en een wedergeborene op syn slechtste.
We merken daaruit, hoezeer de wedergeboorte, en dan in de brede zin van de vernieuwing, zoals ze openbaar wordt, nog Witsius' hele aandacht heeft. Bovendien, dat hij van de vermogens van de wedergeboren, gelovige mens, getemperde verwachtingen heeft.
In z'n aanloop vermeldt hij de noodzaak van de christelijke praktijk, noemt verschillende beoefenaars er van, die hem de weg wezen, waaronder de Schotse schrijvers en Petrus van Mastricht (Voetius' opvolger) Theoreticopractica Theologia, verder de ons wat vertrouwde namen van Hoornbeeck en Teellinck. Hij' ziet z'n taak in vier stukken voor zich liggen. De christelijke praktijk is de plichtenleer, ze staat onder de klem van Gods eis en Wet, al ontvangt ze haar kracht uit Evangelie en Heilige Geest. Die plichten zijn viervoudig : tegenover God ; tegenover Christus ; tegenover ons zelf en tegenover onze naaste. Dat hij speciale plichten tegenover Christus kent, is iets fijns en bijzonders.
Hij begint dan met een verzuchting. Deze : dat het zo moeilijk valt, zijn geestelijke staat onderscheidenlijk te kennen. Want dan alleen kan er troost en kracht zijn, maar hoe moeilijk zijn wedergeborenen en onwedergeborenen soms te onderscheiden.
Merkwaardig, hoe we hier o.i. alweer De Labadie tegenkomen, wiens licht en schaduw geregeld over ons pad vallen. We herinneren ons, dat de Labadisten (P. YVon) beweerden, dat het onderscheid tussen door Christus vernieuwde en de nog oude mensen met zekere onfeilbaarheid is vast te stellen. Dat heeft haast de hele overige Nadere Reformatie ontkend en we hebben naar verscheidene van die stemmen al kunnen luisteren, vooral naar Saldenus. We zien hier, dat op dit punt Witsius bij hem aansluit (al is er ook wel enig verschil) : beide erkennen, dat het in de praktijk moeilijk ligt, maar dat tenslotte het diepgaand onderscheid toch blijft.
Eerst gaat Witsius aanwijzen, hoe ver een onherborene het wel brengen kan in handel en wandel, in gaven en verstandsverlichting, in wil en affecten, dus feitelijk over heel de breedte van het leven. Hij erkent, dat de herborenen daarin vaak achteraan komen. Want die hebben vaak weinig genade (beter moest hij o.i. zeggen: bewustheid van de genade, vgl. Saldenus), vaak maar een mosterdzaadje. Tegen de zonde staan de herborenen vaak nog zwak, ze zijn achterlijk in de kennis en flauw in het gevoelsleven.
Ja, en toch stelt Witsius de herborene- -op-zijn-smalst boven de onherborene- op-zijn-breedst. De zwakste en armste herborene is sterker en rijker dan enig onherborene. Want hun kennis, al mag ze haperen, komt uit Christus en verootmoedigt. De onherborene is nog een slaaf der zonde, die alleen de straf vreest; de herborene weet zich een verloste, en hij haat en vliedt de zonde zelf. Deze inleiding loopt dan uit op een „Zielezucht van een verlegen christen om Gods genaderijke vertroostingen".
Zo komen we, getroost en bemoedigd en nochtans verlegen met onszelf, tot die practicale godgeleerdheid, die beoefening der godzaligheid.
Wat onze plichten tegenover God betreft : de eerste is, Hem recht te kennen, want dat maakt gelukzalig. Dat zijn ons allicht vertrouwde klanken (zaken!? ), maar we worden wat beducht, als we Witsius die kennis van God horen omschrijven als een heilige werkzaamheid van ons verlicht verstand. Dat zegt b.v. de Heidelberger toch wel anders en warmer! We signaleren hier eigenlijk voor het eerst, dat het hart wat op de achtergrond gaat komen en het denken, het verstand, plaats gaat krijgen. Niet, dat het bij Calvijn en de vroegere Gereformeerden verboden was in geloofszaken ook met het verstand te rekenen. Maar daar is het nooit een kenbron en enkel een instrument, waarmee het geloof zich meerdere klaarheid verwerft omtrent geloofsvragen, die een intellectuele kant hebben. In de 18e eeuw gaat dat langzamerhand wijzigen en wordt de rede niet langer als hulpmiddel („dienstmaagd") van het geloof gezien, maar eerst als bondgenote, vervolgens als evenknie en tenslotte als koningin. Een vermaard boek, dat we vooral voor hen, die op de zaak willen ingaan, even noemen: H. E. Weber : Reformation, Orthodoxie, Rationalismus, 3 dln., 1937-'51, beschrijft tot proces. We worden bij Witsius al gewaar, dat we stellig nog in de Reformatie staan, maar deze beginnende nadruk op de rede doet ons besluiten, dat de drempel van een orthodoxie, die meer leer dan leven kent, tevens bereikt is en achter die orthodoxie kan een compleet rationalisme, d.w.z. een verafgoding van de rede niet uitblijven.
Gemeten aan Voetius, die ook grote belangstelling voor de schoolse filosofie had', achten we Witsius zijn mindere : bij Voetius heeft de rede minder vermogen dan bij hem.
Dat Witsius deze kennis van God wil ontvangen uit drie , , boeken" : natuur, geweten en Schrift, kan ons, gezien het bovenstaande, niet recht verblijden. Tegenover een verwante voorstelling in onze Nederl. Geloofsbelijdenis, steekt Witsius ongunstig af. Hij zet deze (ook wel volgens zijn eigen belijden) zeer ongelijke , .boeken" veel te argeloos naast elkaar, waardoor , , het Boek der Boeken" op de achtergrond komt. Dat zien we in de 18e eeuw sterk toenemen ; we hadden wel gewild, dat Witsius hier geprotesteerd had tegen deze geest der eeuw. Maar hij heeft het gevaarlijke in zijn wijze van doen niet eens gevoeld, evenmin als Voetius. Men is in dezen pas laat (te laat) ontwaakt.
Wat Witsius dan over het geloof opmerkt, heeft bij hem de sterke nadruk, dat het gaat om de dingen, die men moet geloven. We proeven hier de tucht der Wet, maar vrezen, dat hij gemakkelijk wettisch kan worden, te meer, omdat we in het vervolg hem zo horen spreken over geloofswaarheden. Wèl blijkt Witsius goed te weten, dat het geloof een vrucht is van het genadeverbond, dus een heilig mogen, naast een heilig moeten, maar we zouden die twee veel inniger wensen te zien verbonden. Wat hij over de heilige, kinderlijke vreze Gods zegt, die het dienen van God dragen moet, is veel warmer. Blijkbaar had Witsius een hart, maar het is, vergeleken bij de snelle ontwikkeling, die het verstand doorloopt, bezig achterop te komen.
Als hij dan spreekt van de heilige verwondering, die ons past tegenover Gods volmaaktheden, gaat deze warmte het weer wat verliezen van het beredenerend verstand. Want inplaats van deze verwondering af te lezen uit dat genoemd Genadeverbond, let hij veel meer op Gods werken in de natuur, die toch met de , , bij zondere genade" niet op één lijn kunnen worden gesteld.
Hij eist tegenover God gehoorzaamheid, berusting en liefde, die laatste vanwege Gods beminnelijkheid. Dat doet ons weer warmer aan dan de zoeven genoemde verstandelijkheid, maar we zien niet, dat ze bij hem een werkelijke eenheid uitmaken.
We hebben navolgers Gods te zijn, in Zijn heiligheid. Dat is goed Gereformeerd : het gaat in alles om God; de Heere Jezus Christus wil tenslotte zijn: de weg tot de Vader terug.
De praktijk der hoop, die Witsius tekent, is piëtistisch van aard: de hoop strijdt tegen de wanhoop ; we strijden hier, uitziende op het volle, beloofde heil. De school van het gebed komt hier open en met dank en lof tot God wordt besloten, want hoezeer is Hij dat waardig !
De plichten tegenover de Heere Jezus Christus beginnen met de overdenking van Zijn verborgenheden, waarbij het verlichte verstand weer meer nadruk heeft, dan we, zeker in dit intiem verband, zouden verwachten. Waar Christus is aangenomen, komt het tot het geestelijk huwelijk met Hem, waarbij Witsius opeens zeer mystieke klanken, aanknopend bij het Hooglied, laat horen. Hij spreekt zelfs van uitgelaten blijdschap, verrukking, geestelijke dronkenschap. Daarin blijkt hij dus een gespleten man. Zijn hart woont nog wel in de mystiek, maar zijn hoofd woont op de grens van een moderne, onmystieke en verstandelijke tijd. Zo valt het ons moeilijk, uit te maken, wie tenslotte de echte Witsius is : de man van het verlichte verstand of de mysticus.
Christenleven betekent overgave aan Christus als Profeet, Priester, Koning. Het betekent Hem navolgen, achter Hem kruisdragen. In die weg wordt het afsterven aan de wereld en onszelf beoefend : een Christen kan en mag alleen leven voor Hem, die voor zondaren stierf.
Wat zijn we nu aan onszelf verplicht? Eerst: zelfonderzoek, om onze staat te onderkennen en tot de volmaaktheid voort te varen. Daar gaat mee gepaard droefheid over onze zonde, heilige wanhoop over onszelf, die tot Christus drijft en bij Hem houdt, belijdenis van zonde, die altijd weer verloochening van onszelf werkt.
Een merkwaardig hoofdstuk behandelt : de heilige bijzonderheid. Dat betekent : de heilige kunst van ons van anderen te onderscheiden in vurigheid en godzaligheid. Witsius voelt het gevaar wel, dat hier dreigt en maant: het échte ons onderscheiden wekt ootmoed en anders zijn we geveinsde huichelaars.
Het publieke leven duidt Witsius wel aardig aan. Het heet: , , dat niet geestelijk is op een geestelijke wijze". Het is dus breder geestelijk en zo toch wettig. Er is een roeping ook tot het burgerlijke leven en die openbaart, dat een Christen één leven kent, dat nochtans onderscheiden is naar de aspecten van tijd en eeuwigheid. Dat is dan ook een druk leven en Witsius maant, de tijd goed te besteden. Tegenover de moeiten en vijanden moet volharding worden betoond. En de klem van de eis om volmaakt te zijn, geeft aan dit bezigbezonken leven spanning en diepte.
Het laatste deel spreekt van de plichten tegenover de naaste. We dachten te mogen zeggen, dat hier wel geldt: Lest best. Witsius hoort toch nog echt tot de Nadere Reformatie, al is er één en ander verschoven. Want Witsius voert nog het pleidooi voor de huiselijke godsdienstoefening, die we immers in heel de Nadere Reformatie hooggeschat zagen. Witsius acht de huiselijke , , oefening der godzaligheid" onmisbaar. Ze houdt in: gebed. Schriftlezing en bespreking. De admiraal De Coligny wordt genoemd als een man, die zo helemaal daarin leefde. Aan hem had Witsius dan ook wel kunnen aantonen, wat hij verder aan de orde stelt, dat n.l. een goed' Christen ook een goed burger is. Zich innerlijk verdiepen en toch in het publieke leven breed meeleven, sluiten elkaar niet uit, maar vragen om elkaar.
Evenzo past het in de sfeer van de Nadere Reformatie, als Witsius zo sterk opkomt voor het vieren van de dag des Heeren. De strijd met de Coccejanen ook in dezen, is wel sterk getemperd, maar licht heeft Witsius althans hier begrepen, dat een nieuwe tijd daarin nóg afwijzender staat dan de extreme Coccejanen. Als de eeuw der natuurlijkheid al nader komt, gaat men ook de zondag al , , natuurlijker" vieren, wat dan intussen zeer onnatuurlijk moet heten.
Ziedaar Witsius. In alle geval toont hij ons, waar hij vandaan komt (Nad. Ref.), en waar hij heengaat. Als we straks andere 18e eeuwers ontmoeten, zal ons blijken dat die kritischer waren dan een wat naieve Witsius, al knaagt de tijdgeest ook tenslotte aan hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's