De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De heiliging naar de Gereformeerde conceptie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De heiliging naar de Gereformeerde conceptie

13 minuten leestijd

Lezing gehouden tijdens der predikantenconferentie, 8 januari 1957 in Woudschoten.

I

Het is van groot belang, dat wij ons samen bezinnen op de leer van de heiliging. Deze leer heeft de geesten immers altijd weer geboeid, en dat is geen wonder, waar de bijbel duidelijk laat zien, dat de heiliging van het volk Gods het doel van de wegen Gods is. Dit is de wil Gods : uw heiliging. Er wordt steeds over de heiliging gesproken in verband met een , , opdat". God verkiest, roept, rechtvaardigt de zijnen, opdat ze in zijn wegen zouden wandelen en ze worden geheiligd en leren zichzelf te heiligen, opdat God aan zijn eer kome. De heiliging is wel niet het eindpunt, maar wel de spits van de bijbelse verkondiging. Daarom zal ze ook in de prediking een brede plaats moeten innemen, wil die prediking werkelijk vruchtbaar kunnen zijn voor het leven der gemeente. Dat in dit opzicht alles niet is zoals het behoort te zijn, daarvan zijn wij ons zonder meer bewust. Het gereformeerd karakter van de prediking hangt toch mede af van de vraag of daarin de heiliging voldoende breed en zuiver aan de orde komt. Daarom doen wij — dacht ik — elkaar een goede dienst, door op de vragen, die hier liggen, wat dieper in te gaan.

Alles hangt ervan af of de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging zuiver wordt gesteld en de heiliging niet zó geleerd wordt, dat daardoor schaduwen geworpen worden op de algenoegzaamheid van Christus. Al te vaak is dat gebeurd en het resultaat was altijd, dat de glorie van Christus werd verduisterd. De verbanden van de Schrift laten ons niet toe de heiliging min of meer zelfstandig te plaatsen naast of zelfs boven de rechtvaardiging. De heiliging volgt wel logisch op de rechtvaardiging, maar hij is niet een volgende phase op de weg des heils. Hij is juist ten diepste te verstaan als het leven uit de rechtvaardiging, d.w.z. als een voortdurend putten uit de fontein van de schuldvergeving. Het gaat wel om een weg, waarin ook een zekere voortgang zal moeten zijn, , maar dat zal nooit mogen betekenen een zich verwijderen van de bron. Een geheiligd zondaar is nooit meer dan een arme zondaar, die uit Christus leeft. De reformatie heeft immers de heiliging weer op het geloof betrokken en gezien als een vrucht des geloofs en heeft van niets willen weten, dat hoger dan het geloof zou staan, b.v. de ervaring. En dat geloof wordt steeds gezien als de binding aan Christus en dus de betrokkenheid op de Schrift, waarin de Christus ons aangeboden wordt.

Dat is allesbeheersend, niet alleen voor het begin, maar óok voor de voortgang en het einde van het geestelijk leven. Zo worden wij door het geloof gerechtvaardigd, maar evenzeer door het geloof geheiligd, omdat rechtvaardiging en heiliging beiden vruchten zijn van die Christus, die wij alleen door het geloof bezitten kunnen.

Juist vanuit die Christus zijn rechtvaardiging en heiliging niet te scheiden, omdat Hij de éne, ongedeelde en ondeelbare Christus is, die zichzelf tot rechtvaardiging en heiliging geschonken heeft. Wij komen bij Calvijn steeds weer de opmerking tegen, dat Christus niet gescheurd kan worden en dat wij Hem niet als onze gerechtigheid kunnen hebben, zonder dat Hij ons leven heiligt. Het is onmogelijk om een scheiding te maken tussen de Christus vóór ons en de Christus in ons. Het geloof in Hem kan niet anders dan vruchtbaar zijn in de goede werken, niet omdat het geloof een eigen vruchtbaarheid zou bezitten, want het is in zichzelf niets, maar omdat Christus in de zijnen non otiosus is. Het geloof is niet produktief, maar Christus is de levende wijnstok, waarmee de gelovigen als ranken verbonden worden. Calvijn heeft er sterk de nadruk op gelegd en wij vinden het in alle belijdenisgeschriften terug, dat men geen deel kan hebben aan de weldaden van Christus, zonder de gemeenschap met Hemzelf. Het geloof alleen legt die gemeenschap en daarom wordt Hij in die weg tot rechtvaardiging en heiliging ontvangen.

Calvijn zag de samenhang tussen rechtvaardiging en heiliging liggen in de unio mystica cum Christo en Kolfhaus heeft ons laten zien, hoe centraal die Christusgemeinschaft is voor heel zijn theologie. Het is verhelderend, zijn boekje , , Christusgemeinschaft bei J Calvin" daarop na te lezen. Dan wordt het duidelijk hoe het komt, dat de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging voor Calvijn nooit een probleem geworden is. En ook hoe het kan, dat hij alle nadruk gelegd heeft op de verheerlijking Gods en de heiliging van het leven, zonder dat de rechtvaardiging daardoor van zijn centrale plaats gedrongen werd.

De eenheid ligt immers in de ondeelbare Christus met wie het geloof gemeenschap heeft. De rechtvaardiging kan dan niet meer als een geïsoleerd gebeuren worden gezien, dat een zekere uitbreiding en aanvulling zou nodig hebben. Wie Christus door het geloof aan mag grijpen, grijpt Hem aan tot rechtvaardiging en tot heiliging beide. Dat geschiedt niet in elkaar opvolgende daden, maar in de ene daad des geloofs. Er is geen ogenblik, zegt Kolfhaus, waarin Christus de zijnen niet tegelijk het hen rechtvaardigende èn heiligende of vernieuwende hoofd zou zijn. Wie Christus ontvangt als z'n gerechtigheid voor God ontvangt daardoor en tegelijkertijd zijn Geest, die de zondaar vernieuwt, hem met Christus doet samengroeien en zo het beeld Gods in hem herstelt. Christus is immers nooit los te denken van zijn leden ; Hij kan ook niet losgedacht worden van zijn Geest, die in de leden wordt uitgestort. Terecht zegt Bavinck, dat rechtvaardiging en heiliging in de schrift met gelijke nadruk gepredikt worden; door het geloof ontvangen wij de volle Christus, alleen in de rechtvaardiging in juridische en in de heiliging in ethische zin.

Het geloof gaat dus aan de heiliging vooraf. Daarmee wordt alle heiligheidsstreven buiten de gemeenschap met de levende Christus om de pas afgesneden. Wie de zonde bestrijden wil zonder geloofsoefening, probeert Beëlzebul uit te werpen met behulp van Beëlzebul, de verdorvenheid wordt er dus des te groter door. Kohlbrugge heeft zijn leven lang gepredikt, dat wij alleen Gode aangenaam kunnen zijn door het geloof in Christus en dat alles wat niet voortkomt uit de geloofsbetrekking met Hem heiligheidskrukken zijn, die moeten worden weggeworpen om nu alleen op Hem te zinken. Hij legt daarmee wel een eigen accent, maar verwijdert zich daardoor zeker niet uit de gedachtenwereld van Calvijn.

De waarachtige heiliging kan alleen voortkomen uit de wortel des geloofs. Dit wordt duidelijk uitgesproken in het begin van art. 24 N.G.B., waar gezegd wordt dat het waarachtig geloof de mens wederbaart en maakt tot een nieuwe mens.

Daar wordt de wedergeboorte dus gezien als een vrucht van het geloof. Calvijn schrijft boven III, 3 : dat wij door het geloof worden wedergeboren. En Luther zegt hetzelfde in zijn commentaar op de Galatenbrief: het geloof is niet als het schuim op water of bier, maar een levend, wezenlijk ding, dat de mens geheel nieuw maakt, zijn gemoed verandert en hem geheel omkeert. Het zweeft en zwemt niet boven op het hart als een gans op het water, maar het is als water, dat door 't vuur verwarmd is".

Hier schijnt 'n tegenstrijdigheid te zijn met de Dordtse leerregels, die het geloof zien als een vrucht van de wedergeboorte (III-IV, 11, 12). Maar tussen beide beschouwingen ligt niet anders dan een accentverschil. De geloofsbelijdenis wil er op wijzen, dat alleen het geloof ons Christus en al zijn weldaden deelachtig maakt en bij wedergeboorte denkt men aan de bewuste vernieuwing van het hart, de beleefde omzetting van het leven, die door het geloof als instrument uit de volheid van Christus ontvangen wordt. Maar de Dordtse leerregels hadden te doen met de vraag, hoe het geloof ontstaat, zulks in conflikt met de remonstranten, die meenden dat daartoe een blote persuasio, een overreding, voldoende was. Daartegenover stelden zij, dat het geloof alleen geboren wordt uit de vernieuwing des harten door de H. Geest. Calvijn denkt bij wedergeboorte meer aan de vernieuwing van het leven in de brede zin, hoewel hij ook soms de wedergeboorte aan het geloof doet voorafgaan. Zo b.v. in z'n commentaar op Joh. 1. 12 , 13 : men kan niet geloven, tenzij men uit God geboren is.

In ieder geval: onze vaderen waren overtuigd, dat heiliging, bekering, alleen gezien kunnen worden als vrucht van het geloof. Daarom is de oproep tot bekering steeds verankerd in de barmhartigheden onzes Gods. Men kan niet tot bekering vermanen als het niet ten nauwste verbonden is met het aanbod der genade, zoals ook de wet alleen kan gepredikt worden in de bedding van het evangelie. Alleen het offer van Christus is in staat om het hart te vertederen tot de onherouwelijke bekering tot zaligheid. Anders blijft het vrijblijvend en dus onvruchtbaar. Dat betekent geen verzwakking, maar juist een verscherping van de noodzaak der bekering, want daar bloeit het zoeken van de verheerlijking Gods uit op. Wie de volgorde, eerst geloof in Christus en dan goede werken, bekering, omkeert, spreekt volgens Luther een duistere en gevaarlijke taal. De oproep tot vernieuwing des levens zal uitdagend en uitnodigend tegelijk moeten zijn. Het geloof voorop, dat betekent, dat God verdorven zondaars oproept, opdat ze zich in de armen van Christus zullen werpen, opdat hij ze vernieuwe naar zijn beeld.

Het gaat dus steeds weer om het geloof : het sola fide beheerst de gehele reformatorische theologie, ook in de vragen, die met de heiliging samenhangen. Het is onvruchtbaar de oude mens aan te pakken en de zonde te bestrijden, zonder dat hij door het geloof uitgeleverd wordt aan de Christus. Dat geldt niet alleen voor het begin, maar evenzeer voor de voortgang van het leven der heiliging. Het gaat er om, dat wij door het geloof eens anderen worden om Hem voortaan te leven. En dat kan alleen wanneer wij onszelf leren verfoeien en een welgevallen leren krijgen in Christus. De achtergrond van de reformatorische leer van de heiliging is die van de totale verdorvenheid van het menselijk hart. Omdat Calvijn de mens zag als een geheel verdorven schepsel, kon hij alles alleen zoeken in Christus en moest hij steeds weer terechtkomen bij het geloof in Hem. De mens is in zichzelf volkomen uit God uit en daarom van zijn levensbron afgesneden ; daardoor is hij wel mens gebleven, maar een verdorven mens geworden, die niets kan doen wat Gode kan behagen. Alles wat hij doet vertoont de smet der zonde. Maar nu heeft het Gode behaagd om de ganse zaligheid te stellen in de Christus, in Hem is. hetibeeld Gods vernieuwd. Hij heeft zichzelf geheiligd voor de zijnen, opdat ze geheiligd zouden worden.

Daarom is het nodig, dat wij door het geloof in Hem opgenomen worden, vlees van zijn vlees worden. Dat geloof komt alleen tot stand door de band (vinculum) des Geestes, die ze in Hem inlijft, opdat ze uit Hem leven zouden en zo weer met hun levensgrond verenigd worden. Alleen zo wordt een mens naar het beeld Gods vernieuwd, omdat Christus zijn leven uitstort in de zijnen. Die vereniging met Christus is de enige grond van de heiliging. Want dat geloof in Christus kan niet dood zijn, maar is steeds levend, niet uit zichzelf, maar omdat Christus de levende Christus is. Het geloof is wat het is vanwege het voorwerp des geloofs. De heiliging kan dus niet worden afgeleid uit een kwaliteit van het geloof, maar alleen uit de Christus met wie het geloof verbindt en de H. Geest die deze verbinding legt. Zo kan de heiliging nooit gepaard gaan met enige zelfverheffing ; zij komt alleen op uit het rusten in zijn volbrachte werk. Zo is het geloof niet alleen een ontvangend orgaan, maar ook een werkzame kracht van Christus uit. Door het geloof wil Christus woning maken in het hart door de H. Geest en die Geest werkt het herstel, waardoor Christus meer en meer gestalte krijgt. Christus heeft immers de Geest verworven en vanwege de innige band tussen Hoofd en lichaam komt Hij al de zijnen ten goede. Hij verbindt het Hoofd met het lichaam en het lichaam met het Hoofd. Dat is het nieuwe beginsel, dat in het hart wordt uitgestort. Daarmee hebben onze vaderen nooit bedoeld bepaalde qualiteiten aan de wedergeboren mens toe te schrijven, alsof hij in zichzelf een ander mens zou zijn geworden. Dat nieuwe beginsel is de H. Geest zelf als eersteling en onderpand van de toekomende erfenis. De leer van de gratia interna wil duidelijk maken, dat de wending niet uit vlees en bloed is voortgekomen. Er moet ook op gelet worden, dat de Schrift niet spreekt van instorten, maar van uitstorten van de H. Geest, d.w.z. het accent valt niet op de mens, aan wie iets wordt medegedeeld, maar op God, die de mens begiftigt met zijn heil. Zoals trouwens de hele leer van de mvstieke unie met Christus in de reformatie theologisch wordt ontwikkeld. Het gaat niet zozeer over de mens en zijn bepaalde hoedanigheden, maar het gaat over de raad des vredes en over Christus als het Hoofd van zijn lichaam en over de H. Geest, die de band tussen Hoofd en leden tot stand brengt en in stand houdt. Zo wordt de mens er volkomen, niet alleen voorwerpelijk, maar ook onderwerpelijk, in opgenomen, zonder dat de glans van Christus er ook maar enigermate door wordt verduisterd.

De Heilige Geest herstelt de gevallen mens tot de gelijkvormigheid aan Christus. De gestalte van Hem wordt meer en meer zichtbaar in het nieuwe leven. Onder zijn beademing beginnen de vruchten des Geestes uit te botten en te bloeien. Dat is wel een verborgen leven, een verborgen omgang met God, maar Calvijn heeft er altijd op gewezen, dat het niet in de verborgenheid besloten blijft. Er onstaat een leesbare brief van Christus, die niet geschreven wordt in een geheimschrift, dat alleen ingewijden kunnen lezen.

In dat herstel is de mens niet alleen maar passief. Hij wordt juist gewillig gemaakt, doordat zijn wil wordt omgebogen. Waar de Heilige Geest woont, wordt de liefde tot God in het hart uitgestort, zodat het de begeerte wordt om in de wegen des Heeren te wandelen. De wet wordt geschreven op de tafelen van het hart, d.w.z. het hart wordt afgestemd op zijn geboden. Dat is juist het werk van de Heilige Geest om een mens van harte met Christus te verenigen. Daar is hij aktief in betrokken, zodat er een appèl gedaan moet worden op zijn aktiviteit. Wanneer onze prediking soms in verdenking komt, omdat dat appèl er te duidelijk in doorklinkt, dan is dat een miskenning van het werk van de Heilige Geest, waarvoor wij dus niet uit de weg zullen mogen gaan. Wanneer men niet verder gaat dan de prediking van de schuldvergeving wordt aan de kracht van Christus tekort gedaan. Er moet in de prediking geworsteld worden met de gemeente, opdat Christus in haar gestalte krijge. Het is merkwaardig hoe onbevangen de verantwoordelijkheid en de roeping in de brieven der apostelen naar voren komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De heiliging naar de Gereformeerde conceptie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's